GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden afdeling civiel recht, handel zaaknummer gerechtshof 200.262.129/01 (zaaknummer rechtbank Overijssel 216956) arrest van 22 maart 2022 in de zaak van 1 [appellante1] , wonende te [woonplaats1] , 2. [appellante2] , wonende te [woonplaats2] , 3. [appellant3] , wonende te [woonplaats2] , 4. [appellante4] , wonende te [woonplaats3] , 5. [appellant5] , wonende te [woonplaats2] , appellanten in het principaal hoger beroep, geïntimeerden in het (deels voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep, in eerste aanleg: eisers in conventie en verweerders in reconventie, hierna gezamenlijk te noemen: [appellanten] c.s., advocaat: mr. O. Surquin, kantoorhoudend te Arnhem, tegen [geïntimeerde] , wonende te [woonplaats4] , geïntimeerde in het principaal hoger beroep, appellante in het (deels voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep, in eerste aanleg: gedaagde in conventie en eiseres in reconventie, hierna: [geïntimeerde], advocaat: mr. R.W. van Voorst Vader, kantoorhoudend te Terneuzen. 1Het verdere verloop van het geding in hoger beroep 1.1 Het hof verwijst voor het verloop van het geding tot nu toe naar het arrest van 30 juni 2020. Daarbij is een mondelinge behandeling van de zaak bepaald. Deze heeft, uiteindelijk, plaats gevonden op 22 februari 2022. Van die behandeling is een verslag (proces-verbaal) opgemaakt. Dat maakt deel uit van de processtukken. 1.2 Aan het slot van de mondelinge behandeling hebben partijen arrest gevraagd. De uitspraak daarvan is bepaald op vandaag. 2Waar gaat deze zaak over? 2.1 [appellanten] c.s. stellen meerdere malen geld geleend te hebben aan [geïntimeerde] en haar (inmiddels ex-)echtgenoot ( [de ex-echtgenoot] ). Zij willen dat deze leningen worden terugbetaald en hebben daartoe een vordering ingesteld tegen [de ex-echtgenoot] en [geïntimeerde] . 2.2 Rechtbank Overijssel heeft in die procedure op 7 november 2018 eindvonnis gewezen. Daarbij zijn de vorderingen tegen de niet verschenen [de ex-echtgenoot] toegewezen. De vorderingen tegen [geïntimeerde] zijn deels toegewezen en deels afgewezen. 2.3 [appellanten] c.s. zijn van dit vonnis in hoger beroep gekomen. Zij vorderen dat het vonnis wordt vernietigd voor zover tegen [geïntimeerde] gewezen en dat alsnog al hun vorderingen integraal worden toegewezen. [geïntimeerde] vordert in het door haar ingestelde (voorwaardelijke) incidenteel hoger beroep dat de vorderingen tegen haar alsnog alle worden afgewezen. [geïntimeerde] heeft ook nog twee incidentele vorderingen aanhangig gemaakt. In het eerste incident (schorsing executie) is de vordering afgewezen, maar moet nog wel over de kosten ervan beslist worden. In het andere incident (uitleveren stukken, artikel 843a Rv) moet nog beslist worden. In het dictum van het tussenarrest van 28 april 2020 staat weliswaar dat deze incidentele vordering is afgewezen, maar dat is een evidente vergissing, blijkend uit het feit dat in de overwegingen 5.1 tot en met 5.4 nu juist gemotiveerd is dat op dat incident tegelijk met het eindarrest moet worden beslist. 2.4 Het hof komt tot de conclusie dat op één onderdeel van het geschil bewijslevering nodig is voordat beslist kan worden. Partijen mogen zich daarover uitlaten. In afwachting daarvan wordt iedere verdere beslissing aangehouden. Hierna wordt uitgelegd waarom zo beslist wordt. 