GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden afdeling civiel recht, handel zaaknummer gerechtshof 200.283.326/01 (zaaknummer rechtbank Overijssel locatie Zwolle 236596) arrest van 5 april 2022 in de zaak van Smid & Hollander Dakbouw B.V., gevestigd in De Meern, appellante, bij de rechtbank: eiseres in conventie, verweerster in reconventie, hierna: S&H, advocaat: mr. H.J.G.M. te Woerd, tegen [geïntimeerde] , die woont in [woonplaats] , geïntimeerde, bij de rechtbank: gedaagde in conventie, eiser in reconventie, hierna: [geïntimeerde], advocaat: mr. E.J. Luursema. 1Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep 1.1 Bij tussenarrest van 6 april 2021 is een mondelinge behandeling bepaald. Van die mondelinge behandeling op 23 februari 2022 is proces-verbaal opgemaakt. 1.2 Partijen hebben arrest gevraagd op de voor de mondelinge behandeling overgelegde stukken, aangevuld met het proces-verbaal. Het hof heeft een datum voor arrest bepaald, welke datum daarna is vervroegd. 2Waar gaat deze procedure over? 2.1 S&H vordert dat [geïntimeerde] wordt veroordeeld tot betaling aan haar van een bedrag, dat inmiddels in hoger beroep is verhoogd tot € 132.725,71. Dat is de schade die zij stelt te hebben geleden doordat [geïntimeerde] toerekenbaar is tekort gekomen in de nakoming van contractuele verplichtingen of onrechtmatig heeft gehandeld. Ook beroept S&H zich op ongerechtvaardigde verrijking. 2.2 De rechtbank heeft deze vordering, die toen nog € 36.451,42 inclusief btw bedroeg, afgewezen omdat S&H niet had voldaan aan haar stelplicht. S&H is het daarmee niet eens. Haar standpunt heeft zij in hoger beroep verwoord in zes bezwaren (“grieven”) en daarbij heeft zij haar inmiddels hogere vordering nader toegelicht. 3Het oordeel van het hof 3.1 Het hof kan nog niet tot een eindbeslissing komen. S&H dient [geïntimeerde] te voorzien van bepaalde schriftelijke informatie zodat hij het door hem gevoerd “bevrijdend verweer” nader kan onderbouwen. Ook mogen partijen zich op onderdelen nader uitlaten en zullen zij gelegenheid krijgen voor het leveren van concreet aangeboden bewijs, zoals het hof hierna zal toelichten. 3.2 Daartoe zal het hof eerst de van belang zijnde feiten vaststellen en daarna de aangevoerde contractuele en buitencontractuele grondslagen voor de vordering bespreken. Vervolgens zal het hof bezien welke projecten, gelet op het daarvoor aangevoerde, relevant kunnen zijn voor de gevorderde schadevergoeding en wat daarvoor eventueel nog vereist is. Daarmee worden de grieven 1 tot en met 4 gezamenlijk behandeld. de feiten 3.3 [geïntimeerde] is in 2010 in dienst gekomen bij S&H. Eind 2012 hebben [geïntimeerde] en zijn collega [naam1] het dakdekkersbedrijf overgenomen en zijn zij allebei via hun holding middellijk bestuurder geworden. [geïntimeerde] verrichtte taken als bedrijfsleider en [naam1] als hoofduitvoerder/planner. 3.4 Omdat S&H kapitaal nodig had, hebben [geïntimeerde] en [naam1] op 21 juni 2017 samen 30% van de aandelen verkocht aan Jacobs Holding B.V. waarvan [naam2] de bestuurder is. Bij de toen opgemaakte schriftelijke aandeelhoudersovereenkomst is ook S&H partij. Artikel 11 van die overeenkomst luidt, voor zover van belang: Artikel 11 - Non-concurrentie-/relatie-/non-wervingsbeding 11.1 Gedurende de looptijd van deze Overeenkomst en voor de periode van 10 jaren (zegge: tien jaren) na de beëindiging van deze Overeenkomst is het [geïntimeerde] en [naam1] verboden om zonder voorafgaande schriftelijke ondubbelzinnige toestemming van Jacobs: i. op enigerlei