GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden afdeling civiel recht, handel zaaknummer gerechtshof 200.297.543/01 (zaaknummer rechtbank Overijssel 244074) arrest van 13 december 2022 in de zaak van 1 [appellant] , 2. [appellante] , beiden wonende te [woonplaats1] , samen handelend onder de naam Landbouwbedrijf [naam1] , appellanten in het principaal hoger beroep, geïntimeerden in het incidenteel hoger beroep, bij de rechtbank: gedaagden in conventie en eisers in reconventie, hierna gezamenlijk te noemen: [appellanten], advocaat: mr. J.P.C. van Ruiven, die kantoor houdt te Enschede, tegen MW Techniek B.V., gevestigd te Tubbergen, geïntimeerde in het principaal hoger beroep, appellante in het incidenteel hoger beroep, bij de rechtbank: eiseres in conventie en verweerster in reconventie, hierna: MW Techniek, advocaat: mr. H.G.M. van Zutphen, die kantoor houdt te Almelo. 1Het verloop van de procedure in hoger beroep Naar aanleiding van het tussenarrest van 25 januari 2022 heeft op 10 oktober 2022 een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Daarvan is een verslag opgemaakt dat, met de pleitaantekeningen van mr. Van Ruiven, aan het dossier is toegevoegd (het proces-verbaal). Aan het slot van de mondelinge behandeling is de zaak aangehouden voor beraad partijen. Omdat partijen geen minnelijke regeling hebben getroffen, hebben zij het hof gevraagd arrest te wijzen. 2Waar gaat deze zaak over? 2.1 Het gaat in deze procedure om werkzaamheden en leveranties die MW Techniek voor [appellanten] heeft verricht. Partijen twisten onder meer over de vragen of sprake was van een fatale leveringstermijn, of de door MW Techniek verzonden facturen verschuldigd en opeisbaar zijn, of dat juist een bedrag moet worden terugbetaald door MW Techniek aan [appellanten] De antwoorden op die vragen zijn van belang voor de hoofdvraag of de overeenkomst tussen partijen rechtsgeldig door MW Techniek dan wel [appellant] is ontbonden en welke gevolgen dat heeft. Dit geschil heeft de volgende feitelijke achtergrond. 2.2 MW Techniek (tevens handelend onder de naam MW Technologie) is actief in de branche Afvalwaterinzameling- en behandeling. 2.3 [appellanten] exploiteren een landbouwbedrijf dat zich onder andere bezighoudt met het fokken van varkens. 2.4 In een brief van 26 april 2019 heeft MW Techniek aan [appellanten] een prijsopgave gedaan betreffende ‘het aanbod met installatie van de Mestwater technologie BV (hierna MWt BV) volautomatische mest/waterafscheider MTS2102 type 9860’ tegen een totaalprijs van € 669.000 (exclusief btw). In de bijlage (Offerte, 9 mei 2019) staat, voor zover hier van belang, het volgende vermeld. C. Technische gegevens MTS2102 (…) Buiten/binnenwerk: RVSAnticorrosief (…) M. Voorwaarden Mestwater technologie BV (…) BETALING: Wij hanteren de volgende betalingsregeling. 100% bij levering.(…) De oplevering/inbedrijfstelling is uiterlijk 1 Oktober 2019. (…) 2.5 In een brief van 1 juli 2019 heeft MW Techniek de opdracht bevestigd. Deze opdrachtbevestiging is door [appellant] als opdrachtgever voor akkoord ondertekend. In de bijlage (Offerte, 01-07-2019) is met betrekking tot de oplevering het volgende bepaald. De oplevering/inbedrijfstelling is uiterlijk 1 Oktober 2019. Deze datum kan in onderling overleg worden aangepast. 2.6 In een e-mail van 13 augustus 2019 met als onderwerp ‘offerte 1 juli 2019’ heeft [naam2] van MW Techniek aan [appellanten] het volgende meegedeeld. (…) Hebben we de tekst zo goed? Opleverdatum heb ik bij achter gezet in onderling overleg, gezien de tijd die de kastbouwer nog nodig heeft. 