GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden, afdeling civiel zaaknummer gerechtshof 200.302.216/01 (zaaknummer rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, 259880) arrest van 20 december 2022 in de zaak van [appellant] , wonende te [woonplaats1] , appellant, bij de rechtbank: eiser, hierna: [appellant], vertegenwoordigd door mr. R.H. van de Beeten, die kantoor houdt te Zevenaar, tegen Stichting RIBW Overijssel, gevestigd te Zwolle, geïntimeerde, bij de rechtbank: gedaagde, hierna: RIWB, vertegenwoordigd door mr. E.H.H. Schelhaas, die kantoor houdt te ’s-Hertogenbosch. 1Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep Naar aanleiding van het tussenarrest van 31 mei 2022 heeft op 18 november 2022 een mondelinge behandeling bij het hof plaatsgevonden. Van de mondelinge behandeling is proces-verbaal opgemaakt. Op verzoek van partijen heeft het hof arrest bepaald. Het hof zal beslissen op de processtukken die partijen bij de rechtbank en het hof hebben ingediend, aangevuld met het proces-verbaal. 2De kern van de zaak en beslissing van het hof 2.1 Partijen zijn een samenwerking aangegaan, waarbij [appellant] een pand van de gemeente zou kopen en zou (laten) herontwikkelen tot appartementen en RIBW (een gedeelte van) deze appartementen van [appellant] zou gaan huren. De samenwerkingsovereenkomst en de huurovereenkomst zijn in maart 2018 door partijen ondertekend, waarna uitvoering aan de overeenkomsten is gegeven. De appartementen zijn op 24 mei 2019 aan RIBW opgeleverd, per welke datum de huurovereenkomst in werking is getreden. 2.2 [appellant] stelt dat RIBW onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld door niet in december 2017 over te gaan tot ondertekening van de huurovereenkomst zoals de tekst daarvan luidde per 1 december 2017. Als gevolg van deze vertraging heeft [appellant] schade geleden. In verband hiermee heeft hij bij de rechtbank een verklaring voor recht gevorderd en een veroordeling van RIBW tot vergoeding van schade, nader op te maken bij staat, en tot betaling van de proceskosten. [appellant] heeft aan zijn vorderingen ten grondslag gelegd - samengevat - dat (op zijn laatst) in december 2017 volledige wilsovereenstemming tussen partijen bestond en dat RIBW vervolgens ten onrechte op goedkeuring van haar Raad van Toezicht heeft gewacht alvorens tot ondertekening van de huurovereenkomst over te gaan. 2.3 In het vonnis van 18 augustus 2021 van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, zijn de vorderingen van [appellant] afgewezen en is hij veroordeeld in de proceskosten. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat van onrechtmatig handelen van RIBW geen sprake is. De motivering van dit oordeel komt erop neer dat RIBW vóór 21 februari 2017 slechts de verbintenis op zich heeft genomen om met [appellant] te onderhandelen over het aangaan van een huurovereenkomst en dat RIBW per 21 februari 2017 nog als voorwaarde kon stellen dat de Raad van Toezicht haar goedkeuring diende te verlenen. Er moet van worden uitgegaan dat [appellant] bij uitblijven van enig protest stilzwijgend akkoord is gegaan met die voorwaarde. Na de mail van 4 mei 2017 kon [appellant] ook niet aannemen dat het voorbehoud was uitgewerkt of dat die goedkeuring reeds was verleend. Nu partijen zijn overeengekomen dat de Raad van Toezicht goedkeuring diende te verlenen en die goedkeuring pas in februari 2018 voorwaardelijk is gegeven, kan niet worden geoordeeld dat RIBW onrechtmatig heeft gehandeld door in december 2017 niet tot ondertekening van de huurovereenkomst over te gaan. 2.4 [appellant] is het niet eens met deze beslissingen van de rechtbank en wil dat zijn vorderingen alsnog worden toegewezen. In hoger beroep heeft hij zijn eis gewijzigd en heeft hij zeven bezwaren (grieven) tegen het bestreden vonnis aangevoerd. 2.5 Het hof is net als de rechtbank van oordeel dat van onrechtmatig handelen aan de zijde van RIBW geen sprake is. Ook in hoger beroep worden de vorderingen van [appellant] afgewezen. Hierna zal het hof uitleggen hoe het tot dit oordeel is gekomen. 3Feiten 3.1 RIBW is een zorginstelling die onder meer woonvormen aanbiedt voor mensen die zich niet zelfstandig kunnen handhaven in de maatschappij. 