GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem, afdeling civiel zaaknummer gerechtshof 200.294.632 zaaknummer rechtbank Overijssel, zittingsplaats Enschede, 8691265 arrest van 20 december 2022 in de zaak van Van Kleef Vervoer B.V. die is gevestigd in Hengelo (Ov) die hoger beroep heeft ingesteld en bij de kantonrechter optrad als gedaagde hierna: Van Kleef advocaat: mr. J.C. Stam tegen [geïntimeerde] die woont in [woonplaats1] en bij de kantonrechter optrad als eiseres hierna: [geïntimeerde] advocaat: mr. K. Tunç. 1Het verloop van de procedure in hoger beroep 1.
(121)aan te houden, hoewel ook het aantal loonuren op de loonspecificaties 2016 waarop dit aantal is gebaseerd volgens [geïntimeerde] onvolledig is en onrealistisch geschat door Van Kleef. De bezwaren (grieven) van Van Kleef 3.13 Tegen de hiervoor vermelde achtergrond van de zaak en op grond van de behandelde uitgangspunten in hoger beroep oordeelt het hof over de bezwaren van Van Kleef tegen het vonnis als volgt. 3.14 Van Kleef vindt dat de kantonrechter buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden door zelf op basis van de gewerkte uren vermeld op de loonspecificaties 2016 (overgelegd als productie 7 bij conclusie van antwoord) de omvang van de arbeid vast te stellen. Het hof leest de memorie van grieven zo dat Van Kleef daardoor is verrast en, had zij dat geweten, nog was ingegaan op het aspect van de op de loonspecificaties vermelde loonuren en op het aandienen van de werkzaamheden in pieken en dalen zoals de kantonrechter heeft aangenomen. Het hof heeft niet de beschikking gekregen over het proces-verbaal of de aantekeningen van de zitting bij de kantonrechter en kan daarom niet nagaan of dit wellicht op zitting bij de kantonrechter is besproken. Maar omdat het hoger beroep een herstelfunctie heeft en Van Kleef hierover in hoger beroep daadwerkelijk standpunten inneemt en [geïntimeerde] daarop verweer voert en, voor zover vereist, de grondslagen van haar vordering aanvult, waardoor over die standpunten alsnog het partijdebat is gevoerd, gaat het hof voorbij aan dit bezwaar van Van Kleef. Arbeidsomvang 3.15 Hiervoor is al overwogen dat de kantonrechter zich voor wat betreft de arbeidsomvang heeft gebaseerd op het rechtsvermoeden van artikel 7:610b BW. De kantonrechter heeft geoordeeld dat op basis van de door Van Kleef geproduceerde urenstaten vaststaat dat [geïntimeerde] gedurende haar dienstverband meer uren maakte dan door de kantonrechter in de uitspraak van 4 december 2017 vooralsnog is aangenomen. In dat kort geding is uitgegaan van (afgerond) 96 uur per maand. Verder heeft de kantonrechter overwogen dat uitgaande van de op de loonspecificaties over 2016 vermelde gewerkte uren per maand en een naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid redelijk te achten referteperiode van het hele jaar 2016 [geïntimeerde] op maandbasis gemiddeld afgerond 121 uur per maand heeft gewerkt. - op loonspecificaties 2016 vermelde uren 3.16 Volgens Van Kleef zijn de op de salarisspecificaties 2016 vermelden loonuren niet de daadwerkelijk gewerkte uren. Het aantal uren dat op een maandelijkse salarisspecificatie wordt vermeld betreft volgens Van Kleef een optelsom van gewerkte uren en wachturen, die verschillend worden beloond. Dit was verkeerd en daarom is dit vanaf 2019 aangepast op de salarisspecificaties, aldus Van Kleef. Naar het oordeel van het hof moet deze onduidelijkheid voor rekening van Van Kleef blijven. Het hof verwijst daarvoor naar wat hiervoor is overwogen over de eigen verantwoordelijkheid van Van Kleef voor het inrichten van haar administratie en het specificeren op loonstroken bij de uitgangspunten in hoger beroep (zie 3.11). Dat in de gewerkte uren op de loonspecificaties 2016 ook wachturen zijn verwerkt, blijkt ten eerste niet uit die loonspecificaties. Het blijkt ook niet uit de urenstaten die Van Kleef heeft overgelegd bij de logistiekbonnen (productie 7 conclusie van antwoord). Op die urenstaten heeft Van Kleef de ritten vertaald naar forfaitaire uren (1,5 uur voor een korte overbrenging en 2,5 uur voor een verre overbrenging, (zie 3.9)) waarbij niet meer is na te gaan of die vertaling realistisch is. Verder heeft Van Kleef daarop een bedrag aan wachtgeld