wijze, direct of indirect, al dan niet tegen betaling, werkzaam of betrokken te zijn bij enige persoon, instelling, vennootschap of onderneming die concurrerende, soortgelijke of aanverwante activiteiten ontplooit als de Vennootschap, dan wel daarin of daarbij enig belang te hebben. ii. op enigerlei wijze, direct of indirect zakelijke contacten te onderhouden met enige persoon, instelling, vennootschap of onderneming, waarmee de Vennootschap gedurende de laatste 5 jaren c.q. gedurende de laatste 5 jaren voorafgaande aan het einde van deze Overeenkomst op enigerlei wijze zakelijk contact heeft gehad. 3.5 Op 22 mei 2018 heeft Jacobs Holding de resterende 70% van de aandelen in S&H overgenomen waarna S&H met [naam1] en [geïntimeerde] arbeidsovereenkomsten heeft gesloten. [geïntimeerde] trad op 23 mei 2018 in dienst als statutair directeur. In zijn arbeidsovereenkomst is een concurrentiebeding en een nevenwerkzaamhedenbeding opgenomen. Op 26 mei 2018 heeft [geïntimeerde] proeftijdontslag gekregen, waarin hij heeft berust. 3.6 [naam1] is in de loop van januari 2021 overleden. 3.7 Vanaf 2019 ontving S&H enkele klachten of reparatieverzoeken van personen die een beroep deden op door S&H verstrekte garantie, maar die niet in haar klantensysteem voorkwamen. Met een factuur van 26 februari 2019 heeft S&H aan [geïntimeerde] een bedrag van € 36.451,42 inclusief btw in rekening gebracht voor “onderhands betaald werk wat contant is verkregen.” [geïntimeerde] heeft deze factuur betwist. 3.8 S&H heeft, met daartoe verkregen verlof van de voorzieningenrechter, in aanvulling op een eerder door haar gelegd conservatoir beslag op de woning van [geïntimeerde] in [woonplaats] een tweede beslag op de woning gelegd voor deze vordering. 3.9 [geïntimeerde] heeft erkend dat hij en [naam1] als bestuurders van S&H hebben toegestaan dat hun personeel buiten de onderneming om kleine werken ‘zwart’ aan mocht nemen. De vraag naar zwart werk ontstond meestal doordat de klant een offerte van S&H te hoog vond en bij de werknemer die de offerte besprak om een lagere prijs vroeg. Die werknemer deelde dat dan aan [geïntimeerde] en/of [naam1] mee, waarna zo’n verzoek ‘in de groep gegooid’ werd en kon worden beslist of die klus zo mocht worden uitgevoerd. Personeel kon materiaal inkopen via de groothandels waarvan S&H ook goederen betrok en diende de aan S&H geadresseerde factuur te betalen. Ook was toegestaan dat werknemers bij dergelijke privéklussen in hun vrije tijd bedrijfsvoertuigen gebruikten. de aangevoerde contractuele grondslagen 3.10 In de memorie van grieven in hoger beroep heeft S&H haar stelling dat [geïntimeerde] tekort is geschoten in de nakoming van zijn contractuele verplichtingen in die zin concreter gemaakt, dat zij aanvoert dat [geïntimeerde] heeft gehandeld in strijd met een managementovereenkomst en/of statuten, de aandeelhoudersovereenkomst en later zijn arbeidsovereenkomst. S&H heeft echter niet toegelicht welke bepaling in de gestelde managementovereenkomst, die bovendien ook niet in geding is gebracht, zou zijn overtreden. Datzelfde geldt voor het beroep op statuten (voor zover die al contractuele verplichtingen op [geïntimeerde] hebben gelegd). [geïntimeerde] heeft dan ook terecht aangevoerd dat hij zich hiertegen niet kan verdedigen. Het hof gaat aan deze twee grondslagen voorbij. Dat S&H de handelwijze van [geïntimeerde] ook zonder schending van een expliciete schriftelijke bepaling naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar vindt (memorie van grieven nummer 16) leidt niet tot een ander oordeel. 