2.7 [appellanten] hebben twee facturen van MW Techniek van 13 september 2019 en 11 november 2019 met een totaalbedrag van € 405.000,- (exclusief btw) betaald. 2.8 Vervolgens is tussen partijen een geschil ontstaan over de uitvoering van de overeenkomst. 2.9 Op 12 december 2019 heeft MW Techniek een factuur (‘derde aanbetaling’) met een bedrag van € 264.000,- exclusief btw aan [appellanten] verstuurd. [appellanten] hebben deze factuur niet betaald. Om uit de daaropvolgende impasse te geraken, hebben partijen met elkaar gesproken, waarna MW Techniek op 30 december 2019 wat betreft de (deel)leveringen en betalingen een stappenplan heeft voorgesteld. Omdat [appellanten] daaraan geen medewerking wensten te verlenen, heeft MW Techniek op 13 januari 2020 een eindfactuur van € 37.300,- (exclusief btw) opgesteld, waarna partijen op 15 januari 2020 nog een gesprek hebben gehad. [appellanten] hebben deze eindfactuur evenmin betaald. 2.10 In de beschikking van 21 januari 2020 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Overijssel aan MW Techniek verlof verleend tot het doen leggen van conservatoir beslag onder de Coöperatieve Rabobank U.A. ten laste van [appellanten] Op 22 januari 2020 is dit beslag gelegd, welk beslag op 27 januari 2020 aan [appellanten] is betekend. 2.11 In een e-mail van 3 februari 2020 heeft MW Techniek de overeenkomst voor de toekomst (partieel) ontbonden. MW Techniek heeft bij de rechtbank gevorderd dat voor recht zal worden verklaard dat de overeenkomst tussen partijen is ontbonden wegens een aan [appellanten] toe te rekenen tekortkoming en dat [appellanten] zullen worden veroordeeld tot betaling aan MW Techniek van € 301.300,- (exclusief btw), aan schadevergoeding wegens toerekenbare tekortkoming van [appellanten] (gelijk aan de openstaande facturen) en tot betaling van € 50.000,- aan schadevergoeding wegens onrechtmatige beslaglegging, vermeerderd met rente en kosten. 2.12 [appellanten] hebben zich op hun beurt op wanprestatie en verzuim van MW Techniek beroepen en hebben ten laste van MW Techniek conservatoir derdenbeslag laten leggen. [appellanten] hebben in reconventie bij de rechtbank gevorderd dat voor recht zal worden verklaard dat de op 3 februari 2020 door MW Techniek uitgebrachte buitengerechtelijke ontbindingsverklaring niet het daarmee beoogde rechtsgevolg heeft gehad, dat de overeenkomst tussen partijen van 1 juli 2019, dan wel 26 april 2019 zal worden ontbonden en dat MW Techniek zal worden veroordeeld tot terugbetaling aan [appellanten] van € 405.000,- en tot betaling van € 496.065,32, vermeerderd met rente en (beslag)kosten. 2.13 De rechtbank heeft de vorderingen van MW Techniek in conventie grotendeels (met uitzondering van de gevorderde schadevergoeding wegens onrechtmatige beslaglegging) toegewezen en de vorderingen van [appellanten] in reconventie afgewezen. 2.14 Tegen die uitspraak hebben [appellanten] bezwaar gemaakt. De bedoeling van het hoger beroep van [appellanten] is dat de vorderingen van MW Techniek alsnog worden afgewezen en dat de vorderingen van [appellanten] alsnog worden toegewezen. 2.15 MW Techniek heeft in incidenteel hoger beroep haar vordering gewijzigd, waarbij zij - onder instandhouding van het vonnis van de rechtbank voor het overige - tevens vordert [appellanten] te veroordelen tot afgifte van een haar in eigendom toebehorende heftruck, tot betaling van een gebruiksvergoeding voor de periode dat [appellanten] de heftruck in gebruik hebben gehouden en tot betaling van € 137.126,40 exclusief btw aan schadevergoeding als gevolg van onrechtmatig handelen door [appellanten] Het gevorderde bedrag in verband met onrechtmatige beslaglegging is verminderd tot € 25.000,-. 