2.5 Waar dit de duidelijkheid ten goede komt zullen [appellanten] c.s. individueel met hun voornaam worden aangeduid ( [appellante1] , [appellante2] , [appellant3] , [appellante4] , [appellant5] ). Dat geldt ook voor [de ex-echtgenoot] , de ex-echtgenoot van [geïntimeerde] . Aan de kant van [appellanten] c.s. traden bij de rechtbank ook nog als eisers op vier andere leden van de familie [appellanten] ( [naam1] , [naam2] , [naam3] en [naam4] ) samen met een vriend, [naam5] . Deze vijf personen komen hierna nog ter sprake en worden daar gezamenlijk aangeduid als [namen1 t/m 5] c.s. en individueel met de voornaam. 3De feiten 3.1 [de ex-echtgenoot] was van [---] 2003 tot [---] 2015 gehuwd met [geïntimeerde] . 3.2 De vader van [de ex-echtgenoot] , [appellante1] , [appellante2] , [appellant3] , [naam1] , [naam2] , [naam3] en [naam4] was [de erflater] . Hij is overleden [in] 2012 en wordt hierna aangeduid als ‘erflater’. Erfgenamen waren [de ex-echtgenoot] , [appellante1] , [appellante2] , [appellant3] , [naam1] , [naam2] , [naam3] en [naam4] . Ieder van hen was voor 1/8ste deel gerechtigd tot de nalatenschap. 3.3 Op 12 november 2008 is door [de ex-echtgenoot] en [geïntimeerde] een schuldbekentenis ondertekend. Daarin staat dat erflater in de jaren 2007 en 2008 meerdere malen geldbedragen heeft geleend aan [de ex-echtgenoot] . Inclusief rente telde dat op tot € 90.000,-. [geïntimeerde] verklaart in deze schuldbekentenis dit bedrag schuldig te zijn aan erflater. 3.4 Op 3 april 2011 is door [de ex-echtgenoot] en [geïntimeerde] een schuldbekentenis ondertekend. Daarin staat dat [appellante1] in de jaren 2008 tot en met 2011 meerdere malen geldbedragen heeft geleend aan [de ex-echtgenoot] tot een totaal van € 125.000,-. [geïntimeerde] verklaart in deze schuldbekentenis dit bedrag schuldig te zijn aan [appellante1] , te vermeerderen met de daarover verschuldigde rente. 4Wat is het oordeel van het hof? Inleiding 4.1 [appellanten] c.s. hebben hun bezwaren (het ‘principaal hoger beroep’) tegen het vonnis van de rechtbank vervat in zeven grieven en deze voorzien van een toelichting. Die grieven zullen hierna op basis van de daarin aan de orde gestelde thema’s worden besproken. 4.2 [geïntimeerde] heeft haar bezwaren (het ‘incidenteel hoger beroep’) tegen het vonnis van de rechtbank vervat in tien grieven en deze voorzien van een toelichting. De grieven 2 t/m 10 zijn afhankelijk gesteld van de voorwaarde dat grief 1 in het incidenteel appel niet slaagt. Ook die grieven zullen hierna op basis van de daarin aan de orde gestelde thema’s worden besproken. 4.3 Voorafgaand aan de bespreking van de grieven wordt nog stil gestaan bij een enkel ander aspect van de zaak. Procespartijen in hoger beroep 4.4 Bij de rechtbank is de vordering tegen [de ex-echtgenoot] en [geïntimeerde] aanhangig gemaakt door tien eisers. Van die tien hebben er vijf ( [appellanten] c.s.) hoger beroep ingesteld (het ‘principaal hoger beroep’). De andere vijf eisers ( [namen1 t/m 5] c.s.) hebben dat niet gedaan. Ook (gedaagde) [de ex-echtgenoot] heeft geen hoger beroep ingesteld. Gevolg was dat het principaal hoger beroep als partijen kent [appellanten] c.s. aan de ene kant (appellanten) en [geïntimeerde] aan de andere kant (geïntimeerde). 