3.11 Ook heeft S&H tijdens de mondelinge behandeling onder ogen gezien dat zij geen tekortkoming kan aanwijzen die zich heeft voorgedaan tijdens de uiterst beperkte duur van de arbeidsovereenkomst, zodat ook die grondslag faalt. 3.12 Daarmee resteert als contractuele grondslag de aandeelhoudersovereenkomst van 21 juni 2017 die onder meer betrokkenheid verbiedt bij personen die soortgelijke activiteiten verrichten als S&H. [geïntimeerde] betwist dat S&H een beroep toekomt op dit verbod, maar het hof verwerpt dat verweer. S&H is partij bij de bewuste overeenkomst en uit niets blijkt dat partijen zijn overeengekomen dat S&H op het beding in artikel 11 geen beroep mag doen tegenover [geïntimeerde] . Dat volgt ook niet uit het enkele feit dat alleen met schriftelijke toestemming van de derde aandeelhouder mag worden afgeweken van het beding. [geïntimeerde] voert ook aan dat artikel 11 hem wel verbiedt om bij een concurrerende (rechts)persoon werkzaam te zijn, maar niet verbiedt nevenwerkzaamheden te hebben of concurrerende handelingen te verrichten. Bij de uitleg van een schriftelijk beding komt het niet alleen aan op de taalkundige betekenis, maar moet ook worden gekeken naar wat partijen over en weer hebben verklaard en wat zij redelijkerwijs uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben mogen afleiden. Niet is gebleken dat over de inhoud van dit beding is onderhandeld. Het bewuste artikel bevat geen algeheel verbod op nevenactiviteiten, maar verbiedt, gelet op de bewoordingen, onder meer betrokkenheid bij derden die soortgelijke activiteiten verrichten als S&H. In die zin is het [geïntimeerde] dus wel verboden om op enige manier concurrerende handelingen te verrichten of daarbij betrokken te zijn. Dat betekent dat het hof inhoudelijk zal toetsen of [geïntimeerde] op een met dat verbod strijdige wijze betrokken was bij door S&H vermelde projecten die vanaf 21 juni 2017 zijn uitgevoerd, voor zover S&H daarvoor schadevergoeding claimt. Van verboden betrokkenheid is óók sprake indien [geïntimeerde] ten koste van S&H heeft gefaciliteerd dat werknemers voor eigen rekening (zwart) werkzaamheden konden verrichten, bijvoorbeeld door hun toe te staan dit soort werkzaamheden in werktijd te verrichten. Volgens [geïntimeerde] was daarvan geen sprake en namen werknemers altijd vakantiedagen/overuren op voor hun eigen werkzaamheden. S&H heeft dit betwist. de aangevoerde buitencontractuele grondslagen 3.13 Tijdens de mondelinge behandeling heeft S&H voor het eerst een beroep gedaan op artikel 2:9 BW dat gaat over (interne) bestuurdersaansprakelijkheid. Dit beroep is, gelet op de zogenoemde tweeconclusieregel, te laat gedaan en wordt daarom buiten beschouwing gelaten. Gesteld noch gebleken is dat er reden is voor een uitzondering op die regel. 3.14 S&H stelt (onder nummer 3 van haar memorie van grieven) in hoger beroep dat [geïntimeerde] voorafgaand aan 21 juni 2017, de datum waarop de aandeelhoudersovereenkomst is gesloten, onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld. Hij heeft voor eigen gewin zaken gedaan met derden in dezelfde branche als S&H en daarbij kunstgrepen en bedrog gebruikt zodat hij de lusten (opbrengst) had en S&H de lasten. Hij heeft haar onrechtmatig concurrentie aangedaan door stelselmatig en substantieel het duurzame bedrijfsdebiet van S&H af te breken. Verderop (onder nummer 18) stelt S&H dat [geïntimeerde] haar en de ‘parallelle klanten’ heeft misleid door te doen alsof S&H in plaats van [geïntimeerde] partij was. Hij hield de transacties buiten de administratie van S&H en ontdook aldus belasting en sociale premies. Met op naam van S&H gestelde garantieaanspraken liep S&H daarvoor het garantierisico dat zich in diverse gevallen heeft verwezenlijkt. 