3.2 [appellant] is als ondernemer actief in de zorg en belegt privé in onroerend goed. 3.3 Op enig moment heeft [appellant] geconstateerd dat het pand van de voormalige Vrouwenarbeidsschool in Deventer, dat eigendom was van de gemeente Deventer, te koop kwam. Aangezien [appellant] wist dat RIBW geïnteresseerd was in het realiseren van woningen voor haar cliënten en [appellant] daartoe in het betreffende pand mogelijkheden zag, heeft hij RIBW benaderd en heeft de door [appellant] ingeschakelde architect de heer [naam1] RIBW een eerste opzet voor een plan toegestuurd. 3.4 Namens RIBW heeft de heer [naam2] op 12 juli 2016 als volgt gereageerd: “Wederom een mooi plan in Deventer! Ik heb zojuist [appellant] telefonisch gesproken en het volgende uitgelegd. Voor Deventer zijn we nog op zoek naar ca. 20 tot 36 zelfstandige wooneenheden. Mogelijkheid tot onderverhuur is een vereiste. Eenheden ca 45 tot 55 m2 groot (woonkamer met keukenblok, slaapkamer, badkamer, kleine berging ((WM) voorkeur voor kleine buitenruimte, stallingsruimte fietsen) Een mix van bovengenoemde appartementen en (nog) kleinere studio’s (lofts) zijn ook goed denkbaar. Betaalbaar: € 570,- max per maand, huurtermijnen in overleg. Energie zuinig, bij voorkeur label A of hoger Wellicht zijn er in een deel van het pand meerdere kleinere eenheden te realiseren? Als e.e.a. technisch past en ook aan de huurvoorwaarden kan voldoen zouden we hierin gezamenlijk willen optrekken, ook richting gemeente. Ik wil voorstellen dat jullie een eerste vrijblijvende verkenning maken. Als het past we op korte termijn om tafel gaan om nader af te stemmen.” 3.5 [appellant] en RIBW hebben vervolgens afgesproken samen op te trekken richting de gemeente teneinde het pand te verwerven, waarna partijen verschillende gesprekken met de gemeente hebben gevoerd. 3.6 Na een bespreking met de gemeente op 6 december 2016 heeft [appellant] zich genoodzaakt gezien zijn bod op het pand te verhogen met € 150.000,-. RIBW heeft ten aanzien van deze verhoging toegezegd bij gunning van het pand aan [appellant] de helft van dat bedrag voor haar rekening te nemen, met de verplichting voor [appellant] om aan RIBW te verhuren. 3.7 In december 2016 heeft de gemeente goedkeuring verleend voor de verkoop van het pand aan [appellant] , waarna partijen op 10 januari 2017 een etentje hebben gehad in een restaurant in Zwolle. 3.8 Per e-mail van 12 januari 2017 heeft [naam1] de (externe) vastgoedadviseur van RIBW de heer [naam3] verzocht een afspraak te maken voor het opstellen van een programma van eisen voor de wooneenheden. 3.9 Naar aanleiding van een uitnodiging die de gemeente wilde versturen voor een informatieavond voor omwonenden heeft mevrouw [naam4] namens RIBW op 21 februari 2017 een e-mail aan [naam1] gestuurd waarin onder meer vermeld staat: “Wel heb ik een vraag over de volgorde van stappen die genomen worden in het proces. Intern dient er bij RIBW namelijk nog een business case aangeleverd te worden op basis waarvan de Raad van Bestuur en de Raad van Toezicht akkoord kunnen geven op die condities die gepaard gaan met de huur van appartementen aan de Diepenveenseweg. Deze business case heb ik nog niet gezien. (…) Het voelt op dit moment niet goed om in gesprek te gaan met de gemeente en deel te nemen aan een informatieavond als er niet een volledig akkoord van de Raad van Bestuur onder ligt.” 3.10 Op 13 maart 2017 heeft [naam1] een concept huurovereenkomst met bijbehorende plattegronden aan [naam3] toegestuurd. 3.11 Op 4 mei 2017 heeft [naam1] namens de Raad van Bestuur van RIBW een e-mail ontvangen waarin onder meer vermeld staat: “Naar aanleiding van het telefonisch overleg met [naam3] waarin je te kennen hebt gegeven je enigszins zorgen te maken dat wij op dit moment nog geen overeenkomst hebben, terwijl wij gezamenlijk op 8 mei, met de gemeente Deventer, op het podium staan. RIBW heeft afgelopen dinsdag de business case op hoofdlijnen besproken en staat hier positief in. De reden dat we maandag op het podium staan mag hier blijk van zijn. Kortom RIBW staat maandag op het podium en ik ga ervan uit dat het project zowel van ons uit als van jullie voortvarend wordt opgepakt en wij gezamenlijk de contracten op korte termijn kunnen afronden.” 