GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem afdeling civiel recht, handel zaaknummer gerechtshof 200.284.709 arrest van 15 februari 2022 in de zaak van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid HBR B.V., gevestigd te Rotterdam, eiseres, hierna: HBR, advocaat: mr. D. Schuurman, tegen: [gedaagde] , wonende te [woonplaats] , gedaagde hierna: [gedaagde] , advocaat: mr. C.W.M. Verberne. 1Kern van de zaak en de beslissing 1.1 HBR vordert vernietiging van een arbitraal vonnis dat het Scheidsgerecht Gezondheidszorg (het scheidsgerecht) heeft gewezen tussen HBR en [gedaagde] . [gedaagde] plaatste op basis van een overeenkomst met HBR als physician assistant (hierna: PA) botoxinjecties in klinieken van HBR. HBR beëindigde de overeenkomst omdat PA’s die behandeling van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) niet zouden mogen verrichten. Het scheidsgerecht oordeelde dat niet duidelijk is of PA’s dat mogen en dat die onduidelijkheid voor rekening van HBR komt. HBR heeft aangevoerd dat het scheidsgerecht zich niet aan de opdracht heeft gehouden door het vonnis te baseren op niet door partijen aangevoerde feiten en dat het vonnis in strijd is met de openbare orde. 1.2 Het hof wijst de vordering af. De door HBR bedoelde feiten zijn op de zitting bij het scheidsgerecht aan de orde geweest en overigens is slechts een overweging ten overvloede op die feiten gebaseerd. Het scheidsgerecht heeft geen regels geschonden van dwingend recht met een zo fundamenteel karakter dat schending ervan moet leiden tot vernietiging van het vonnis wegens strijd met de openbare orde. 1.3 Hierna legt het hof zijn oordeel uit. Eerst vermeldt het hof nog wat er in de procedure is gebeurd. 2Het procesverloop tot nu toe 2.1 Het hof heeft op 13 juli 2021 een tussenarrest gewezen. Daarin heeft het hof het procesverloop tot dan toe beschreven en een zitting aangekondigd. Op 7 december 2021 heeft de zitting plaatsgevonden. Beide partijen zijn verschenen; hun advocaten hebben de zaak toegelicht aan de hand van pleitnotities. Van de zitting is een verslag gemaakt dat aan partijen is opgestuurd. Aan het eind van de zitting heeft het hof bepaald dat arrest zal worden gewezen. 3De vaststaande feiten 3.1 [gedaagde] verrichtte, op basis van een overeenkomst met HBR, voor eigen rekening werkzaamheden voor cosmetische behandelingen in klinieken van HBR. De werkzaamheden, die vier dagen per week besloegen, bestonden onder meer uit het plaatsen van botoxinjecties. De overeenkomst liep aanvankelijk van 1 februari 2017 tot 1 februari 2019 en is vervolgens met een jaar verlengd. Tussentijds kon worden opgezegd wegens gewichtige redenen met een opzegtermijn van drie maanden. 3.2 Inspecteur [de inspecteur1] van de IGJ (hierna: [de inspecteur1] ) heeft op 25 juli 2018 aan HBR laten weten dat PA’s geen botoxinjecties mogen plaatsen maar alleen artsen dat mogen. Omdat [de inspecteur1] begin maart 2019 aan HBR zou hebben medegedeeld dat de IGJ de kliniek kan sluiten als blijkt dat PA’s botoxinjecties plaatsen, heeft HBR op 4 maart 2019 aan [gedaagde] laten weten dat zij geen botoxinjecties meer kan plaatsen in de klinieken van HBR. HBR heeft [gedaagde] vervolgens bericht dat haar non-concurrentiebeding tot 31 oktober 2019 “on hold” werd gezet. 3.3 Via haar beroepsorganisatie Nederlandse Associatie Physicians Assistants (hierna: NAPA) heeft [gedaagde] navraag gedaan bij [de inspecteur2] , een andere inspecteur van de IGJ, waaruit bleek dat een PA onder bepaalde voorwaarden wel botoxinjecties mag plaatsen. Vanaf 1 juni 2019 heeft [gedaagde] bij Klaver Klinieken, een (in de ogen van HBR) concurrerende kliniek een dag per week cosmetische behandelingen verricht, waaronder het plaatsen van botoxinjecties. Zij heeft ook haar agenda bij HBR weer open laten zetten voor botoxbehandelingen en die uitgevoerd. HBR heeft op 28 juni 2019 de overeenkomst met [gedaagde] opgezegd tegen 28 september 2019. 