Afdeling strafrecht Parketnummer: 21-000446-20 Uitspraak d.d.: 3 maart 2022 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland van 29 januari 2020 met parketnummer 16-256955-19 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging, parketnummer 13-650189-17, in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1998, wonende te [woonadres] . Het hoger beroep De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 17 februari
- Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal strekkende tot veroordeling van verdachte tot een geldboete van € 750,
- Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsvrouw, mr. W.P.A. Vos, naar voren is gebracht. Het vonnis waarvan beroep De politierechter heeft verdachte veroordeeld tot een geldboete van € 500,
- Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen. De tenlastelegging Aan verdachte is tenlastegelegd dat: hij op of omstreeks 26 oktober 2019 te [plaats] , gemeente [gemeente] [slachtoffer] heeft mishandeld door voornoemde [slachtoffer] tegen het gezicht/hoofd te stompen/slaan. Vrijspraak Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken. Het hof overweegt daarbij in het bijzonder het volgende. Aangever [slachtoffer] verklaart een klap te hebben gekregen, maar heeft niet gezien wie die klap gaf. Getuige [getuige] (collega van aangever) verklaart dat een groep jongeren op hen afkwam en dat hij zag dat een jongen met een groene jas met een bontkraag zijn collega [slachtoffer] begon te schoppen en te slaan en hem even later met een vuistslag op het hoofd raakte. Verdachte verklaart dat hij niemand heeft geslagen en er niets mee te maken had, maar ineens werd aangezien voor één van de groep vechters. Hij had wel een groene jas met een bontkraag aan. Hij werd ten onrechte beetgepakt, gestompt en overgedragen aan de politie, aldus verdachte. Andere verklaringen bevat het dossier niet. Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte degene was die aangever [slachtoffer] heeft geslagen. Het is ook onduidelijk of aangever [slachtoffer] en getuige [getuige] over hetzelfde incident verklaren, want [getuige] heeft het over schoppen en slaan richting [slachtoffer] terwijl [slachtoffer] in het geheel niet over schoppen heeft en spreekt over één klap zonder de dader te hebben gezien. Gelet op het voorgaande dient verdachte van het tenlastegelegde te worden vrijgesproken. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: Verklaart niet bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij. Aldus gewezen door mr. M.C. Fuhler, voorzitter, mr. J. Hielkema en mr. W.J. Morra, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. M. Nijhuis, griffier, en op 3 maart 2022 ter openbare terechtzitting uitgesproken.