vermeld. Of er een verband is tussen dat wachtgeld en die uren dan wel op welk aantal uren naast de op de urenlijst vermelde uren dat wachtgeld is gebaseerd, blijkt er niet uit. Verder heeft [geïntimeerde] die urenlijsten gemotiveerd betwist omdat die urenlijsten niet volledig zijn. Zoals hiervoor is overwogen in 3.12 heeft [geïntimeerde] geen hoger beroep ingesteld. Omdat de betwisting van de volledigheid van de urenstaten niet kan leiden tot een door het hof aan te nemen hoger aantal uren dan de kantonrechter heeft gedaan (121 uur per maand), zal het hof de betwisting door [geïntimeerde] niet beoordelen. - gehanteerde referteperiode 3.17 In de regel zal bij toepassing van het rechtsvermoeden van artikel 7:610b BW kunnen worden uitgegaan van een referteperiode van drie maanden. Onder omstandigheden kan worden afgeweken van die referteperiode, bijvoorbeeld wanneer de arbeid zich aandient met pieken en dalen. 3.18 Van Kleef heeft bezwaar tegen de door de kantonrechter gehanteerde referteperiode van het hele jaar 2016, omdat volgens Van Kleef het werk zich niet aandient met pieken en dalen, zoals in het vonnis wordt overwogen. Dat is ook geen feit van algemene bekendheid aldus nog steeds Van Kleef. Naar het oordeel van het hof kan het bezwaar van Van Kleef in het midden blijven om de volgende redenen. Jarenlang heeft Van Kleef [geïntimeerde] niet beloond voor haar werkzaamheden conform de cao en nu moet achteraf worden vastgesteld wat aan [geïntimeerde] op grond van de cao had moeten worden betaald. Daarvoor is van belang hoeveel uren zij daadwerkelijk heeft gewerkt in de periode 2016-februari
- Door de inrichting van haar administratie en de wijze van (specificeren van de) beloning door Van Kleef is er echter grote onduidelijkheid over de arbeidsomvang van [geïntimeerde] en zijn er niet voldoende betrouwbare gegevens voorhanden waarop de arbeidsomvang kan worden gebaseerd. Daardoor is ook niet na te gaan of het reëel is om uit te gaan van het door Van Kleef gestelde gemiddelde van 84 uur per maand (uitgaande van de eerste drie maanden van 2016 als referteperiode) of het gemiddelde van 96 uur per maand (uitgaande van 12 maanden in 2016 als referteperiode). Dit moet voor rekening blijven van Van Kleef omdat dit het gevolg is van haar eigen handelen. Uit de door Van Kleef overgelegde loonspecificaties 2016 (productie 7 bij conclusie van antwoord) heeft de kantonrechter in ieder geval afgeleid dat het om meer uren gaat dan waarvan de voorzieningenrechter in december 2017 is uitgegaan en ook overigens is in het vonnis inzichtelijk overwogen hoe de kantonrechter tot het aantal van 121 uren is gekomen. De toepasselijke salarisschaal is 3B 3.19 Volgens Van Kleef is [geïntimeerde] ingedeeld in salarisschaal 3A van de cao (beschikbaarheidsvergoeding naast loon) en is in het vonnis dus ten onrechte uitgegaan van salarisschaal 3B (geen beschikbaarheidsvergoeding naast loon). Ook deze grief slaagt niet. Niet moet uit het oog worden verloren dat [geïntimeerde] is betaald per rit. Volgens [geïntimeerde] is er tot 2016 helemaal geen wachtgeld betaald. Van Kleef heeft de betalingen per rit niet op inzichtelijke wijze vertaald naar uren. De op de urenstaten 2016 (productie 7 bij conclusie van antwoord) vermelde verschillende bedragen ter zake van wachtgeld zijn niet herleidbaar naar wachturen. Op de loonspecificaties tot 2019 is ook geen onderscheid gemaakt tussen gewerkte uren en wachturen. Verder is niet gebleken dat het op de urenstaten 2016 vermelde ‘wachtgeld’ is gebaseerd op de cao dan wel op andere wijze is overeengekomen tussen partijen. Gelet op het ontbreken van concrete aanwijzingen dat feitelijk iets anders is betaald dan een (netto) vergoeding per rit, kan de mededeling in het e-mailbericht van 24 december 2020 van boekhouder [naam1] aan Van Kleef dat alle werknemers binnen Van Kleef zijn ingedeeld in salarisschaal 3A daarover ook niets bijdragen. Deze wijze van labelen door Van Kleef van de aan [geïntimeerde] betaalde vergoeding in haar eigen administratie moet voor haar eigen rekening blijven en heeft niet tot gevolg dat moet worden uitgegaan van een indeling in salarisschaal 3A. De aan de salarisschaaltreden gekoppelde maandlonen 3.20 In het vonnis is in overweging 4.