4.5 In dat aanhangige hoger beroep heeft [geïntimeerde] ook hoger beroep ingesteld (het ‘incidenteel hoger beroep’). Als haar wederpartij in dat incidenteel hoger beroep merkt zij aan [appellanten] c.s. én [namen1 t/m 5] c.s. Wat [appellanten] c.s. betreft is dat geen probleem: zij waren immers zelf reeds in hoger beroep gekomen. In een dergelijk geval heeft de gedaagde in hoger beroep ( [geïntimeerde] ) het recht incidenteel hoger beroep in te stellen (artikel 339 lid 3 Rv). 4.6 Met betrekking tot [namen1 t/m 5] c.s. ligt het anders. Het incidenteel hoger beroep kan zich enkel richten tegen een partij die hoger beroep heeft ingesteld. Het kan zich niet richten tegen een partij die niet in hoger beroep is betrokken. Een partij die zelf geen hoger beroep heeft ingesteld tegen een andere partij moet er namelijk na afloop van de beroepstermijn vanuit mogen gaan dat die andere partij ook geen hoger beroep meer tegen haar kan instellen. 4.7 Indien sprake is van een processueel ondeelbare rechtsverhouding ligt dit anders. In een dergelijk geval moeten alle daarbij betrokken partijen in het geding worden opgeroepen, desnoods op ambtshalve instructie van de rechter. Dát van een dergelijke verhouding sprake is en dat [namen1 t/m 5] c.s. om die reden moeten worden opgeroepen heeft [geïntimeerde] niet gesteld. Daarvan is ook niet gebleken. Weliswaar is onderdeel van de door [naam1] , [naam2] , [naam3] en [naam4] ingestelde vordering het hun toekomende erfdeel, maar in dit geding is niet de verdeling van de nalatenschap aan de orde. Die nalatenschap is al verdeeld. Dat is ter zitting in hoger beroep uitdrukkelijk verklaard door [appellanten] c.s. en uit de wijze waarop de vordering aanhangig is gemaakt blijkt ook dat die verdeling geen inzet van dit geschil is. Het gaat er om dat [geïntimeerde] , in de visie van [appellanten] c.s., een bedrag overeenkomend met de verdeelde vordering aan ieder van hen moet betalen. In deze zaak is dus niet aan de orde een rechtsverhouding waarbij het rechtens noodzakelijk is dat een beslissing daarover ten aanzien van alle betrokkenen in dezelfde zin luidt. Er is dan ook geen reden [naam1] , [naam2] , [naam3] en [naam4] alsnog op te roepen als partij in het geding (artikel 118 Rv). 4.8 Met haar grieven 6 tot en met 10 in het incidenteel hoger beroep richt [geïntimeerde] zich tegen de beslissingen van de rechtbank over de vorderingen van [namen1 t/m 5] c.s. Waar [namen1 t/m 5] c.s., zoals hiervoor uiteengezet, geen partij zijn in dit hoger beroep kunnen deze grieven niet inhoudelijk worden beoordeeld. Op die grond slagen zij niet. Wijziging van eis 4.9 [appellanten] c.s. hebben hun eis gewijzigd. Voor zover hun eis daarbij is verminderd geldt dat dit te allen tijde is toegestaan. Voor zover hun eis daarbij is vermeerderd geldt dat dit tijdig is gedaan, namelijk bij het eerste processtuk in hoger beroep (de memorie van grieven) en dat van strijd met de goede procesorde geen sprake is. Recht wordt daarom gedaan op basis van de gewijzigde eis. Bevoegde rechter en toepasselijk recht 4.10 Deze zaak kent internationale aspecten omdat [geïntimeerde] in Roemenië woont. De rechtbank heeft zich, impliciet, terecht bevoegd geacht kennis te nemen van het geschil. In eerste aanleg was sprake van twee verweerders: [de ex-echtgenoot] en [geïntimeerde] . [de ex-echtgenoot] woont in [woonplaats1] . Dat maakte rechtbank Overijssel bevoegd. De vordering tegen [geïntimeerde] is nauw verbonden met die tegen [de ex-echtgenoot] omdat deze (primair) gebaseerd is op hetzelfde feitencomplex, te weten gestelde leningen en op grond daarvan bestaande terugbetalingsverplichtingen. Artikel 8 aanhef en sub 1 van Brussel I bis maakt mogelijk dat een buitenlandse partij ( [geïntimeerde] ) in een dergelijk geval wordt gedagvaard voor dezelfde rechter als die voor welke de mede-gedaagde ( [de ex-echtgenoot] ) wordt gedagvaard. 