GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden, afdeling civiel zaaknummer gerechtshof 200.300.723/01 (zaaknummer rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, 174084) arrest van 20 december 2022 in de zaak van [appellant] , wonende te [woonplaats1] appellant, bij de rechtbank: gedaagde, hierna: [appellant], advocaat: mr. M.J.W. Hoek, die kantoor houdt te Alphen aan den Rijn, tegen [geïntimeerde] , wonende te [woonplaats2] , geïntimeerde, bij de rechtbank: eiser, hierna: [geïntimeerde], advocaat: mr. J.M.E. Hamming, die kantoor houdt te Drachten. 1Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep Naar aanleiding van het arrest van 10 mei 2022 heeft op 27 oktober 2022 een mondelinge behandeling bij het hof plaatsgevonden. Daarvan is een verslag gemaakt dat aan het dossier is toegevoegd (het proces-verbaal). Hierna hebben partijen het hof gevraagd opnieuw arrest te wijzen. 2De kern van de zaak 2.1 [geïntimeerde] heeft begin 2017 van [appellant] 400 schapen gekocht en geleverd gekregen tegen betaling van een koopsom van € 103.562,-. [geïntimeerde] was voornemens om deze schapen te melken. De schapen waren afkomstig van een bedrijf uit Frankrijk - waar [geïntimeerde] en [appellant] voorafgaand aan het sluiten van de koopovereenkomst samen een bezoek hebben gebracht - en zijn door [appellant] rechtstreeks vanuit Frankrijk afgeleverd bij [geïntimeerde] en wel begin februari 2017. 2.2 In een brief van 12 maart 2018 heeft [geïntimeerde] [appellant] aansprakelijk gesteld voor schade als gevolg van een aangetroffen CL-besmetting (Caseous Lymfadenitis) binnen de koppel bij hem afgeleverde schapen. 2.3 [geïntimeerde] heeft [appellant] in kort geding gedagvaard en gevorderd dat [appellant] wordt veroordeeld tot het verschaffen van ontbrekende informatie en tot medewerking aan sectie op een of meer van de door [appellant] geleverde schapen. Deze vorderingen zijn in het vonnis van 25 juli 2018 door de voorzieningenrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, afgewezen. 2.4 In juli 2018 heeft [geïntimeerde] een verzoekschrift tot het houden van een voorlopig deskundigenbericht ingediend bij diezelfde rechtbank. Dit verzoek is toegewezen en op 5 augustus 2019 heeft deskundige [de deskundige1] , na twee conceptrapportages, zijn definitieve rapport uitgebracht. 2.5 Op 21 juli 2020 heeft [geïntimeerde] [appellant] gedagvaard en gevorderd verklaringen voor recht, een voorschot op de schadevergoeding ter hoogte van € 3.740,- ter zake van geëuthanaseerde schapen en € 8.995,26 ter zake van gemaakte onderzoeks- en dierenartskosten, betaling van de kosten van het voorlopig deskundigenbericht, een verwijzing naar de schadestaatprocedure ter vaststelling van verdere schade en een proceskostenveroordeling van [appellant] . 2.6 De rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, heeft de vorderingen van [geïntimeerde] in het vonnis van 28 april 2021 grotendeels toegewezen. 2.7 De bedoeling van het hoger beroep van [appellant] is dat de aan [geïntimeerde] toegewezen vorderingen alsnog worden afgewezen. 3Het oordeel van het hof Inleiding en beslissing van het hof 3.1 [appellant] heeft een vijftal bezwaren (grieven) tegen het vonnis van de rechtbank aangevoerd. Het hof zal deze grieven hierna thematisch behandelen. Het hof zal beslissen dat de vordering van [geïntimeerde] niet is verjaard en dat ter zake van de vraag naar het bestaan van de CL-besmetting ten tijde van de aflevering aan [geïntimeerde] behoefte bestaat aan een aanvullende toelichting van de deskundige. In afwachting daarvan zal iedere verdere beslissing worden aangehouden. Verjaring 3.2 Met grief 1 voert [appellant] aan dat de rechtbank ten onrechte heeft geconcludeerd dat de vorderingen van [geïntimeerde] niet zijn verjaard. Deze grief faalt vanwege het navolgende. 