GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN zittingsplaats Leeuwarden Zaaknummer : Wahv 200.305.675/01 CJIB-nummer : 233668232 Uitspraak d.d. : 8 december 2022 Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam van 23 december 2021, betreffende [de betrokkene] (hierna: de betrokkene), wonende te [woonplaats] . De gemachtigde van de betrokkene is mr. I.N.D.J. Rissema, kantoorhoudende te Dordrecht. De beslissing van de kantonrechter De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om toekenning van een dwangsom is afgewezen. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen. Het verloop van de procedure De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend. De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht. De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt. De beoordeling
- De gemachtigde voert aan dat de officier van justitie een dwangsom verbeurt, omdat niet tijdig op het administratief beroep is beslist. De gemachtigde stelt dat de kantonrechter ten onrechte heeft overwogen dat de beslistermijn van de officier van justitie nog niet was verstreken. De beroepstermijn in het kader van het administratief beroep eindigde op 8 juli
- De beslistermijn eindigde vervolgens op 8 oktober
- De verdagingsbrief van 11 november 2020 is verzonden na ommekomst van deze beslistermijn en heeft daarom niet geleid tot verlenging van die termijn. De advocaat-generaal stelt dat deze verdagingsbrief wel tijdig is verzonden, zodat de beslistermijn is opgeschort. Er zou sprake zijn geweest van een verzuim in de zin van artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in verband met het ontbreken van een geldige machtiging, maar dat is niet het geval. De machtiging was reeds bij het indienen van het administratief beroepschrift verstrekt, aldus de gemachtigde. Een en ander heeft tot gevolg dat de ingebrekestelling van de officier van justitie bij brief van 23 december 2020 niet prematuur was en daarmee verbeurt de officier van justitie een dwangsom.
- Artikel 4:17 van de Awb luidt, voor zover hier van belang, als volgt: “
- Indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven, verbeurt het bestuursorgaan aan de aanvrager een dwangsom voor elke dag dat het in gebreke is, doch voor ten hoogste 42 dagen. De Algemene termijnenwet is op laatstgenoemde termijn niet van toepassing.
- De dwangsom bedraagt de eerste veertien dagen € 23 per dag, de daaropvolgende veertien dagen € 35 per dag en de overige dagen € 45 per dag.
- De eerste dag waarover de dwangsom verschuldigd is, is de dag waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen.”
- Artikel 7:24 van de Awb bepaalt, voor zover van belang: “
- Het beroepsorgaan beslist binnen zestien weken, gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van het beroepschrift is verstreken. (…)
- De termijn wordt opgeschort gerekend vanaf de dag na die waarop de indiener is verzocht een verzuim als bedoeld in artikel 6:6 te herstellen, tot de dag waarop het verzuim is hersteld of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken.
- Het beroepsorgaan kan de beslissing voor ten hoogste tien weken verdagen.”
- Uit het dossier blijkt het volgende: de inleidende beschikking is op 27 mei 2020 aan de betrokkene toegezonden; de gemachtigde heeft op 6 juli 2020 administratief beroep ingesteld. Als bijlage is een machtigingsformulier gevoegd. Dit formulier is voorzien van een handtekening, maar de daarbij behorende naam van de betrokkene ontbreekt op het formulier; - bij brief van 25 augustus 2020 heeft de officier van justitie de gemachtigde er op gewezen dat op de overgelegde machtiging geen naam staat, waardoor niet is komen vast te staan door wie hij wordt gemachtigd en of deze daartoe bevoegd is. In dat verband wordt aangegeven dat een kopie van de beschikking ook volstaat. Daarnaast wordt er op gewezen dat dit betekent dat er sprake is van een verzuim en dat de gemachtigde in de gelegenheid wordt gesteld dit verzuim binnen vier weken na dagtekening van de brief te herstellen; - op 8 september 2020 legt de gemachtigde via het Digitaal Loket Verkeer het eerder ingezonden machtigingsformulier opnieuw over, maar nu voorzien van de naam van de betrokkene. Op 9 september 2020 heeft de gemachtigde via het Digitaal Loket Verkeer (een kopie van) de inleidende beschikking, bevattende het adres van de betrokkene, ingebracht; - bij brief van 11 november 2020 geeft de officier van justitie te kennen dat de beslistermijn met 10 weken wordt verlengd; - bij brief van 23 december 2020, door de officier van justitie ontvangen op 24 december 2020, heeft de gemachtigde de officier van justitie in gebreke gesteld.
- Op grond van artikel 2:1, eerste lid, van de Awb, kan een beroepsgerechtigde zich in de fase van het beroep bij de officier van justitie laten bijstaan of vertegenwoordigen door een gemachtigde. Uit het tweede lid van deze bepaling volgt dat van een gemachtigde kan worden verlangd dat hij een schriftelijke machtiging overlegt.
- Indien de officier van justitie vaststelt dat een schriftelijke machtiging niet toereikend is, kan het beroep op grond van artikel 6:6 van de Awb niet-ontvankelijk worden verklaard mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.
- Op grond van artikel 7:24, derde lid, van de Awb wordt de beslistermijn op het administratief beroep opgeschort gerekend vanaf de dag na die waarop de indiener is verzocht een verzuim als bedoeld in artikel 6:6 van de Awb te herstellen tot de dag - voor zover hier van belang - waarop het verzuim is hersteld. Artikel 7:24, derde lid, maakt het mogelijk de beroepstermijn voor een periode van ten hoogste tien weken te verlengen.
- Nu op de door de gemachtigde op 6 juni 2020 overgelegde schriftelijke machtiging de naam van de betrokkene ontbrak en deze slechts was voorzien van een handtekening, voldeed de machtiging niet aan de daaraan te stellen eisen. Dit betekent dat de officier van justitie - anders dan de gemachtigde meent - gerechtigd was om de gemachtigde te verzoeken het geconstateerde verzuim te herstellen en daarmee werd de beslistermijn op het administratief beroep opgeschort, gerekend vanaf de dag na die waarop de gemachtigde werd verzocht het verzuim te herstellen tot de dag waarop het verzuim werd hersteld.
- Ingevolge het bepaalde in de artikelen 6:7 en 6:8 van de Awb eindigde de beroepstermijn in dit geval op 8 juli 2020 en eindigde de beslistermijn, gelet op het bepaalde in artikel 7:24, eerste en derde lid, van de Awb, op 12 november
- Dit betekent dat de officier van justitie de beslistermijn bij brief van 11 november 2020 tijdig heeft verlengd voor een termijn van tien weken. Daarmee is de door de gemachtigde verzonden ingebrekestelling van 23 december 2020 prematuur, zodat geen dwangsom is verschuldigd. De kantonrechter heeft terecht geoordeeld dat de officier van justitie geen dwangsom verschuldigd is.
- Het hof zal beslissen als hierna vermeld.
- Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. de arresten van het hof van 28 april 2020 en 1 april 2021, vindplaatsen op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336 en 2021:1786). De beslissing Het gerechtshof: bevestigt de beslissing van de kantonrechter; wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af. Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Pullens als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.