GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.314.298/02 (zaaknummers rechtbank Gelderland 389138 en 394636) beschikking van 6 december 2022 op het verzoek tot schorsing inzake [verzoekster] , wonende te [woonplaats1] ,verzoekster, verder te noemen: de vrouw, advocaat: mr. M.T. Psara te ‘s-Hertogenbosch, en [verweerder] , wonende te [woonplaats2] , verweerder, verder te noemen: de man, advocaat: mr. D. Kotterman te Arnhem. 1Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 11 mei 2022, uitgesproken onder voormelde zaaknummers. Bij deze beschikking heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, het volgende beslist: bepaalt ten aanzien van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden als volgt: - de echtelijke woning dient getaxeerd te worden en de vrouw krijgt drie maanden na inschrijving van de echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand de tijd om te onderzoeken of zij de woning tegen de getaxeerde waarde kan overnemen; anders dient de woning verkocht te worden, een en ander conform 3.51 tot en met 3.55; (het hof leest samengevat: waarbij de overwaarde bij helfte wordt gedeeld; zowel bij overname als bij verkoop moet de aflossingsvrije hypotheek van € 468.738,18 worden verrekend/ afgelost alsmede de spaarhypotheek van € 133.865,16); - (….) - de vrouw dient aan de man te betalen een bedrag van € 7.500,- inzake de terugbetaling van een lening. Deze beslissing is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. 2. Het geding in hoger beroep in de hoofdzaak en met betrekking tot het verzoek tot schorsing 2.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - het beroepschrift tevens verzoek tot schorsing met producties, ingekomen op 9 augustus 2022; - het verweerschrift in de hoofdzaak, tevens incidenteel hoger beroep met producties; - een journaalbericht van mr. Kotterman van 30 september 2022 met producties. 2.2 De mondelinge behandeling heeft op 3 oktober 2022 plaatsgevonden. Hierbij waren aanwezig: - de vrouw, met haar advocaat; en - de man, met zijn advocaat. 2.3 Na de mondelinge behandeling heeft het hof een journaalbericht van mr. Kotterman ontvangen van 5 oktober 2022 met producties, te weten een V3-formulier van 30 augustus 2022, het verweerschrift tegen het verzoek tot schorsing met een productie en een e-mail van 30 augustus 2022 aan mr. Psara. Op 5 oktober 2022 heeft mr. Psara in een journaalbericht aan het hof bericht dat de vrouw bezwaar maakt tegen het toelaten van de door mr. Kotterman op 5 oktober ingediende stukken, omdat het verweerschrift tegen het verzoek tot schorsing na de verweertermijn van 30 augustus 2022 is binnengekomen bij het hof. 2.4 Het hof zal geen acht slaan op het verweerschrift tegen het verzoek tot schorsing, nu dit te laat is ingekomen. Op grond van het bepaalde in artikel 362 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) in verbinding met artikel 282 lid 1 Rv kan een verweerschrift tot de aanvang van de mondeling behandeling of, indien de rechter dit toestaat, in de loop van de mondeling behandeling worden ingediend, maar niet meer daarna. Mr. Kotterman heeft ter mondelinge behandeling mondeling verweer gevoerd tegen het schorsingsverzoek. 2.5 De voorzitter van de behandelende combinatie is na sluiting van de behandeling en daags voor de geplande uitspraakdatum van 25 oktober 2022 door de vrouw gewraakt. Op 23 november 2022 heeft de wrakingskamer het verzoek afgewezen. De beschikking van het hof heeft daardoor enige vertraging opgelopen. 3De motivering van de beslissing 3.1 De bij de bestreden beschikking uitgesproken echtscheiding is op 24 augustus 2022 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. 3.2 De vrouw verzoekt in deze procedure schorsing te bevelen van de werking van de bestreden beschikking, voor zover het de onder 1 genoemde beslissingen betreft. De man voert hiertegen gemotiveerd verweer. 3.3 Op grond van artikel 360 lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan, niettegenstaande de uitvoerbaarverklaring bij voorraad in eerste aanleg, de hogere rechter schorsing van de werking van (een deel van) de beschikking bevelen. 3.4 Het hof stelt voorop dat een partij die een uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beschikking heeft verkregen in beginsel bevoegd is om die beschikking te executeren, ook als tegen die beschikking hoger beroep is ingesteld. Voor de maatstaven die behoren te worden aangelegd bij de beoordeling van het verzoek, geldt dat de verzoeker belang moet hebben bij de door hem verlangde schorsing van de tenuitvoerlegging. Volgens vaste rechtspraak (zie HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026) moeten daarbij de volgende maatstaven worden aangelegd. a. Uitgangspunt is dat een beslissing, hangende een hogere voorziening, uitvoerbaar dient te zijn. Afwijkingen van dit uitgangspunt kunnen gerechtvaardigd zijn. Daarbij valt te denken aan omstandigheden die meebrengen dat het belang van een partij bij behoud van de bestaande toestand zolang niet op het door hem ingestelde rechtsmiddel is beslist, ook gegeven dit uitgangspunt, zwaarder weegt dan het belang van de andere partij bij de uitvoerbaarheid bij voorraad daarvan. b. Bij de toepassing van de onder a genoemde maatstaf moet worden uitgegaan van de beslissingen in de ten uitvoer te leggen beschikking en van de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen, en blijft de kans van slagen van het tegen die beslissing aangewende of nog aan te wenden rechtsmiddel buiten beschouwing, met dien verstande dat de rechter in zijn oordeelsvorming kan betrekken of de bestreden beslissing(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.