← Nederland

ECLI:NL:GHARL:2022:1695

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN zittingsplaats Leeuwarden Zaaknummer : Wahv 200.285.362/01 CJIB-nummer : 228095063 Uitspraak d.d. : 4 maart 2022 Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Midden-Nederland van 5 oktober 2020, betreffende [de betrokkene] (hierna: de betrokkene), wonende te [woonplaats] . De gemachtigde van de betrokkene is mr. N.G.A. Voorbach, kantoorhoudende te Zoetermeer. De beslissing van de kantonrechter De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen. Het verloop van de procedure De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding. De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend. De gemachtigde van de betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt. De beoordeling

  1. Artikel 14 van de Wahv bepaalt dat in twee situaties hoger beroep kan worden ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter: - wanneer de sanctie bij de beslissing van de kantonrechter hoger is dan € 70,- - wanneer de kantonrechter het beroep niet-ontvankelijk heeft verklaard omdat geen (of niet op tijd) zekerheid is gesteld.
  2. Van geen van deze situaties is hier sprake. De sanctie bedraagt € 34,- en de kantonrechter heeft het beroep ongegrond verklaard.
  3. De gemachtigde van de betrokkene stelt zich op het standpunt dat het appelverbod buiten toepassing moet worden gelaten, nu hij noch de betrokkene zijn uitgenodigd voor de zitting van de kantonrechter.
  4. In het dossier bevindt zich een brief van de griffier van de rechtbank van 24 augustus 2020, waarin de gemachtigde wordt opgeroepen voor de zitting van de kantonrechter op 21 september
  5. Nu de rechtbank niet over een deugdelijke verzendadministratie beschikt en de oproep voor de zitting niet aangetekend is verzonden, kan het hof niet vaststellen dat de gemachtigde behoorlijk is opgeroepen voor de zitting van de kantonrechter. Daarmee is in strijd gehandeld met artikel 12, eerste lid, van de Wahv. Dit brengt mee dat het appelverbod buiten toepassing moet worden gelaten. Het hoger beroep is dan ook ontvankelijk.
  6. Het hof zal zonder zitting in de zaak voorzien, nu de gemachtigde heeft aangegeven af te zien van behandeling van de zaak op een zitting van het hof. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter vernietigen en het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie beoordelen.
  7. De officier van justitie heeft het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaard. Bij die beschikking is aan de betrokkene als kentekenhouder een sanctie opgelegd van € 34,- voor: “overschrijding maximum snelheid binnen bebouwde kom, met 5 km/h”. Deze gedraging zou zijn verricht op 20 augustus 2019 om 12.49 uur op de S103 Veluwedreef in Almere met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
  8. De gemachtigde voert in hoger beroep aan dat de gedraging onvoldoende vaststaat. Er was ten tijde van de gedraging geen sprake van een deugdelijk bord H1, waarmee het begin van de bebouwde kom is aangegeven. De betrokkene reed op de A6, nam de afrit Almere-Stad in de richting van de S103 en is toen de Veluwedreef opgereden. Het is aan het openbaar ministerie om, door middel van een schouwrapport, aan te tonen dat de betrokkene het bord H1 is gepasseerd. De gemachtigde wijst in dit verband op (overweging 8 van) het arrest van het hof van 28 februari 2020 (ECLI:NL:GHARL:2020:1803).
  9. In het zaakoverzicht dat zich in het dossier bevindt staat dat de gedraging geautomatiseerd is vastgelegd met een goedgekeurd snelheidsmeetmiddel bestaande uit een lusdetector in combinatie met een flitspaal, dat de maximum snelheid ter plaatse 50 km/h bedraagt en dat de gedraging plaatsvond binnen de bebouwde kom.
  10. Het hof heeft in het door de gemachtigde genoemde arrest voor deze situatie overwogen dat er eerst aanleiding voor nader onderzoek naar de bebording bestaat als de betrokkene die stelt dat deugdelijke bebording ontbrak, heeft aangegeven welke route de bestuurder heeft afgelegd om zijn bestemming te bereiken (overweging 8).
  11. De gemachtigde heeft in de procedure bij de kantonrechter gesteld dat de betrokkene reed op de A6, de afrit nam in de richting van de S104 en vervolgens de Hagevoortdreef is opgereden. De kantonrechter heeft aan de hand van de pleeglocatie die in het zaakoverzicht staat vermeld (de S103 Veluwedreef richting Hagevoortdreef) afgeleid dat de door de gemachtigde beschreven rijroute niet de route is waarlangs de betrokkene is gereden alvorens hij de gedraging beging en is tot het oordeel gekomen dat er om die reden geen aanleiding bestond voor nader onderzoek aan de zijde van de officier van justitie.
  12. In hoger beroep stelt de gemachtigde onder overlegging van een van Google Maps afkomstige (slecht leesbare) print voorts dat de betrokkene reed op A6, de afrit Almere-Stad nam en vervolgens de Veluwedreef (S103). Daarbij merkt hij op dat de S104, zoals eerder in de procedure is aangegeven, de S103 moest zijn.
  13. De gemachtigde erkent dat de rijroute zoals is aangegeven in de procedure bij de kantonrechter onjuist is en vermeldt in hoger beroep een andere (rij) route. Het hof is van oordeel dat onder deze omstandigheden geen sprake is van het aangeven van een route die de bestuurder heeft afgelegd om zijn bestemming te bereiken als bedoeld in overweging 8 van het arrest. Voor zover de gemachtigde heeft bedoeld aan te voeren dat eerder in de procedure per abuis een verkeerd weg nummer is vermeld, overweegt het hof dat (zeker van een professionele gemachtigde) mag worden verwacht dat een namens de betrokkene gestelde rijroute zorgvuldig wordt beschreven. Indien - en voor zover in het onderhavige geval - sprake is van een onjuistheid in de gestelde rijroute, is dat een omstandigheid waarvan de gevolgen voor rekening van de betrokkene komen. Bij deze stand van zaken bestaat er geen aanleiding voor nader onderzoek naar de aanwezigheid van een bord H1 ten tijde van de gedraging. Het bezwaar treft geen doel.
  14. Gelet op het voorgaande zal het hof het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaren. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. de arresten van het hof van 28 april 2020 en 1 april 2021, vindplaatsen op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336 en 2021:1786). De beslissing Het gerechtshof: vernietigt de beslissing van de kantonrechter; verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond; wijst het verzoek om een vergoeding van proceskosten af. Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Werdmüller von Elgg als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.