4.11 Partijen hebben op hun stellingen en weren bij de rechtbank, impliciet, Nederlands recht toepasselijk geacht, de rechtbank heeft, impliciet, recht gedaan op basis van Nederlands recht en in hoger beroep zijn partijen, opnieuw impliciet, uitgegaan van de toepasselijkheid van Nederlands recht. Uit deze omstandigheden blijkt van hun keuze voor de toepasselijkheid van Nederlands recht (artikel 3 lid 1 Rome I). Bovendien is het zo dat gestelde overeenkomsten van geldlening alle gesloten zijn in Nederland en dat betaling heeft plaats gevonden op Nederlandse bankrekeningen. Deze overeenkomsten hebben daarom een nauwere band met Nederland dan met Roemenië (artikel 4 lid 3 Rome I). Ook daarom is Nederlands recht van toepassing. Verjaring 4.12 Volgens (grief 1 van) [geïntimeerde] zijn de vorderingen van [appellanten] c.s. alle verjaard. Zij voert aan dat [appellanten] c.s. hun vorderingen baseren op overgelegde schuldbekentenissen die gedateerd zijn op 12 november 2008 (erflater), 3 april 2011 ( [appellante1] ), 30 augustus 2012 ( [appellante2] ), 1 februari 2013 ( [appellant3] ) en 28 oktober 2012 ( [appellante4] ). De verjaringstermijn bedraagt volgens [geïntimeerde] vijf jaren (artikel 3:308 BW), van stuiting van die termijn is nooit sprake geweest en opeising vond voor het eerst plaats op 16 april 2018, zijnde de datum van dagvaarding in eerste aanleg. Toen was de vijfjaarstermijn echter verstreken, aldus [geïntimeerde] . De hoofdsommen 4.13 De vorderingen van [appellanten] c.s. strekken (primair) tot nakoming van de overeenkomsten van geldlening tussen erflater en hen enerzijds en [geïntimeerde] (en [de ex-echtgenoot] ) anderzijds in die zin dat de verschuldigde hoofdsommen moeten worden terugbetaald. In artikel 3:307 lid 1 BW is bepaald dat dergelijke rechtsvorderingen verjaren door verloop van vijf jaar nadat deze opeisbaar zijn geworden. Als het echter gaat om verbintenissen tot nakoming na onbepaalde tijd begint de verjaringstermijn pas te lopen nadat de schuldeiser heeft meegedeeld tot opeising over te gaan (artikel 3:307 lid 2 BW). 4.14 Afgezien van het feit dat [geïntimeerde] haar verweer (ook) ten aanzien van de verschuldigde hoofdsommen baseert op het hier niet toepasselijke artikel 3:308 BW geldt dat zij er kennelijk vanuit gaat dat de data waarop de diverse schuldbekentenissen zijn getekend de data zijn waarop de leningen zijn opgeëist. In de diverse schuldbekentenissen staat echter niet dat deze per datum ondertekening of andere datum worden opgeëist. Veeleer is sprake van een verbintenis tot nakoming na onbepaalde tijd nu in de schuldbekentenissen telkens staat dat de geleende gelden ‘zo mogelijk in de loop van 2009 dan wel 2010 of uiterlijk ultimo 2011 (deels of volledig)’ (erflater) dan wel ‘zo spoedig mogelijk’ ( [appellante1] , [appellante2] , [appellant3] en [appellante4] ) moeten worden terugbetaald. Dat opeising op enig moment na datum ondertekening schuldbekentenissen (maar voor 16 april 