GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem afdeling civiel recht, handel zaaknummer gerechtshof 200.190.760 (zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Nijmegen, 794758) arrest van 15 maart 2022 in de zaak van [appellante] , wonende te [woonplaats1] , appellante in het principaal hoger beroep, geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep, in eerste aanleg: eiseres, hierna: [appellante] , advocaat: mr. S.A. Wensing, tegen: [geïntimeerde] , wonende te [woonplaats2] , geïntimeerde in het principaal hoger beroep, appellant in het incidenteel hoger beroep, in eerste aanleg: gedaagde, hierna: [geïntimeerde] , advocaat: mr. U. Acker. 1Kern van de zaak en de beslissing 1.1 Deze zaak gaat om een dressuurpaard waarvan de koper stelt dat die non-conform was bij aankoop. Of dat zo is, moet het hof beoordelen naar intern Duits recht. Van belang is ook of koper met een bedrijf of verkoper in privé heeft gehandeld. Het hof oordeelt dat koper niet hoefde te begrijpen dat zij met een bedrijf handelde. Het paard dat zij kocht, was verder non-conform. Daarom mag zij de koopovereenkomst ontbinden en krijgt zij de koopsom terug. De verkoper hoeft de door haar geleden schade echter niet te betalen. 1.2 Hierna legt het hof zijn oordeel uit. Eerst vermeldt het hof nog wat er in de procedure in hoger beroep is gebeurd na het laatste tussenarrest. 2Het procesverloop tot nu toe 2.1 Het hof heeft op 7 juli 2020 het laatste tussenarrest gewezen. Daarin heeft het hof partijen toegelaten tot (nadere) bewijslevering. Partijen hebben over en weer aktes en een antwoordakte genomen. 2.2 Op 19 mei 2021 heeft het getuigenverhoor aan de zijde van [geïntimeerde] plaatsgevonden. Partijen hebben daarna nog memories genomen. Ten slotte hebben zij het hof gevraagd uitspraak te doen. 3De beoordeling van het hoger beroep Vertegenwoordiging 3.1 In het tussenarrest heeft het hof geoordeeld dat onder het Duitse recht naar algemene regels van uitleg moet worden beoordeeld in wiens naam iemand een wilsverklaring heeft afgelegd. Daarbij gaat het om de vraag wat een objectief verstandige geadresseerde heeft kunnen begrijpen, waarbij niet alleen de verklaring zelf, maar ook de omstandigheden van het geval van belang zijn. Als het om een objectief gezien op een onderneming betrokken zaak gaat, dan bestaat er een vermoeden voor het handelen voor die onderneming. Het gaat dus om de vraag of aan [appellante] duidelijk moest zijn dat [geïntimeerde] handelde voor een onderneming en niet voor zichzelf. 3.2 In dit kader heeft het hof de gang van zaken rond de koop samengevat. Voor de leesbaarheid van dit arrest herhaalt het hof die samenvatting. 3.3 [appellante] heeft via een kennis, ‘ [getuige1] ’, gehoord over het paard [het paard1] . Zij is vervolgens twee dagen op bezoek gegaan bij [geïntimeerde] om het paard te leren kennen en er op te rijden. [geïntimeerde] had zijn paarden staan in een pensionstal van derden. Vervolgens heeft [appellante] op 6 april 2011 aan [geïntimeerde] gemaild interesse in het paard te hebben en nog enkele vragen gesteld. Daarop heeft [geïntimeerde] per mail gereageerd op 6 april 2011 (prod. 1 bij inleidende dagvaarding). Deze mail heeft hij ondertekend met ‘ [geïntimeerde] ’. [geïntimeerde] heeft in zijn e-mails niet kenbaar gemaakt dat hij optrad namens een vennootschap. Die vennootschap staat in zijn mailadres niet genoemd en evenmin bij de ondertekening van zijn e-mails. Een schriftelijke overeenkomst is niet gesloten. Wel heeft [geïntimeerde] op 12 april 2011 (naar [appellante] ter zitting heeft verklaard: per e-mail) een factuur gestuurd met daarop bovenaan in grote zwarte letters vermeld ‘Dressurausbildung – [geïntimeerde] ’, en daaronder in zeer kleine (althans aanzienlijk kleinere) letters vermeld (zowel bovenaan als onderaan de factuur) ‘ [geïntimeerde] GmbH & Co KG – [geïntimeerde] – Waldweg 19 – (…) Iserlohn’. De betaling is vervolgens deels contant en deels per bank geschied op een bankrekening die op naam staat van ‘Dressurausbilding [geïntimeerde] ’. [appellante] heeft de factuur uitgeprint en daarboven getypt: ‘Verkäufer [geïntimeerde] bestätigt hiermit, dass er EUR 30.000,- bar empfangen hat für den Verkauf des Pferdes Florestan x Weltmeyer, Rechnung Nr. 2011-04-48’. Het hof concludeerde dat de enige omstandigheid die erop wijst dat [geïntimeerde] niet namens zichzelf optrad maar namens een vennootschap, gelegen is in de zeer kleine letters op de factuur. 