3.12 In mei 2017 hebben [appellant] en de gemeente de koopovereenkomst voor het pand getekend. In de betreffende overeenkomst was een verplichting voor [appellant] opgenomen om in het pand minimaal 26 woningen te realiseren en deze te verhuren of te verkopen aan RIBW. 3.13 Op 19 mei 2017 heeft [naam3] [naam1] een concept samenwerkingsovereenkomst toegestuurd. In die overeenkomst stond vermeld dat de overeenkomst onder voorbehoud van goedkeuring van de Raad van Toezicht van RIBW was. 3.14 In de periode van eind mei 2017 tot en met begin december 2017 hebben namens partijen besprekingen plaatsgehad over de concept huurovereenkomst en samenwerkingsovereenkomst en hebben partijen over en weer commentaar geleverd op die overeenkomsten, waarna deze een of meerdere keren zijn aangepast. 3.15 Op 5 december 2017 heeft [naam1] [naam3] aangepaste versies van de huurovereenkomst en de samenwerkingsovereenkomst toegestuurd, naar aanleiding waarvan de bestuurssecretaris van RIBW op 8 december 2017 een paar redactionele opmerkingen heeft gemaakt. Op 21 december 2017 heeft [naam3] vervolgens de laatste conceptversie van de samenwerkingsovereenkomst aan [naam1] toegezonden. 3.16 Na een bijeenkomst van de auditcommissie van de Raad van Toezicht op 10 januari 2018 en een vergadering van de Raad van Toezicht op 25 januari 2018, heeft RIBW aan [appellant] laten weten dat de Raad van Toezicht aanvullende vragen beantwoord wil hebben. Per mail van 26 januari 2018 heeft [appellant] RIBW onder meer laten weten: “Het is van belang dat de stukken op korte termijn ondertekend gaan worden. Inmiddels is alles gereed om met de verbouw van de locatie aan de slag te gaan. De architect heeft zijn voorbereidende taken gedaan en de aannemers zijn gecontracteerd en staan klaar. Niet alleen de gemeente Deventer, maar ook mijn financier verwacht dat de stukken getekend worden en aan de slag wordt gegaan met de verbouw. Graag hoor ik uiterlijk begin van volgende week van je.” 3.17 Op 5 februari 2018 heeft telefonisch contact plaatsgevonden tussen [appellant] en RIBW, waarbij RIBW zich beroept op de vereiste goedkeuring van de Raad van Toezicht die nog vragen zou hebben. 3.18 Op 6 februari 2018 sommeert de advocaat van [appellant] RIBW om binnen één week het bestaan en nakoming van de gemaakte afspraken te bevestigen, met de toezegging dat de overeenkomsten op de kortst mogelijke termijn ondertekend zullen gaan worden. In deze brief wordt RIBW erop gewezen dat nog meer uitstel [appellant] schade oplevert. 3.19 De Raad van Toezicht heeft aanleiding gezien juridisch advies in te winnen over de overeenkomsten en heeft op 8 februari 2018 het voornemen van de Raad van Bestuur van RIBW om die overeenkomsten aan te gaan goedgekeurd, mits aan het inmiddels gegeven juridisch advies tegemoet werd gekomen. 3.20 Op 14 maart 2018 stuurt de advocaat van [appellant] de verklaring van Triodos bank van 13 maart 2018 aan de advocaat van RIBW. Uit die verklaring blijkt dat indien partijen de huurovereenkomst aangaan, Triodos zich in geval van uitwinning van haar hypotheekrecht jegens RIBW niet zal beroepen op het huurbeding zoals opgenomen in de hypotheekakte. Met deze verklaring werd aan het juridisch advies tegemoet gekomen. De huurovereenkomst en de samenwerkingsovereenkomst zijn op 15 maart 2018 (door RIBW) en op 16 maart 2018 (door [appellant] ) ondertekend, waarna uitvoering aan die overeenkomsten is gegeven. De appartementen zijn op 24 mei 2019 aan RIBW opgeleverd, per welke datum de huurovereenkomst in werking is getreden. 3.21 Op verzoek van [appellant] heeft in september 2020 een voorlopig getuigenverhoor plaatsgevonden over feiten die hebben plaatsgehad in de periode juli 2016 tot en met januari 2017. Daarbij zijn getuigen gehoord die betrokken zijn geweest bij de totstandkoming van de overeenkomsten. 4Het oordeel van het hof Inleiding 4.1 [appellant] vordert in hoger beroep dat het hof het vonnis van de rechtbank vernietigt en zijn vorderingen alsnog toewijst met veroordeling van RIBW in de kosten van de procedure in beide instanties. In hoger beroep heeft [appellant] de door hem gevorderde verklaring voor recht gewijzigd. Hij vordert nu een verklaring voor recht “dat RIBW onrechtmatig handelde jegens [appellant] door niet in december 2017 over te gaan tot ondertekening van de huurovereenkomst, althans de samenwerkingsovereenkomst én de huurovereenkomst, zoals de tekst(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.