2018) heeft plaats gevonden is door [geïntimeerde] niet gesteld. Dat betekent dat ervan uit moet worden gegaan dat [appellanten] c.s. pas op 16 april 2018 hebben meegedeeld tot opeising over te gaan. Pas toen nam de verjaringstermijn dus een aanvang en meteen op die dag werd ook gedagvaard. Daarop strandt het verjaringsverweer ten aanzien van de hoofdsommen. De rente 4.15 Voor de overeengekomen rente geldt wél het regiem van artikel 3:308 BW. Vorderingen tot betaling van rente verjaren volgens die bepaling na verloop van vijf jaren na opeisbaarheid daarvan. Nu een datum van opeisbaarheid niet is bepaald geldt de hoofdregel van artikel 6:38 BW: onmiddellijke opeisbaarheid. Vorderingen tot betaling van rente voorafgaand aan 16 april 2013 (vijf jaren vóór datum dagvaarding in eerste aanleg) zijn dus in beginsel verjaard, die van daarna niet. 4.16 [appellanten] c.s. hebben aangevoerd dat [geïntimeerde] de (rente)vorderingen tijdens de procedure (dus: na 16 april 2018) uitdrukkelijk heeft erkend en dat die erkenning aan een beroep op verjaring in de weg staat. Wat daarvan verder ook zij, dat verweer is niet van belang omdat hiervoor al werd overwogen dat rentevorderingen van na 16 april 2013 niet zijn verjaard en de gestelde stuiting zeker niet tot vóór die datum zou kunnen terugwerken. 4.17 Ook is door [appellanten] c.s. aangevoerd dat de (rente)vorderingen op andere momenten uitdrukkelijk zijn erkend (met stuiting tot gevolg), maar wat betreft [appellante1] , [appellante2] , [appellante4] en [appellant5] is niet onderbouwd op welke moment dat dan was. Voor [appellant3] is wel onderbouwing gegeven met verwijzing naar de e-mailcorrespondentie die als productie 12 bij memorie van grieven is overgelegd. [geïntimeerde] heeft betwist van die correspondentie destijds kennis te hebben gekregen en uit de correspondentie blijkt ook niet anders dan van een mailwisseling tussen [appellant3] en [de ex-echtgenoot] . Van deelname van [geïntimeerde] daaraan blijkt niets en [appellant3] heeft ook niet gesteld, laat staan onderbouwd, dat [geïntimeerde] hetzelfde e-mailadres als [de ex-echtgenoot] gebruikte. Het verweer van [appellant3] is dan ook onvoldoende onderbouwd. 4.18 De conclusie op dit onderdeel is dat rentevorderingen van vóór 16 april 2013 zijn verjaard en grief 1 van [geïntimeerde] in zoverre slaagt, de rentevorderingen van daarna niet. De voorwaarde waaronder de overige grieven in het incidenteel appel zijn ingesteld is daarmee vervuld, zodat het hof ook die grieven hierna zal behandelen. De vorderingen 4.19 De grieven 1 tot en met 7 van [appellanten] c.s. en de grieven 2 tot en met 5 van [geïntimeerde] stellen aan de orde de vraag of [geïntimeerde] gehouden is tot betaling van enig bedrag aan [appellanten] c.s. Om die vraag te beantwoorden zal eerst onderzocht worden of [geïntimeerde] (al dan niet samen met [de ex-echtgenoot] ) bedragen heeft ontvangen en, zo ja, welke bedragen. Van ontvangen bedragen wordt daarna bezien of deze zijn verstrekt als lening of dat deze, als daarvan geen sprake is, moeten worden aangemerkt als onverschuldigd betaald dan wel of [geïntimeerde] daarmee ongerechtvaardigd verrijkt is of dat zij profiteert van de wanprestatie van [de ex-echtgenoot] . Daarna wordt onderzocht of reeds bedragen zijn terugbetaald. De schuldbekentenissen 4.20 [geïntimeerde] heeft erkend de schuldbekentenis van 12 november 2008 (productie 1 bij dagvaarding) te hebben ondertekend. Uit die schuldbekentenis blijkt dat zij jegens erflater als verschuldigd erkent een bedrag van in totaal € 90.000,-. Op basis daarvan is zij gehouden tot terugbetaling van dat bedrag, vermeerderd met rente, voor zover niet verjaard, en minus eventuele aflossingen. 