3Het oordeel van het hof De opzet en de conclusie van deze uitspraak 3.1 [appellanten] hebben in principaal hoger beroep zeven bezwaren (grieven) tegen het eindvonnis van de rechtbank Overijssel van 12 mei 2021 opgeworpen. Het hof zal deze hierna per onderwerp en met tussenkopjes bespreken. Vervolgens zal het hof de (bij wijze van incidenteel hoger beroep) gewijzigde vordering van MWT bespreken. 3.2 De conclusie zal zijn dat de bezwaren van [appellanten] gedeeltelijk doel treffen en dat MW Techniek ten onrechte de plc-kast als meerwerk in rekening heeft gebracht. Het hiermee gemoeide bedrag dient aldus in mindering te strekken op de factuur van € 264.000,- van 12 december 2019, waarmee een per saldo door [appellanten] aan MW Techniek te betalen bedrag resteert van € 197.400,- te vermeerderen met wettelijke rente. De gewijzigde vordering van MW Techniek zal, met uitzondering van een bedrag van € 3.227,-, worden afgewezen. Eiswijziging 3.3 MW Techniek heeft haar bij de rechtbank ingestelde eis bij memorie van antwoord gewijzigd, zoals in 2.15 weergegeven. [appellanten] hebben tegen deze eiswijziging als zodanig geen bezwaar gemaakt. Het hof ziet ook ambtshalve daartegen geen processuele bezwaren, zodat het hof zal beslissen op basis van die gewijzigde eis. Fatale termijn? 3.4 De eerste grief van [appellanten] richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat MW Techniek niet de verplichting had om de mestwaterunit op 1 oktober 2019 gebruiksklaar op te leveren. [appellanten] stellen in dat kader dat de rechtbank de afspraak tussen partijen ten aanzien van het opleveringsmoment verkeerd heeft uitgelegd. Uit de in 2.5 geciteerde passage in de offerte van 1 juli 2019 blijkt volgens [appellanten] dat partijen niet zijn overeengekomen dat de datum van oplevering in onderling overleg tussen partijen zou worden bepaald, maar dat de datum tussen partijen in onderling overleg zou kunnen worden aangepast. Daarover zouden partijen dan wel wilsovereenstemming moeten hebben bereikt, en dat is niet het geval. [appellanten] stellen dat de rechtbank heeft miskend dat de bewijslast van de stelling dat de opleveringsdatum ‘een glijdende opleveringsdatum’ was op MW Techniek rust. Dat [appellanten] ervoor hebben gekozen om na 1 oktober 2019 nog uitvoering te geven aan de overeenkomst tussen partijen omdat zij graag een mestwaterunit op hun bedrijf wilden, betekent niet dat zij daarmee het recht hebben verwerkt om een beroep te doen op het verstrijken van de fatale datum van 1 oktober 2019. De betaling op 11 november 2019 moet ook in dit licht worden uitgelegd. 3.5 Het hof stelt vast dat uit de e-mailcorrespondentie van eind december 2019 volgt dat [appellanten] een voorstel voor een nieuwe opleveringsdatum hebben gedaan. Zo wordt in de e-mail van MW Techniek van 23 december 2019 melding gemaakt van het feit dat [appellanten] 31 januari 2020 als ‘nieuwe acceptabele opleverdatum’ hebben genoemd en hebben [naam3] en [appellant] in reactie daarop per e-mail van 24 december 2019 geschreven dat hoewel MW Techniek een installatie heeft aangeboden met als opleverdatum 1 oktober 2019, zij een nieuwe opleveringsdatum op 1 februari 2020 hebben voorgesteld, omdat partijen toch tot een oplossing dienden te komen. Daarop is door MW Techniek op 30 december 2019 een gecorrigeerd voorstel gedaan betreffende de oplevering en de betalingen, waaruit blijkt dat oplevering op 1 februari 2020 en het ‘inregelen plc systeem, proefdraaien systeem’ in de maand februari 2020 stond gepland. Het hof leidt hieruit af