3.15 Verder vindt S&H dat haar beroep op ongerechtvaardigde verrijking ten onrechte is afgewezen. Het hof zal bespreking van deze grondslag aanhouden tot het eindarrest. 3.16 [geïntimeerde] heeft betwist dat hij onrechtmatig en voor eigen gewin heeft gehandeld. Hij heeft geld dat hij ontving, maar dat S&H toekwam, aan haar afgedragen. Van onrechtmatige concurrentie was geen sprake. Het ging om klussen waarvoor de klant de offerte van S&H geweigerd had en die dus hoe dan ook naar een ander zouden gaan. Zelf verrichtte hij die klussen niet. [naam1] was het eens met de onder 3.9 erkende werkwijze waardoor werknemers in eigen tijd en buiten S&H om het niet aan S&H gegunde werk konden doen en de bestuurders hebben elkaar steeds over en weer decharge verleend. 3.17 Het hof oordeelt dat met de onder 3.9 beschreven werkwijze geen sprake is van het stelselmatig afbreken van duurzaam bedrijfsdebiet van S&H door [geïntimeerde] . S&H heeft niet gewezen op concrete gedragingen van [geïntimeerde] die voldoen aan deze omschrijving van oneerlijke concurrentie door [geïntimeerde] tegenover wat destijds zijn en [naam1] eigen onderneming was. Volgens de spreekaantekeningen met verwijzing naar vindplaatsen zou [geïntimeerde] hebben erkend dat hij buiten S&H om offertes heeft uitgebracht. Dat is niet juist. [geïntimeerde] heeft gesteld dat hij voor S&H een offerte heeft uitgebracht, waarop de klant niet is ingegaan. Dat [geïntimeerde] klanten zou hebben misleid is niet onderbouwd gesteld door S&H, laat staan dat zij dit verwijt laat uitmonden in een schadepost. De onder 3.9 beschreven werkwijze roept vragen op over de fiscale toelaatbaarheid en moraliteit, maar het toestaan van zwart werk door werknemers in hun vrije tijd vóór 21 juni 2017 is op zichzelf niet onrechtmatig tegenover S&H. Wel onrechtmatig is het, wanneer [geïntimeerde] geld voor S&H ontvangen zou hebben dat hij vervolgens niet heeft afgedragen. Ook heeft [geïntimeerde] onrechtmatig tegenover S&H gehandeld wanneer hij op niet aan S&H gegund werk garantie heeft verstrekt op naam van S&H. Hij is schadeplichtig indien daardoor voor S&H schade ontstaat. 3.18 Het hof zal hierna per project beoordelen of sprake is van aansprakelijkheid van [geïntimeerde] voor schade en of nog nadere bewijshandelingen nodig zijn. Daarbij geldt dat, gelet op wat hiervoor is overwogen, voor projecten die zijn uitgevoerd vóór 21 juni 2017 alleen een buitencontractuele grond voor aansprakelijkheid kan gelden. project 1 (Delfzijl) 3.19 Dit project is uitgevoerd na 21 juni 2017. [geïntimeerde] erkent dat dit werk is uitgevoerd door werknemers van S&H, naar zijn zeggen tijdens verlofdagen, met van S&H betrokken materiaal waarvoor de factuur op zijn naam is gesteld. De opdrachtgever heeft de overeengekomen prijs van € 8.500,- overgemaakt op de privé-bankrekening van [geïntimeerde] , welk rekeningnummer [geïntimeerde] achterop zijn visitekaartje van S&H had genoteerd. Hieruit blijkt afdoende dat [geïntimeerde] artikel 11 lid 1 onder i van de aandeelhouders- overeenkomst heeft overtreden, zodat [geïntimeerde] aansprakelijk is voor de daaruit voortvloeiende schade van S&H. 3.20 [geïntimeerde] stelt dat hij de facturen voor het materiaal (productie 3 bij memorie van grieven, voor € 1.861,96 en € 369,20 zonder kredietbeperking) contant aan S&H heeft betaald, maar dat zal hij moeten bewijzen nu S&H ontvangst betwist. Daarbij dient S&H in die zin behulpzaam te zijn, dat zij aan [geïntimeerde] een kopie verstrekt van het kasboek waarin contante betalingen werden genoteerd, waartoe S&H zich ter zitting bereid heeft verklaard. Voor de opvatting van [geïntimeerde] dat S&H zich, bij betwisting van ontvangst van de betaling, moet wenden tot de werknemer die de materialen feitelijk heeft besteld, bestaat geen grond. 