3.3 Tussen partijen staat vast dat bij [geïntimeerde] in augustus 2017 een verdenking van CL is gerezen en dat [geïntimeerde] die verdenking na een bloedtest bevestigd heeft gekregen op 7 september 2017. Evenmin is in geschil dat [geïntimeerde] daarvan direct melding heeft gemaakt bij [appellant] . Daarmee heeft, gelet op het bepaalde in artikel 7:23 lid 2 BW, de verjaringstermijn van twee jaren een aanvang genomen. 3.4 [geïntimeerde] heeft op 21 juli 2020 een dagvaarding uitgebracht. De vraag is of hij zijn vordering tussentijds heeft gestuit. De vordering van [geïntimeerde] ziet op de vergoeding van schade en valt onder de stuitingsregeling van artikel 3:317 lid 1 BW. In dit artikel is bepaald dat de verjaring wordt gestuit door een schriftelijke aanmaning of door een schriftelijke mededeling waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt. Bij de beantwoording van de vraag of een schriftelijke mededeling als een mededeling in de zin van voormeld lid 1 kan worden opgevat, moet niet alleen worden gelet op de tekst van de mededeling maar ook op de context waarin de mededeling is gedaan, en eveneens op de overige omstandigheden van het geval. Het komt er uiteindelijk op aan of de mededeling - in zijn context bezien - een voldoende duidelijke waarschuwing aan de schuldenaar inhoudt dat hij rekening moet houden met de mogelijkheid dat de vordering nog geldend zal worden gemaakt. Bij deze beoordeling kan mede betekenis toekomen aan de verdere correspondentie tussen partijen en omstandigheden die hebben plaatsgevonden nadat een rechtshandeling is verricht. 3.5 Het hof is van oordeel dat [geïntimeerde] zijn vordering tijdig heeft gestuit. In zijn brief van 12 maart 2018 heeft [geïntimeerde] [appellant] aansprakelijk gesteld voor de schade die hij lijdt en zal lijden als gevolg van CL-besmetting bij de schapen. De vordering is door deze brief gestuit. Vervolgens heeft [geïntimeerde] [appellant] op 15 juni 2018 gedagvaard in kort geding. Deze procedure strekte tot het verschaffen van ontbrekende informatie en een veroordeling van [appellant] tot medewerking aan sectie op een of meer van de door [appellant] geleverde schapen. In randnummer 11 van de pleitnota van [geïntimeerde] in deze procedure is ter toelichting van zijn belang bij deze vorderingen gewezen op de schade die [geïntimeerde] lijdt en die hij vergoed wil hebben. Daarnaast heeft [geïntimeerde] op 13 juni 2018 nog een verzoekschrift tot het houden van een voorlopig deskundigenbericht ingediend, waarin onder randnummer 9 de aansprakelijkstelling van 12 maart 2018 is herhaald. Vervolgens heeft de advocaat van [appellant] in een e-mailbericht aan de advocaat van [geïntimeerde] van 7 oktober 2019 bevestigd dat hij begrepen heeft dat [geïntimeerde] tot dagvaarding zal overgaan en heeft de advocaat van [geïntimeerde] naar aanleiding van de vraag van de advocaat van [appellant] of er nog iets staat te gebeuren per e-mailbericht van 13 december 2019 geantwoord ‘toevallig vandaag de stukken gekregen waar ik al maanden op wacht. Dus ja!’. Daargelaten dat uit de hiervoor aangehaalde passages uit de pleitnota en het verzoekschrift een voldoende duidelijke waarschuwing valt af te leiden dat [appellant] rekening moest houden met de mogelijkheid dat de vordering tot schadevergoeding nog geldend gemaakt zou worden door [geïntimeerde] , merkt het hof in het licht van deze voorgeschiedenis en het e-mailbericht van 7 oktober 2019 in ieder geval het e-mailbericht van 13 december 2019 aan als stuitingshandeling in de zin van artikel 3:317 lid 1 BW. In de processtukken en e-mailcorrespondentie is de advocaat van [appellant] als vertegenwoordiger van [appellant] opgetreden. [appellant] heeft niet bestreden dat de bewuste mededelingen door hem zijn ontvangen. 