dat de oorspronkelijke streefdatum van 1 oktober 2019 door partijen in onderling overleg is verschoven. Dat partijen blijkens de reactie van [appellant] op 2 januari 2020 ten aanzien van het gecorrigeerde voorstel van MW Techniek geen concrete nadere datum hebben bepaald, doet niet af aan het feit dat uit de handelingen en gedragingen van partijen moet worden afgeleid dat 1 oktober 2019 niet heeft te gelden als fatale leveringstermijn en dat MW Techniek vanaf dat moment dus niet (van rechtswege) in (schuldeisers)verzuim verkeerde. Zo blijkt uit het door de rechtbank genoemde WhatsApp bericht van [appellant] jr., als bevoegd spreekbuis en beoogd opvolger van (het landbouwbedrijf van) [appellanten] van 1 november 2019 dat hij heeft ingestemd met de levering van de stroomkast en ‘de omgekeerde osmose’ op 5 november 2019. Uit zijn WhatsApp bericht van 6 november 2019, waarin hij heeft bevestigd dat MW Techniek weer een aantal onderdelen zal leveren, blijkt dat hij er daarbij vanuit gaat dat nog niets definitief geplaatst wordt totdat hij er weer is. Daarbij komt dat [appellanten] is overgegaan tot betaling van de tweede factuur op 11 november 2019. Bovendien is gesteld noch gebleken dat na 1 oktober 2019 (alsnog) een fatale termijn is gesteld. Grief 1 faalt daarmee. Verschuldigdheid en opeisbaarheid van de factuur van 12 december 2019? 3.6 De tweede grief van [appellanten] richt zich onder meer tegen het oordeel van de rechtbank dat de factuur van MW Techniek van 12 december 2019 van € 264.000,- verschuldigd en opeisbaar was. Voor zover thans nog van belang stellen [appellanten] dat op hen niet de verplichting rustte om die factuur te betalen, omdat niet alle onderdelen van de mestwaterunit op deze datum aanwezig waren op het bedrijf van MW Techniek. [naam3] wilde dat inspecteren, maar dat werd geweigerd. MW Techniek gaf aan alle zaken bij [appellanten] af te leveren zodra [appellanten] de factuur volledig zouden betalen. MW Techniek, op wie de stelplicht en bewijslast rust, heeft haar stelling dat zij alle onderdelen in huis had, volgens [appellanten] , op geen enkele wijze van een onderbouwing voorzien. [appellanten] stellen dat uit de factuur van 13 januari 2020 blijkt dat is gecrediteerd wat op dat moment nog in voorraad stond bij MW Techniek: 2e centrifuge, korrelaar, nadroger korrels (1 deel), RvS onderdelen/aandrijving roerwerk. Daaruit blijkt volgens [appellanten] dat in ieder geval niet aanwezig waren het mesttransportsysteem (afvoersysteem droogtorens), volledige bekabeling, leidingwerk, PLC programma en transportsystemen tussen de verschillende machines. De factuur van 12 december 2019 is ook niet gespecificeerd en maakt niet duidelijk wat in rekening wordt gebracht. Ook uit de poging van [appellanten] om beslag te leggen bleek dat een gedeelte van het roerwerk van de droogtorens nog ontbrak, de aandrijving van de droogtorens, het mesttransportsysteem, het NIR apparaat, meetsensoren, bekabeling en PLC programma. [appellanten] betogen verder dat MW Techniek arbeidsuren moet hebben uitgespaard doordat zij vanaf 17 december 2019 effectief niets meer heeft gedaan ter zake de uitvoering van de overeenkomst met [appellanten] . Deze arbeidsuren heeft zij op andere wijze kunnen aanwenden, waardoor deze op het schadebedrag in mindering moeten worden gebracht. 