- ingegaan op de aanspraak op een maandloon bij een 40-urige werkweek die [geïntimeerde] heeft op basis van de cao. Voor het jaar 2016 is uitgegaan van trede 5 en vervolgens voor de jaren 2017 tot en met 2020 steeds een trede hoger. Terecht maakt Van Kleef bezwaar tegen de door de kantonrechter aan de salarisschaaltreden gekoppelde maandlonen. Ten onrechte is in het vonnis uitgegaan van een stijging van het maandloon steeds per januari van een betreffend jaar. Uit Bijlage II bij (de verschillende versies van) de cao volgt echter dat het salaris in een trede niet steeds stijgt per januari van een betreffend jaar. [geïntimeerde] heeft op dit punt geen (voldoende kenbaar) verweer gevoerd. Het hof zal dit in hoger beroep rechtzetten en komt hier op terug in 3.27 en volgende. Het loon over de maand september 2017 3.21 In hoger beroep heeft Van Kleef een salarisspecificatie betreffende de maand september 2017 overgelegd, waarop een bruto salaris van € 665,55 wordt vermeld en een netto uit te betalen bedrag van € 698,
- Uit een overzicht van banktransacties (productie 10 bij conclusie van antwoord) volgt dat dit netto bedrag toen ook is betaald. Daaruit volgt dat ten onrechte in 4.
- van het vonnis is uitgegaan van een bedrag van € 9.188,32 bruto als bedrag dat [geïntimeerde] in 2017 heeft ontvangen aan loon op basis van de loonspecificaties. Het bezwaar van Van Kleef slaagt in zoverre. Voor het jaar 2017 moet op dit punt worden uitgegaan van een bedrag van (€ 9.188,32 + € 665,55 =) € 9.853,87 bruto. Dit betekent dat ook het totaalbedrag van de in 4.
- van het vonnis genoemde bedragen wijzigt van € 56.115,66 bruto in € 56.781,21 bruto als zijnde het bedrag dat [geïntimeerde] in 2017 heeft ontvangen aan loon op basis van de loonspecificaties. Het hof komt hier nog op terug in 3.27 en volgende. [geïntimeerde] heeft ook aanspraak op loon over de periode september 2019 tot en met februari 2020 3.22 Van Kleef stelt dat [geïntimeerde] geen werkzaamheden meer voor haar heeft verricht vanaf april
- Om haar moverende redenen verbindt Van Kleef hieraan alleen voor de periode vanaf september 2019 de stelling dat zij op grond van artikel 7:628 BW geen loon is verschuldigd aan [geïntimeerde] omdat [geïntimeerde] toen niet bereid is gebleken de bedongen arbeid te verrichten. [geïntimeerde] heeft gemotiveerd betwist dat zij daartoe niet bereid is geweest. 3.23 Vaststaat dat [geïntimeerde] zich op 15 januari 2018 heeft ziekgemeld en dat zij op 27 augustus 2019 hersteld is gemeld. Dat [geïntimeerde] vanaf de hersteldmelding niet bereid is gebleken de bedongen arbeid te verrichten heeft Van Kleef onvoldoende onderbouwd. Tussen partijen is niet in geding dat [geïntimeerde] na haar hersteldmelding enige weken in het kader van re-integratie werkzaamheden heeft verricht bij Dijk Natural Collection (tweede spoor). Uit door Van Kleef in eerste aanleg overgelegde e-mailberichten volgt verder dat na een oproep van Van Kleef op 7 november 2019 partijen in een bespreking op 11 november 2019 afspraken hebben gemaakt inhoudende dat, rekening houdend met de belastbaarheid van [geïntimeerde] , zij een aantal uren werkzaamheden zal verrichten bij Van Kleef en daarna binnen Dijk Natural Collection werkzaamheden zal gaan verrichten. Begin december 2019 heeft [geïntimeerde] van Van Kleef een rooster voor die maand ontvangen. Als productie 10 bij memorie van antwoord heeft [geïntimeerde] de daaropvolgende e-mailwisseling tussen haar en Van Kleef overgelegd. Hoewel Van Kleef daartoe in de gelegenheid is geweest, is zij niet ingegaan op deze e-mailwisseling. Uit die e-mailwisseling blijkt dat het Van Kleef is geweest die [geïntimeerde] niet meer heeft opgeroepen onder meer omdat, zoals het hof het begrijpt, Van Kleef vanwege de reisafstand tussen het woonadres van [geïntimeerde] en het adres van Van Kleef de aankomstgarantie niet kan waarborgen aan haar klanten. Deze omstandigheid valt naar het oordeel van het hof in het risicodomein van Van Kleef. Het hof oordeelt op grond van deze gang van zaken dat de oorzaak voor het niet verrichten van de arbeid voor rekening van Van Kleef behoort te blijven. 3.24 Dat in het kort geding vonnis van 4 december 2017 is beslist dat het in dat vonnis genoemde salaris alleen hoeft te worden betaald als [geïntimeerde] de werkzaamheden verricht, kan niet leiden tot een ander oordeel van het hof op dit punt. Die beslissing betrof immers een tijdelijke beslissing - eigenlijk de vastlegging van tussen partijen gemaakte afspraken - en is achterhaald door de beslissing in het in hoger beroep bestreden vonnis. [geïntimeerde] heeft recht op vakantietoeslag over achterstallig loon 3.25 In artikel 4.9 van (de verschillende versies van) de cao is bepaald dat een werknemer jaarlijks recht heeft op vakantietoeslag van 8% over het door hem in de achterliggende 12 maanden bij de werkgever genoten jaarsalaris. In het vonnis is dus terecht overwogen dat over het nog aan [geïntimeerde] te betalen loon 8% vakantietoeslag moet worden berekend. Het bezwaar van Van Kleef hiertegen faalt. Een wettelijke verhoging van 10% is redelijk 3.26 Het loon is te laat betaald door Van Kleef en daarom maakt [geïntimeerde] terecht aanspraak op de in artikel 7:625 BW genoemde wettelijke verhoging. Van Kleef kan worden verweten dat zij jarenlang aan [geïntimeerde] niet het ingevolge de toepasselijke cao verschuldigde loon heeft betaald en de wel betaalde vergoeding niet duidelijk heeft gespecificeerd. Anderzijds heeft [geïntimeerde] lange tijd (zo’n 2,5 jaar) gewacht met het instellen van een bodemprocedure na de beslissing in kort geding. In deze omstandigheden van het geval acht het hof het door de kantonrechter gehanteerde percentage van 10% redelijk. Het bezwaar van Van Kleef tegen vermeerdering van de veroordeling met de wettelijke verhoging faalt dan ook. Omdat het nog te betalen loon in hoger beroep een ander bedrag wordt (zie 3.27 en volgende), wordt het bedrag van de wettelijke verhoging ook een ander bedrag. Het hof verwijst hiervoor naar de beslissing. Tussenconclusie: het te betalen achterstallige loon wordt een ander bedrag in hoger beroep 3.27 Wat hiervoor is overwogen leidt onder de streep tot een andere uitkomst van de door de kantonrechter in 4.
- tot en met 4.10 gemaakte rekensom. Het hof zal met inachtneming van het loon over de maand september 2017 en de juiste ingangsdata van de salarisverhogingen in de treden hierna die rekensom opnieuw maken op dezelfde manier als de kantonrechter dat heeft gedaan. Daarbij merkt het hof op dat geen bezwaar is gemaakt tegen overweging 4.
