GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem afdeling civiel recht zaaknummers gerechtshof 200.290.615/01 en 200.290.616/01 (zaaknummers rechtbank Midden-Nederland 479654 en 485638) beschikking van 11 januari 2022 inzake [verzoeker] , wonende te [woonplaats1] ,verzoeker in het principaal hoger beroep, verweerder in het incidenteel hoger beroep, verder te noemen: de man, advocaat: mr. H.E. Brokers-van Dijk te Vleuten, en [verweerster] , wonende te [woonplaats1] ,verweerster in het principaal hoger beroep, verzoekster in het incidenteel hoger beroep, verder te noemen: de vrouw, advocaat: mr. S.M.G. Weitjens te Utrecht. 1Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 25 november 2020, uitgesproken onder voormelde zaaknummers. 2Het geding in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - het beroepschrift, tevens verzoek tot schorsing, ingekomen op 24 februari 2021; - het verweerschrift tevens incidenteel hoger beroep met producties; - het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep met producties; - een aanvullend verweerschrift van de zijde van de vrouw met producties; - een journaalbericht van mr. Brokers-van Dijk van 16 augustus 2021 met producties; - een journaalbericht van mr. Brokers-van Dijk van 26 augustus 2021 met productie. 2.2 De mondelinge behandeling heeft op 27 augustus 2021 plaatsgevonden. De man is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn advocaat, evenals de advocaat van de vrouw. De vrouw was door middel van een Skype-verbinding aanwezig. 2.3 Het hof heeft beslist dat het aanvullende verweerschrift van de vrouw buiten beschouwing moet worden gelaten, omdat dit een (verkapte) tweede schriftelijke ronde inhoudt, hetgeen in strijd is met de tweeconclusieregel. Wel slaat het hof acht op de producties die bij het aanvullende verweerschrift zijn overgelegd en de toelichting daarop. 3De vaststaande feiten 3.1 Partijen zijn [in 1] 2003 met elkaar gehuwd op huwelijkse voorwaarden, die bij notariële akte op 10 juli 2003 zijn vastgelegd. Deze luiden – voor zover hier van belang – als volgt: Artikel 1 Tussen de echtgenoten bestaat in hun huwelijk geen enkele huwelijksvermogensrechtelijke gemeenschap van goederen. Artikel 2 Alle goederen, welke de echtgenoten bij de aanvang van hun huwelijk bezitten of die zij later door erfopvolging, making of gift of op andere wijze mochten verkrijgen, zijn en blijven eigendom van diegene der echtgenoten, door wie zij ten huwelijk zijn aangebracht of tijdens huwelijk zijn verkregen. Alle schulden door de echtgenoten vóór of na de voltrekking van hun huwelijk aangegaan, welke niet de gewone gang van de huishouding betreffen, alsmede schulden drukkende op aan een der echtgenoten persoonlijk toebehorende goederen, komen ten laste van degene hunner door wie die schulden zijn gemaakt of door wie de met schuld bezwaarde goederen werden verkregen. De echtgenoten zijn, voorzover niet anders bepaald, verplicht aan elkaar te vergoeden hetgeen aan het vermogen van de ene echtgenoot is onttrokken ten bate van de andere echtgenoot en wel ten bedrage van of naar de waarde ten dage van die onttrekking. Deze vergoeding is terstond opeisbaar. (…) Artikel 11 Ingeval het huwelijk wordt ontbonden of tussen de echtgenoten scheiding van tafel en bed wordt uitgesproken, is ieder der echtgenoten verplicht tot een verrekening, zo, dat ieder van de echtgenoten gerechtigd is tot een waarde gelijk aan die, waartoe hij gerechtigd zou zijn geweest indien er de algehele gemeenschap van goederen tussen hen bestaan had, met uitzondering echter van die goederen: - welke blijkens na te melden staat van aanbrengsten door hen ten huwelijk worden aangebracht, zomede van die goederen welke tijdens het bestaan van het huwelijk daarvoor in de plaats zijn getreden; en - welke door de echtgenoten krachtens erfstelling, legaat of schenking zullen worden verkregen, zomede van de op die verkrijgingen drukkende schulden, de wegens die verkrijgingen geheven belastingen als successie-, schenkings- en overgangsrecht daaronder begrepen; en de goodwill ten belope van eenhonderdvijfenzeventigduizend euro (€ 175.000,00) behorend bij het door de man, tezamen met derden, gevoerde maatschap, te weten: de maatschap [naam1] , welk vermogen evenmin in enige verrekening dient te worden gebracht; met dien verstande, dat de inkomsten uit die goederen en de renten van die schulden, alsmede de kosten en lasten, welke uit die inkomsten plegen te worden voldaan, wèl in de verrekening zullen worden betrokken. De verrekening heeft plaats naar de toestand ten tijde van de ontbinding van het huwelijk tengevolge van overlijden of ingeval van echtscheiding of scheiding van tafel en bed, naar de toestand naar de aanvang van de dag van het instellen van de vordering daartoe. 