3.7 Het hof stelt vast dat [appellanten] in de memorie van grieven hebben erkend dat de vaststelling door de rechtbank dat zij zouden betalen zodra onderdelen van de mestwaterunit geleverd werden en dat zij gevraagd hebben om onderdelen van de mestwaterunit tijdelijk bij MW Techniek te stallen en niet (steeds) direct naar hun terrein te brengen, juist is. Daaruit volgt dat indien MW Techniek aannemelijk heeft gemaakt dat alle onderdelen bij haar waren afgeleverd (en dus aan [appellanten] geleverd) op [appellanten] de verplichting rustte om de factuur van 12 december 2019 te betalen. MW Techniek heeft de stelling van [appellanten] dat niet alle onderdelen bij haar aanwezig waren gemotiveerd betwist. Zo stelt zij dat alle onderdelen waren geleverd en bij MW Techniek stonden en dat zij, in het kader van de discussie die tussen partijen is ontstaan, meerdere keren heeft aangeboden, zulks in afwijking van de afspraak dat de onderdelen bij MW Techniek zouden blijven, om die onderdelen alsnog af te leveren bij [appellanten] . Het hof stelt vast dat uit het stappenplan van 30 december 2019 blijkt dat MW Techniek daadwerkelijk de bereidheid heeft geuit om de laatste onderdelen van de installatie al eerder dan op het moment van installeren bij [appellanten] te brengen, maar dat dit door [appellant] bij e-mail van 2 januari 2020 van de hand is gewezen. Verder heeft MW Techniek - onvoldoende gemotiveerd weersproken - gesteld dat uit de factuur van 13 januari 2020 (productie 5 memorie van antwoord) en uit pakbonnen van o.a. 25 juli 2019 (productie 6 memorie van antwoord) en foto’s (productie 7 memorie van antwoord) valt af te leiden dat alle onderdelen er waren. Op de aan [appellanten] door het hof tijdens de mondelinge behandeling gestelde vraag welke onderdelen volgens hen ontbraken, hebben zij geantwoord dat niet precies te weten, maar er wel zeker van te zijn dat het mesttransportsysteem ontbrak. Zij verwijzen daarvoor naar de offerte van 11 december 2019 van VisserBolsward, waaruit blijkt dat dit systeem nog moest worden besteld. MW Techniek heeft daarop gesteld dat zij wel degelijk de beschikking had over haar eigen ontwikkelde transportsysteem dat werkte met een schroef, maar dat [appellanten] daarmee geen genoegen namen. Zij wilden een systeem met een band, reden waarom MW Techniek genoemde offerte heeft opgevraagd. Omdat [appellanten] deze offerte niet wilden goedkeuren en niet bereid waren hiervoor de geoffreerde meerprijs te voldoen, kon MW Techniek hiermee niet verder. 3.8 Het hof overweegt dat het enkele feit dat een (alternatieve) mesttransportband is geoffreerd, zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet wil zeggen dat het oorspronkelijk overeengekomen transportsysteem er niet was. In het licht van de gemotiveerde betwisting hebben [appellanten] voor het overige onvoldoende feitelijk onderbouwd dat er onderdelen van de installatie niet aanwezig waren bij MW Techniek. Gelet op de hiervoor gememoreerde afspraak tussen partijen dat [appellanten] onderdelen van de installatie zouden betalen zodra deze bij MW Techniek waren afgeleverd, komt het hof net als de rechtbank tot het oordeel dat dit geen valide reden was voor het niet betalen van de factuur van 12 december 2019. Ten slotte hebben [appellanten] hun stelling dat MW Techniek arbeidsuren moet hebben uitgespaard doordat zij vanaf 17 december 2019 effectief niets meer heeft gedaan ter zake de uitvoering van de overeenkomst met [appellanten] , in het licht van de gemotiveerde betwisting daarvan, onvoldoende feitelijk onderbouwd. Overige tekortkoming MW Techniek? 3.9 Met grief 3 richten [appellanten] zich tegen het oordeel dat de non-conformiteit van de mestwaterunit niet is komen vast te staan. [appellanten] hebben MW Techniek, afgezien van overschrijding van de levertijd, ter zake drie verwijten gemaakt:(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.