- van het vonnis waarin onder meer is overwogen: “Om aanspraak te kunnen maken op het volledige cao-basisloon moet de werknemer 174 uur per maand werken.” 3.28 Op basis van de loonspecificaties heeft [geïntimeerde] de navolgende bedragen aan loon ontvangen: 2016: € 15.655,04 bruto 2017: € 9.853,87 bruto (= € 9.188,32 + € 665,55) 2018: € 14.264,40 bruto 2019: € 14.578,20 bruto 2020: € 2.429,70 bruto ------------------------------- Totaal € 56.781,21 bruto. 3.29 Op basis van de toepasselijke cao heeft [geïntimeerde] aanspraak op een maandloon bij een 40-urige werkweek in het jaar: 2016: € 2.163,- bruto tot 1 april en € 2.195,- per 1 april (trede 5) 2017: € 2.322,- bruto per 1 januari (trede 6) 2018: € 2.416,- bruto tot 1 mei en € 2.469,- per 1 mei (trede 7) 2019: € 2.621,- bruto per 1 januari (trede 8) 2020: € 2.719,- bruto tot 1 februari en € 2.801,- per 1 februari (trede 9). 3.30 In concreto betekent dit dat [geïntimeerde] op basis van de cao bij een 40-urige werkweek aanspraak zou hebben gehad op: 2016: € 26.244,00 bruto (= (3 x € 2.163) + (9 x 2.195,-)) 2017: € 27.864,00 bruto (12 x € 2.322,-) 2018: € 29.416,00 bruto (= (4 x 2.416) + (8 x € 2.469,-) 2019: € 22.016,40 bruto (= 12 x € 2.621 = € 31.452,00 x 70%) 2020: € 5.520,00 bruto (= 2.719,- + 2.801,-) ----------------------------------------- Totaal: € 111.060,40 bruto. 3.31 Op basis van 121 uur per maand heeft [geïntimeerde] een loonaanspraak over de periode 1 januari 2016 tot en met 29 februari 2020 van een bedrag van 121/174 x € 111.060,40 = € 77.231,66 bruto. [geïntimeerde] heeft ontvangen € 56.781,21 bruto, zodat resteert door Van Kleef te voldoen een bedrag van € 20.450,45 bruto, te vermeerderen met 8% vakantietoeslag = € 22.086,49 bruto. Het hof zal Van Kleef veroordelen tot betaling van dit bedrag aan [geïntimeerde] . Aan de bewijsaanbiedingen van partijen komt het hof niet toe 3.32 [geïntimeerde] heeft in beginsel de bewijslast van de door haar gestelde omvang van haar arbeid en wordt daarbij geholpen door het rechtsvermoeden van artikel 7:610b BW. Het hof gaat ervan uit dat zij zich heeft neergelegd bij het aantal uren dat de kantonrechter heeft becijferd
(121)omdat [geïntimeerde] niet in hoger beroep is gekomen van het vonnis (zie 3.12). Van Kleef mag in beginsel tegenbewijs leveren (dat wil zeggen het rechtsvermoeden van artikel 7:610b BW ontzenuwen) maar daar komt het hof niet aan toe. Over de redenen daarvoor verwijst het hof naar de uitgangspunten van het hoger beroep, meer in het bijzonder overweging 3.
- Van Kleef heeft verder slechts een algemeen bewijsaanbod gedaan zonder dat duidelijk is van welke feiten of omstandigheden zij (tegen)bewijs wil leveren. Gelet daarop gaat het hof aan het bewijsaanbod voorbij omdat niet gebleken is dat het terzake dienend is. Uit de toelichting die Van Kleef heeft gegeven over hetgeen de getuigen kunnen verklaren volgt evenmin voldoende van welke feiten en omstandigheden Van Kleef bewijs wil leveren en het hof is ook niet gebleken dat wanneer dit bewijs wordt geleverd, het hof anders zou oordelen. Van Kleef heeft in haar laatste akte nog gereageerd op de producties 11 en 12 van [geïntimeerde] maar daar gaat het hof verder niet op in omdat de beslissingen van het hof niet berusten op die producties. De conclusie 3.33 Het hoger beroep slaagt grotendeels niet. Daarom zal het hof Van Kleef tot betaling van de proceskosten in hoger beroep veroordelen. Het hof kan niet uitsluiten dat [geïntimeerde] op grond van dit arrest nog een bedrag moet terugbetalen aan Van Kleef en om die reden zal in de beslissing worden bepaald dat voor dat geval [geïntimeerde] veroordeeld wordt tot terugbetaling, te vermeerderen met wettelijke rente zoals gevorderd door Van Kleef. 3.34 De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad). 4De beslissing Het hof: 4.
- bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Enschede van 9 februari 2021, behalve de beslissing vermeld in 5.
- van het vonnis die hierbij wordt vernietigd en beslist in plaats daarvan als volgt: veroordeelt Van Kleef om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [geïntimeerde] te betalen een bedrag van: € 22.086,49 bruto, ter zake van achterstallig salaris, € 2.208,65 bruto, ter zake van wettelijke verhoging; 4.
- veroordeelt [geïntimeerde] tot terugbetaling aan Van Kleef van alles wat Van Kleef op grond van het vonnis van 9 februari 2021 teveel aan [geïntimeerde] heeft betaald, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van de betaling door Van Kleef tot aan de dag van terugbetaling; 4.
- veroordeelt Van Kleef tot betaling van de volgende proceskosten van [geïntimeerde] : € 772,- aan griffierecht € 3.605,- aan salaris van de advocaat van [geïntimeerde] (2,5 procespunten x appeltarief III); 4.
- verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad; 4.
- wijst af wat verder is gevorderd. Dit arrest is gewezen door mrs. S.C.P. Giesen, C. Hoogland en R.J.A. Dil , en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 20 december 2022.