3.4 [gedaagde] heeft bij het scheidsgerecht onder meer schadevergoeding gevorderd. Zij heeft aangevoerd dat het verbod van HBR om haar botoxinjecties te laten plaatsen geen deugdelijke grondslag heeft en de tussentijdse opzegging niet geldig was. 3.5 Het scheidsgerecht heeft bij vonnis van 15 juli 2020, samengevat, geoordeeld dat als met voldoende mate van zekerheid objectief zou vaststaan dat [gedaagde] als PA niet langer bevoegd was botoxbehandelingen uit te voeren, dit in haar verhouding tot HBR voor haar risico zou komen, maar dat dit in de gegeven omstandigheden niet als voldoende objectief vaststaand kon worden aangenomen. Het scheidsgerecht heeft daartoe vastgesteld dat de IGJ verschillende standpunten heeft ingenomen over de vraag of, en zo ja onder welke voorwaarden, PA’s botox-injecties mogen plaatsen. Het scheidsgerecht constateert vervolgens dat ook overigens onduidelijk is gebleven of en zo ja, onder welke omstandigheden, PA’s bevoegd zijn tot botoxbehandelingen en heeft er daarbij op gewezen dat over die bevoegdheid binnen de verschillende beroepsgroepen “kennelijk heel verschillend” wordt gedacht. Het scheidsgerecht noemt het standpunt van de Nederlandse Vereniging voor Plastische Chirurgie (hierna: NVPC), waarbij HBR is aangesloten, dat inhoudt dat PA’s niet bevoegd zijn en dat door [de inspecteur1] is aangehaald, maar noemt ook dat andere beroepsverenigingen (de Nederlandse Vereniging voor Dermatologie (hierna: NVDV) en Nederlandse Vereniging voor Cosmetische Geneeskunde (hierna: NVCG)) niet het standpunt hebben ingenomen dat PA’s niet bevoegd zijn. 3.6 Het scheidsgerecht heeft geoordeeld dat, omdat niet kan worden vastgesteld dat het uitvoeren van botoxbehandelingen door PA’s niet meer geoorloofd was, in de gegeven omstandigheden voor risico van HBR moet blijven dat zij [gedaagde] niet langer toestond die behandelingen uit te voeren zonder dat duidelijk was of de IGJ daartegen zou kunnen optreden. HBR is daarom schadeplichtig, zo heeft het scheidsgerecht geoordeeld. Het scheidsgerecht heeft verder geoordeeld dat HBR geen gewichtige reden had voor tussentijdse opzegging. Dat [gedaagde] weer botoxbehandelingen had gepland en uitvoerde, vormde niet zo’n gewichtige reden gelet op de bovengenoemde onduidelijkheid over de bevoegdheid van PA’s en het door [gedaagde] daarover ingewonnen advies. Dat [gedaagde] bij een concurrent ging werken vormt, vanwege de mededeling over het non-concurrentiebeding, ook niet zo’n gewichtige reden. Het scheidsgerecht heeft HBR veroordeeld aan [gedaagde] te betalen € 28.249,18, vermeerderd met € 7.885,89 aan kosten van het scheidsgerecht en € 2.000 aan tegemoetkoming in de kosten van rechtsbijstand. 4De beoordeling 4.1 HBR vordert in deze procedure vernietiging van het vonnis. Aanvankelijk vorderde HBR ook vaststelling in rechte dat zij [gedaagde] terecht heeft verboden botoxbehandelingen te verrichten en dat zij de overeenkomst terecht heeft opgezegd en veroordeling van [gedaagde] tot terugbetaling van € 35.135,07, met rente en kosten. Ter zitting heeft HBR haar eis gewijzigd, waarmee [gedaagde] heeft ingestemd. HBR vordert, na deze wijziging, vernietiging van het vonnis van het scheidsgerecht van 15 juli 2020 en terugwijzing van de zaak naar het scheidsgerecht. HBR heeft aangevoerd dat het scheidsgerecht zich niet aan zijn opdracht heeft gehouden, dat het vonnis niet met redenen is omkleed en dat het vonnis in strijd is met de openbare orde. [gedaagde] voert verweer. Beoordelingskader 4.2 Op grond van artikel 1065 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan de rechter een arbitraal vonnis onder meer vernietigen indien het scheidsgerecht zich niet aan zijn opdracht heeft gehouden, indien het vonnis niet met redenen is omkleed of indien het vonnis of de wijze van totstandkoming daarvan in strijd is met de openbare orde. Van schending van de opdracht kan onder meer sprake zijn indien het scheidsgerecht buiten de grenzen van de rechtsstrijd treedt en andere feiten aan zijn beslissing ten grondslag legt dan partijen hebben aangevoerd. Alleen een ernstige schending van de opdracht kan tot vernietiging leiden (artikel 1065 lid 4 Rv). Van een vonnis dat niet met redenen is omkleed kan ook sprake zijn indien het scheidsgerecht heeft nagelaten op essentiële stellingen in te gaan. Van strijd met de openbare orde is sprake indien het vonnis door inhoud of totstandkoming in strijd is met dwingend recht van een zo fundamenteel karakter dat de naleving ervan niet door beperkingen van procesrechtelijke aard mag worden verhinderd. Bij het onderzoek of er grond voor vernietiging bestaat, moet de rechter verder terughoudendheid betrachten – tenzij het gaat om het beginsel van hoor en wederhoor – omdat een vernietigingsprocedure niet mag worden gebruikt als een verkapt hoger beroep. 4.3 De verwijten van HBR spitsen zich toe op (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.