GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden afdeling civiel recht, handel zaaknummer gerechtshof 200.288.246/01 (zaaknummer rechtbank Overijssel 239883) arrest van 6 december 2022 in de zaak van 1Calista Holding B.V. (Calista), Die is gevestigd in Ommen,
(2)dat de koop onder een opschortende voorwaarde is gesloten die nooit is ingetreden (de oprichting van Calista Projects III). Een tekortkoming zou bovendien niet aan Calista zijn toe te rekenen, omdat de oprichting buiten toedoen van Calista niet is doorgegaan. 3.16 De eerste twee argumenten stranden op wat hiervoor is overwogen. Voor het derde geldt dat het hof niet kan inzien dat en waarom het voor rekening en risico van [naam1] (de curator) zou moeten komen dat Calista Projects III bij gebrek aan financiering niet is opgericht. 3.17 Voor het door Calista c.s. aangeboden bewijs ziet het hof geen ruimte. Aansprakelijkheid van [appellant2] 3.18 [appellant2] bestrijdt dat hij aansprakelijk is voor schade die [naam1] heeft geleden, omdat hij van begin af aan openheid van zaken heeft gegeven over het voornemen een vennootschap op te richten die het pand zou kopen, en dat dat afhankelijk zou zijn van externe financiering. Daartoe is ook een financieringsvoorbehoud in de overeenkomst opgenomen. [naam1] kon zelf haar risico’s op dat punt inschatten. Het was nooit de bedoeling dat Calista zelf zou proberen die financiering te verkrijgen en zij had ook geen andere koper achter de hand. Ook dat was duidelijk. Dat het de feitelijke koper niet zou lukken om de financiering rond te krijgen, kon [appellant2] niet voorzien toen de koop werd gesloten. 3.19 Het hof moet de vordering die [naam1] tegen [appellant2] heeft ingesteld beoordelen in het licht van de jurisprudentie die de rechtbank al heeft aangehaald: naast de aansprakelijkheid van de vennootschap kan ook, afhankelijk van de omstandigheden van het geval, grond aanwezig zijn voor aansprakelijkheid van [appellant2] . Dat is het geval wanneer hij als bestuurder van Calista namens deze vennootschap heeft gehandeld terwijl hij wist dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet zou nakomen, dan wel heeft bewerkstelligd of toegelaten dat Calista die verplichtingen niet zou nakomen. In beide gevallen mag in het algemeen alleen dan worden aangenomen dat [appellant2] jegens [naam1] onrechtmatig heeft gehandeld als hem, mede gelet op zijn verplichting tot een behoorlijke taakuitoefening als bedoeld in art. 2:9 BW, daarvan persoonlijk een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt. 3.20 Op vragen van het hof over het verwijt dat [appellant2] concreet wordt gemaakt, heeft de curator een tweeledig antwoord gegeven: hem kon bij het aangaan van de overeenkomst een ernstig verwijt worden gemaakt, en ook nadien trof hem een dergelijk verwijt. In beide gevallen is dat naar het oordeel van het hof echter niet deugdelijke onderbouwd. 3.21 Bij het aangaan van de overeenkomst was voor de contractspartijen duidelijk dat Calista Projects III de beoogd koper was, dat deze vennootschap nog niet was opgericht en dat de oprichting afhankelijk was van financiering die op dat moment nog niet was verkregen. De overeenkomst bevatte een clausule die aan die onzekerheid in het belang van Calista tegemoet kwam: de overeenkomst kon door haar worden ontbonden indien zij uiterlijk op 27 juli 2019 voor de financiering voor € 500.000 geen hypothecaire geldlening of het aanbod daartoe van een erkende geldverstrekkende bankinstelling zou hebben verkregen. Dat [appellant2] toen al wist dat die financiering niet verkregen zou worden, is niet onderbouwd. Uit dit alles, in het bijzonder de ook aan [naam1] bekende onzekerheden, volgt dat onvoldoende is onderbouwd dat [appellant2] persoonlijk van het aangaan van de koopovereenkomst een ernstig verwijt kan worden gemaakt. 