4.21 [geïntimeerde] heeft ook erkend de schuldbekentenis van 3 april 2011 (productie 2 bij dagvaarding) te hebben ondertekend. Daaruit blijkt dat zij jegens [appellante1] als verschuldigd erkent een hoofdsom van € 125.000,- vermeerderd met rente. Op basis daarvan is zij gehouden tot terugbetaling van die hoofdsom, vermeerderd met rente, voor zover niet verjaard, en minus eventuele aflossingen. 4.22 De vorderingen van [appellante2] , [appellant3] en [appellante4] zijn (deels) gebaseerd op de schuldbekentenissen die als productie 3 ( [appellante2] ) respectievelijk 4 ( [appellant3] ) en 5 ( [appellante4] ) bij dagvaarding zijn overgelegd. De rechtbank heeft (in overweging 3.8) geoordeeld dat gesteld noch gebleken is dat [geïntimeerde] deze schuldbekentenissen heeft getekend. 4.23 Voor wat [appellante2] betreft is de ondertekening van geen belang. De schuldbekentenis ziet op een bedrag van € 2.500,-. Dat bedrag is volgens [appellante2] zelf (memorie van grieven sub 38) terugbetaald. Al zou de schuldbekentenis ook door [geïntimeerde] zijn getekend, dan zou de daarin vastgelegde vordering door de terugbetaling teniet zijn gegaan. Op basis van de schuldbekentenis is [geïntimeerde] dus niets (meer) verschuldigd. 4.24 Door [appellant3] is erkend dat de schuldbekentenis niet door [geïntimeerde] is ondertekend. De boven de naam van [geïntimeerde] geplaatste handtekening is door [de ex-echtgenoot] gezet. Volgens [appellant3] is dat gebeurd met toestemming van [geïntimeerde] . Ter onderbouwing stelt hij dat [geïntimeerde] ook eerder al overeenkomsten heeft getekend. [geïntimeerde] betwist dat echter gemotiveerd. Het enkele feit dat, indien juist, eerder een of meerdere overeenkomsten zijn getekend levert, in het licht van de gemotiveerde weerspreking daarvan door [geïntimeerde] , niet een voldoende onderbouwing op van de stelling dat de schuldbekentenis van 1 februari 2013 mede namens [geïntimeerde] is ondertekend. Het bewijsaanbod van [appellant3] ziet bovendien op deze eerdere overeenkomsten en is om die reden niet ter zake dienend. De schuldbekentenis van 1 februari 2013 kan dus geen basis zijn voor toewijzing van de vordering van [appellant3] . 4.25 [appellante4] heeft in hoger beroep niet betoogd dat, anders dan de rechtbank oordeelde, [geïntimeerde] de schuldbekentenis wel degelijk getekend heeft. Zij heeft evenmin gesteld of te bewijzen aangeboden dat de handtekening boven de naam van [geïntimeerde] is gezet door een derde ( [de ex-echtgenoot] ?) met instemming van [geïntimeerde] . Indien zij al beoogd heeft het oordeel van de rechtbank op dit onderdeel te bestrijden, is dat onvoldoende onderbouwd gedaan, terwijl van een specifiek en ter zake dienend bewijsaanbod geen sprake is. De schuldbekentenis kan dus ook in haar geval niet dienen als basis voor toewijzing van de vordering. Betalingen zonder (bruikbare) schuldbekentenis 4.26 Door [appellanten] c.s. is het standpunt ingenomen dat meer geld verstrekt is aan ( [de ex-echtgenoot]
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.