3.6 Nu [geïntimeerde] zijn vordering tot schadevergoeding binnen een termijn van twee jaar na 7 september 2017 rechtsgeldig heeft gestuit, is van verjaring van die vordering geen sprake. CL-besmetting bij schapen [geïntimeerde] 3.7 De rechtbank is er in navolging van deskundige [de deskundige1] vanuit gegaan dat sprake was van een CL-besmetting in de koppel van [geïntimeerde] . In de memorie van grieven geeft [appellant] in zijn toelichting op grief 2 weer dat hij daar nog steeds aan twijfelt. Ter zitting in hoger beroep heeft [appellant] desgevraagd aangegeven dat die twijfel op basis van de (partij)deskundigenrapportages die thans beschikbaar zijn (het rapport van [de deskundige1] van 5 augustus 2019, het rapport van [naam1] van 7 december 2021 en het rapport van [naam2] van 1 maart 2022) niet houdbaar is. Het hof neemt daarom net als de rechtbank tot uitgangspunt dat sprake was van een CL-besmetting bij een aantal van de door [appellant] aan [geïntimeerde] geleverde schapen. Aanwezigheid CL-besmetting ten tijde van levering 3.8 Dat de CL-besmetting reeds aanwezig was ten tijde van de aflevering van de schapen aan [geïntimeerde] , een stelling waarvan de stelplicht en de bewijslast op [geïntimeerde] rusten, staat voor het hof echter nog niet vast. Daardoor staat evenmin vast of bij aflevering sprake was van non-conformiteit als bedoeld in art. 7:17 BW (in samenhang gelezen met art. 3:2a lid 2 BW). 3.9 De deskundige [de deskundige1] heeft in zijn rapport geconcludeerd dat antedatering van de infectie tot vóór de aanvoer bij [geïntimeerde] op basis van de gecombineerde onderzoeken niet overtuigend is, maar dat in dit geval aanvullende gegevens over de ziekte en het beloop van de aandoening in de koppel beschikbaar zijn die informatie geven over de kans op besmetting na aanvoer. Op basis van die gegevens acht de deskundige, zelfs als diverse door [appellant] betwiste omstandigheden gunstig zouden zijn voor introductie van de infectie, de kans op introductie na aanvoer vrij gering en in ieder geval veel kleiner dan de kans dat de CL-infectie (onzichtbaar) in de koppel aanwezig was ten tijde van de aanvoer uit Frankrijk. 3.10 De rechtbank heeft op basis hiervan geoordeeld dat met een redelijke mate van zekerheid kan worden vastgesteld dat de CL-besmetting onder de koppel schapen reeds aanwezig was ten tijde van de levering daarvan aan [geïntimeerde] . 3.11 Met grief 2 keert [appellant] zich tegen deze vaststelling. Hij heeft in het bijzonder kritiek op de argumenten waarop de deskundige zijn inschatting van de kans op besmetting na aanvoer baseert. Ter onderbouwing van zijn kritiek heeft hij een rapport overgelegd van de heer [naam1] van NSFO. 3.12 [geïntimeerde] heeft deze kritiek weersproken, waarbij hij zich baseert op een rapport van [naam2] . 3.13 Het hof volgt [appellant] niet in zijn betoog dat het deskundigenbericht tot afwijzing van de vorderingen van [geïntimeerde] noopt. Zoals ook de rechtbank heeft overwogen, volgt uit het deskundigenbericht weliswaar niet onomstotelijk dat de CL-besmetting reeds aanwezig was ten tijde van de levering maar in dit verband is van belang dat voor bewijs in civiele zaken onomstotelijk bewijs niet is vereist, maar een redelijke mate van zekerheid voldoende is. Die redelijke mate van zekerheid heeft de rechtbank uit het deskundigenbericht afgeleid. Dat de deskundige de vraag naar de mate van aannemelijkheid niet heeft beantwoord, doet aan de waarde van zijn rapport in beginsel niet af. 3.14 Het hof ziet in de kritiek van [appellant] op het rapport van de deskundige echter wel aanleiding om de deskundige (op grond van artikel 194 lid 5 Rv, dat op grond van artikel 205 lid 1 Rv ook bij een voorlopig deskundigenbericht van toepassing
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.