3.4 Het hof heeft [geïntimeerde] in het tussenarrest vervolgens toegelaten tot het leveren van tegenbewijs tegen de stelling van [appellante] dat zij met hem in persoon heeft gecontracteerd. [geïntimeerde] had namelijk naar zijn zeggen voor de koop verklaard dat hij het paard via zijn onderneming zou verkopen. [geïntimeerde] heeft zijn standpunt na het tussenarrest schriftelijk nader toegelicht en verder één getuige laten horen, [de medewerkster] , een medewerkster. Zij heeft echter niets verklaard over wat [geïntimeerde] [appellante] wel of niet gezegd zou hebben voor de koop. Omdat [geïntimeerde] lijdt aan een chronische ziekte, is hij zelf niet komen getuigen. Verder heeft [geïntimeerde] de door hem eerder aangekondigde getuigen [getuige1] en [getuige2] niet opgeroepen. Deze twee hebben wel een verklaring opgesteld die [appellante] in het geding heeft gebracht. Daarin staat dat “der Verkäufer Herr [geïntimeerde] hat nicht über ein Unternehmen gesprochen. Er hat immer den Eindruck geweckt, dass er selbst das Pferd verkauft und dass er der Verkäufer des Pferdes wäre.” Het hof kan er daarom niet van uitgaan dat [geïntimeerde] voor de koop heeft verklaard dat hij het paard via zijn onderneming zou verkopen. 3.5 Voor de vraag of aan [appellante] duidelijk moest zijn dat [geïntimeerde] handelde voor een onderneming en niet voor zichzelf, heeft [geïntimeerde] er onder verwijzing naar het getuigenbewijs op gewezen dat zijn onderneming een professionele uitstraling heeft. Volgens hem is uit de omstandigheden voldoende kenbaar dat de transactie plaatsvond in een bedrijfsmatige context. [geïntimeerde] huurde enkele boxen op een hippisch sportcentrum, waar personeel rond liep met bedrijfsT-shirts. Op die T-shirts stond [geïntimeerde] en verder horses, sports, friends. Op de mouw stond het websiteadres www.arnderben.de . Bezoekers als [appellante] kregen een ontvangst in een ontvangstruimte en werden begeleid door personeel in bedrijfskleding. Er stonden volgens [geïntimeerde] ook paardentrailers op het terrein met de naam van het bedrijf. Het hof gaat er vanuit dat hiermee ook gedoeld is op Dressurausbilding [geïntimeerde] . De conclusie van [geïntimeerde] is dat de bedrijfsmatige uitstraling ter plaatse in combinatie met de factuur voldoende aanleiding vormde voor een objectief verstandige geadresseerde om te begrijpen dat [geïntimeerde] handelde als vertegenwoordiger van een bedrijf en niet voor zichzelf. 3.6 [geïntimeerde] heeft ook een deskundige laten horen die nog heeft verklaard over het Duitse recht in aanvulling op de eerdere stellingen van [geïntimeerde] . 3.7 In feite heeft de bewijslevering aan de gang van zaken rond de koop toegevoegd dat begeleiders van aspirant-kopers bedrijfsT-shirts droegen. De rest was al bekend of is gemotiveerd betwist door [appellante] (bijvoorbeeld dat er bedrijfstrailers stonden) en wordt ook niet door de verklaring van de getuige [de medewerkster] bevestigd. Naar het oordeel van het hof is een en ander onvoldoende om voor een objectief verstandige geadresseerde te begrijpen dat de transactie in het kader van een onderneming plaatsvond, ook als waar is dat [appellante] is ontvangen en begeleid door een persoon met een t-shirt met [geïntimeerde] erop. Het door [geïntimeerde] gestelde vermoeden voor het handelen van een onderneming is voldoende weerlegd door gang van zaken en de verklaringen van [getuige1] en [getuige2] . Dat zij ook wel eens een factuur hebben ontvangen waarop in grote letters ‘Dressurausbildung – [geïntimeerde] ’ en in kleine letters daaronder de KG stond vermeld en dat zij aan de KG hebben betaald, brengt niet mee dat de verkoop van [het paard1] door de onderneming is gedaan. Non-conformiteit 3.8 Omdat [geïntimeerde] heeft betwist dat Bieberstein destijds het paard [het paard1] na de koop heeft onderzocht, heeft het hof [appellante] toegelaten nader te bewijzen dat het inderdaad [het paard1] was die na de koop is onderzocht. [appellante] heeft recente onderzoeken van [het paard1] overgelegd (met foto’s) die een dierenarts in Tsjechië heeft verricht. Zij heeft gesteld dat de cyste in het straalbeen en het litteken van de zenuwdoorsnijding nog steeds bestaan en dat dat ook chronische aandoeningen zijn. [geïntimeerde] heeft niet betwist dat de (röntgen)foto’s in dat rapport over [het paard1] gaan. 3.9 Het verweer van [geïntimeerde] ziet voornamelijk (ook) op de verschillende identificatienummers en namen die de dierenartsen noemen.. Als het hof een en ander op een rijtje zet, dan leidt dat tot het volgende resultaat:- factuur van 12 april 2011: Florestan – Weltmeyer (zonder identificatiekenmerken);- rapport Nas van 8 april 2011: [het paard1] , DE [nummer1] , studbook [nummer2] microchip [nummer3] , age 10 years, pedigree Florestan x Weltmeyer;- rapport Bieberstein van 19 september 2011: den Wallach “ [het paard2] ”(Warmblut, Wa. 2001);- rapport Boerman van 26 september 2011:Op donderdag 22 september 2011 heeft u mij een aantal röntgenfoto's gestuurd met de printgegevens [het paard1] , ID [nummer3] , acc [nummer2] , gemaakt in DAP Bemmel op 8 april
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.