3.2 Partijen zijn de ouders van [de minderjarige] , geboren [in 2] 2005 te [plaats1] (hierna: [de minderjarige] ). 3.3 De man heeft op 15 april 2019 een verzoek tot echtscheiding bij de rechtbank Midden-Nederland ingediend. Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank (verkort weergegeven) de echtscheiding tussen partijen uitgesproken, bepaald dat de man aan partneralimentatie € 1.581,- per maand aan de vrouw dient te betalen, de wijze van verrekening van de huwelijkse voorwaarden en de verdeling van de eenvoudige gemeenschappen vastgesteld zoals omschreven in r.o. 4.7 tot en met 4.19 (waarbij de man ter afwikkeling van het finaal verrekenbeding in de huwelijkse voorwaarden betreffende de in r.o. 3.91 van de bestreden beschikking betrokken vermogensbestanddelen aan de vrouw een € 136.857,- dient te voldoen). De bestreden beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, behalve voor zover het de echtscheiding betreft. 3.4 De echtscheidingsbeschikking is op 9 december 2020 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. 3.5 Bij beschikking van dit hof van 13 februari 2021 is het verzoek van de man strekkende tot schorsing van de werking van de bestreden beschikking ten aanzien van de partneralimentatie en de ter afwikkeling van het finaal verrekenbeding door de man te betalen bedrag afgewezen. 4De omvang van het geschil 4.1 De man is met tien grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De grieven I tot en met V zien op de partneralimentatie en de grieven VI tot en met X zien op de verdeling van de (eenvoudige) gemeenschappen en op de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden. Hij verzoekt het hof in hoger beroep (samengevat) de bestreden beschikking te vernietigen voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en opnieuw rechtdoende: - het verzoek van de vrouw tot vaststelling van partneralimentatie af te wijzen (het hof begrijpt:) althans, - primair, de duur van de alimentatie te beperken tot tien jaar (tot 9 december 2030) dan wel, subsidiair, de partneralimentatie in een periode van tien jaar af te bouwen naar nihil; - vast te stellen dat de man een vergoedingsrecht heeft ten bedrage van € 135.524,98 en te bepalen dat, voordat de verkoopopbrengst van de woning aan de [adres1] te [plaats2] tussen partijen wordt verdeeld, nog € 135.524,98 toekomt aan de man; - ten aanzien de spaarhypotheekpolis bij [naam2] (polisnummer [nummer1] ), primair, te bepalen dat de waarde van deze spaarhypotheek per peildatum (12 april 2019) bij helfte wordt gedeeld zodra de waarde van de polis zal vrijvallen en dat de waarde die is gevormd na de peildatum uitsluitend toekomt aan de man dan wel, subsidiair, te bepalen dat de waarde van de polis per datum echtscheiding (9 december 2020) bij helfte wordt verdeeld en dat de waarde die gevormd is na die datum toekomt aan de man; - het verzoek van de vrouw om te bepalen dat de waarde van de aandelen in [naam3] B.V. dient te worden verrekend ter afwikkeling van het finaal verrekenbeding af te wijzen; - te bepalen dat de vrouw op grond van artikel 843a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) gehouden is alle bankafschriften van haar betaal- en spaarrekening met rekeningnummer [nummer2] over de periode 1 maart 2017 tot en met 12 april 2019 aan de man dient te verstrekken, onder verbeurte van een dwangsom van € 500,- per dag(deel) dat de vrouw hiermee in gebreke blijft; - het saldo van het te verrekenen spaargeld op rekeningnummer [nummer2] te bepalen op € 82.957,-; - te bepalen dat de man ter afwikkeling van het finale verrekenbeding aan de vrouw € 105.092,52 dient te voldoen; - te bepalen dat aan de man een vergoedingsrecht toekomt ter zake van de door hem ten huwelijk aangebrachte auto (Porsche) ten bedrage van € 18.540,- en ter zake van de door hem ten huwelijk aangebrachte motorfiets (Yamaha) ten bedrage van € 12.200,-; - kosten rechtens. 