3.22 Hetzelfde geldt voor het standpunt dat [appellant2] een dergelijk verwijt nadien wel treft. De curator heeft namelijk niet onderbouwd dat (en hoe) [appellant2] heeft bewerkstelligd of toegelaten dat Calista haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakwam. Het enige dat is aangevoerd (en ook vaststaat), is dat het niet is gelukt de koop te financieren. Bovendien blijkt uit de toelichting die [naam2] op de zitting heeft gegeven dat [appellant2] daartoe wel degelijk – zij het vergeefse, mogelijk zelfs hopeloze – pogingen heeft ondernomen. Verder valt niet in te zien dat en waarom het jegens [naam1] onrechtmatig zou zijn dat [appellant2] heeft nagelaten de ontbindende voorwaarde in te roepen. De boete en andere schade 3.23 Inmiddels wordt geen verwijzing naar een afzonderlijke ‘schadestaatprocedure’ meer gevorderd. De curator heeft de schade van [naam1] concreet berekend en vordert in hoger beroep veroordeling tot betaling van die schade: het pand is na inschakeling van een bedrijfsmakelaar alsnog verkocht, maar voor € 140.000 minder dan de oorspronkelijke koopsom. Tot aan de overdracht (tussen 22 juli 2019 en 29 december 2020) was [naam1] € 6.181,14 aan hypotheekrente verschuldigd over een schuld van € 691.099,
- Dat resulteert in een schade van € 146.181,
- Dat bedrag wordt nu gevorderd, vermeerderd met wettelijke rente. 3.24 Calista voert aan dat de boete moet worden gematigd, omdat het niet de bedoeling was dat Calista het pand zou afnemen (en zij dat ook niet kon). Voor aanvullende schade is volgens haar bovendien alleen in uitzonderingsgevallen als bedoeld in artikel 6:94 lid 2 BW plaats, en was het de eigen keuze van [naam1] het pand voor een lagere prijs te verkopen. 3.25 Het laatste verweer moet stranden op de contractuele afspraak dat Calista een boete van € 80.000 moet betalen (10% van de koopsom), onverminderd het recht op aanvullende schadevergoeding indien de daadwerkelijke schade hoger is, en onverminderd vergoeding van kosten van verhaal. Dat het pand uiteindelijk – na inschakeling van een bedrijfsmakelaar - € 140.000 minder heeft opgebracht, is niet bestreden. Dit verschil kan als schade worden aangemerkt, evenals de in de tussentijd verschuldigde rente op de uitstaande hypothecaire leningen. De hoogte daarvan is niet afzonderlijk bestreden. Het feit dat Calista het pand niet wilde, en ook niet heeft kunnen afnemen ten slotte, is geen reden voor matiging van de boete. Andere argumenten die daar wel voor zouden pleiten, ontbreken. Calista heeft overigens eigenlijk ook geen belang bij matiging van het boetebedrag, omdat de contractuele boete opgaat in het (hogere) schadebedrag. Eigen schuld 3.26 Calista is van mening dat de door de curator gestelde schade geheel of in ieder geval voor een aanmerkelijk deel aan [naam1] zelf te wijten is en geheel dan wel grotendeels voor haar eigen rekening dient te komen. Dit omdat [naam1] wist dat Calista niet in staat was zelf de overeenkomst financieel te dragen, althans omdat zij heeft nagelaten zich daarvan te vergewissen. 3.27 Het hof verwerpt dit verweer omdat het ongegrond is. Gelet op wat hiervoor al is overwogen, hoeft die conclusie niet te worden toegelicht. De conclusie 3.28 Calista zal worden veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding van € 146.181,14, vermeerderd met rente en kosten. Als datum van verzuim (de ingangsdatum van de wettelijke rente) zal het hof de rechtbank volgen, nu daartegen niet duidelijk bezwaar is gemaakt. De vordering tegen [appellant2] zal worden afgewezen. Omdat Calista en [appellant2] gezamenlijk hebben geprocedeerd, en omdat de ene partij in het gelijk wordt gesteld en de andere niet, zal het hof de proceskosten in eerste aanleg en in hoger beroep voor rekening van partijen zelf laten. 4De beslissing Het hof: vernietigt het vonnis van de rechtbank Overijssel in Zwolle van 7 oktober 2020, behalve de beslissing onder 5.1, die hierbij wordt bekrachtigd, en beslist verder als volgt. veroordeelt Calista om binnen vijf dagen na betekening van dit arrest tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de curator € 146.181,14 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 16 oktober 2019 tot de dag van algehele betaling; verklaart dit arrest ten aanzien van deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad; wijst af wat verder is gevorderd; bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt, zowel van het hoger beroep als van de procedure bij de rechtbank. Dit arrest is gewezen door mrs. M.W. Zandbergen, O.E. Mulder en W.P.M. ter Berg, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 6 december
- HR 11 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX
- Artikel 157 lid 2 Rv. Art. 151 lid 2 Rv. Zie HR 18 februari 2000, nr. C98/208, NJ 2000/295.