4.2 De vrouw is op haar beurt met drie grieven in incidenteel hoger beroep gekomen. De grieven zien op de partneralimentatie. Zij verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen wat betreft de partneralimentatie en, opnieuw recht doende, te bepalen dat: - de man aan partneralimentatie € 8.981,- bruto per maand aan haar voldoet met ingang van de datum van inschrijving van de beschikking in de registers van de burgerlijke stand (9 december 2020) tot de datum van verkoop en levering van de woning aan de [adres2] te [woonplaats1] (hierna: de voormalige echtelijke woning) en € 9.848,- bruto per maand met ingang van de datum van verkoop en notariële levering van de voormalige echtelijke woning; - te verklaren voor recht dat, aangezien het verzoekschrift tot echtscheiding op 12 april 2019 is ingediend, op basis van het overgangsrecht op de door de rechtbank in eerste aanleg dan wel door het hof in hoger beroep vastgestelde partneralimentatie de twaalfjarige termijn van toepassing is als bedoeld in artikel 1:157 lid 4 BW (oud), zoals dat artikel luidde vóór de inwerkingtreding per 1 januari 2020 van de Wet herziening partneralimentatie; - kosten rechtens. 4.3 De man verzoekt het hof de verzoeken in hoger beroep van de vrouw met betrekking tot de hoogte van de partneralimentatie af te wijzen. Hij refereert zich aan het oordeel van het hof wat betreft de verzochte verklaring voor recht. 4.4 Het hof zal de grieven in principaal en incidenteel hoger beroep per onderwerp bespreken. 5De motivering van de beslissing partneralimentatie 5.1 Partijen zijn het erover eens dat de behoefte van de vrouw kan worden vastgesteld op 60% van het gezamenlijk gezinsinkomen aan het einde van het huwelijk (de hofnorm), te verminderen met de kosten van [de minderjarige] . De man stelt echter dat het netto gezinsinkomen lager is dan de door de rechtbank vastgestelde € 9.235,- per maand, omdat de rechtbank bij de vaststelling van de behoefte ten onrechte is uitgegaan van een (gemiddelde) opname uit rekeningcourant van zijn onderneming [naam4] B.V. van € 40.000,- bruto (€ 30.000,- netto) per jaar. Mocht het hof oordelen dat met die opnames uit rekeningcourant wel rekening moet worden gehouden, dan moet, subsidiair, (alsnog) rekening worden gehouden met de betaalde premie AOV en bijdrage ZVW in de jaren 2015-2017, aldus de man. De vrouw kan zich verenigen met de door de rechtbank vastgestelde behoefte, maar mocht het hof oordelen dat de opnames uit rekeningcourant buiten beschouwing moeten blijven, dan wil zij (met haar eerste, voorwaardelijke, grief in het incidenteel hoger beroep) dat de behoefte opnieuw wordt vastgesteld. 5.2 Het hof is met de rechtbank van oordeel dat de van de rekeningcourant onttrokken gelden ten goede zijn gekomen aan de uitgaven van partijen in privé en daarom moeten worden betrokken in de berekening van behoefte. Dat de man bij de inbreng van zijn eenmanszaak eind 2014 in [naam4] B.V. nog (latente) inkomstenbelastingschulden over de jaren 2013 en 2014 diende te voldoen, maakt dat niet anders. Wel merkt het hof op dat bij de vaststelling van het besteedbaar gezinsinkomen de betaalde premie AOV en bijdrage ZVW dienen te worden betrokken, zoals de vrouw ook heeft erkend. In zoverre slaagt grief I van de man. 5.3 Een en ander leidt ertoe dat het hof zal uitgaan van een netto besteedbaar inkomen van € 8.688,- per maand, te verminderen met de kinderalimentatie van € 950,- per maand. Toepassing van de hofnorm leidt tot een behoefte aan de zijde van de vrouw van € 4.642,80 netto per maand, geïndexeerd naar 2021 € 4.927,- netto per maand, overeenkomstig het door de man subsidiair verzochte. Gebruteerd is dat € 8.909,- per maand. Nu het hof de man niet volgt in zijn primaire stelling dat de opnames uit rekeningcourant buiten beschouwing dienen te blijven, is de voorwaarde voor behandeling van grief I van de vrouw niet vervuld, zodat het hof hieraan voorbijgaat. 5.4 Wat betreft de stelling van de man dat de vrouw over voldoende verdiencapaciteit beschikt om gedeeltelijk in haar eigen levensonderhoud te voorzien, overweegt het hof het volgende. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep is gebleken dat de vrouw diverse behandelingen (bloedtransfusies, chemokuren) heeft en zal moeten ondergaan in verband met haar ziekte (non-Hodgkin). Dat zij op korte en middellange termijn niet in staat zal zijn geheel of gedeeltelijk in haar eigen levensonderhoud te voorzien, is voldoende aannemelijk, zoals (de advocaat van) de man ook heeft erkend. Grief II van de man faalt dan ook. 5.5 De man stelt verder dat de rechtbank bij de vaststelling van zijn draagkracht ten onrechte rekening heeft gehouden met een bruto jaarinkomen van € 160.000,- en neveninkomsten ten bedrage van € 30.000,- per jaar. Zijn feitelijk bruto inkomen bedroeg € 160.000,- per jaar, maar (afgerond) € 30.000,- is besteed aan pensioenafdracht via [naam4] B.V.. Volgens de man moet primair worden uitgegaan van een bruto jaarsalaris van € 130.950,- (na pensioenafdracht) en subsidiair van € 140.000,- bruto per jaar (na pensioenafdracht), het inkomen dat de man verwacht zich te kunnen toekennen vanaf
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.