3.21 Op het schade-overzicht van S&H (bijlage 18 bij memorie van grieven) staat een post van € 960,- voor ‘uren niet beschikbaar voor de zaak’, maar daarachter staat dat de werknemers [naam3] en [naam4] hebben gesnipperd. Daarmee heeft S&H het verweer van [geïntimeerde] dat de werknemers de klus tijdens verlof hebben uitgevoerd, onvoldoende gemotiveerd weersproken. 3.22 Voor gebruik van een auto met gereedschap rekent S&H kennelijk forfaitair een prijs van € 35,- per man per dag zodat zij voor dit project van drie dagen op € 210,- uitkomt. [geïntimeerde] heeft de omvang van deze schadepost niet betwist. 3.23 ‘ Misgelopen omzet’ staat niet gelijk aan schade. Eventuele gederfde winst kan een schadepost opleveren, maar S&H heeft nog onvoldoende toegelicht hoeveel winst zij had kunnen realiseren wanneer [geïntimeerde] zijn contractuele verplichting niet had geschonden en zij had kunnen meedingen naar de opdracht voor dit project. Daarover mag S&H zich bij akte uitlaten. 3.24 De opdrachtgever van dit project heeft in juni 2020 lekkage gemeld en beroep gedaan op garantie die door S&H is verstrekt. Volgens S&H is ook schimmelvorming ontstaan doordat het werk onjuist is uitgevoerd en moest het hele dak worden vervangen. In de memorie van grieven stelt S&H dat zij dat herstelwerk heeft uitgevoerd conform offerte voor € 13.376,-. Ter zitting is gebleken dat [geïntimeerde] terecht weersproken heeft dat het dak is vervangen. S&H heeft alleen een noodreparatie uitgevoerd voor lekkage bij de voordeur en het dak niet volledig vervangen. Dat moet volgens S&H wel gebeuren en zij acht zich daarvoor, gelet op de garantie, ook verantwoordelijk. De schade heeft zij berekend op het bedrag dat een nieuwe klant zou moeten betalen voor vervanging van het dak. [geïntimeerde] wijst erop (memorie van antwoord onder 59, 60 en 98) dat bepaalde schade-oorzaken niet onder de garantie vallen of dat voor het verkrijgen van garantie aan een voorwaarde moet zijn voldaan. De geclaimde schadevergoeding is te hoog omdat de dakbedekking niet is vervangen en verder verwijst hij voor aansprakelijkheid naar [naam3] , de werknemer die het project op zich heeft genomen. 3.25 [geïntimeerde] miskent met zijn verweer dat hij niet alleen productgarantie heeft verstrekt, maar ook risico loopt voor aansprakelijkheid wegens ondeugdelijk uitgevoerd werk waarvoor door zijn toedoen S&H ten onrechte wordt aangesproken. De gecreëerde onduidelijkheid over wie de contractspartij is van de opdrachtgever maakt het voor S&H, die door die opdrachtgever tot herstel wordt aangesproken, ook ingewikkeld om adequaat op klachten te reageren en een beroep te doen op een eventuele uitzondering voor verleende garantie. Dat door [geïntimeerde] gecreëerde risico komt voor zijn rekening. Gelet op de rechtstreekse betrokkenheid van [geïntimeerde] bij dit project (hij was immers de contactpersoon voor de opdrachtgever, maar ook ‘verboden betrokken’ op grond van de aandeelhoudersovereenkomst) kan [geïntimeerde] S&H voor verhaal van haar schade ook niet doorverwijzen naar [naam3] . Het hof acht de schade die S&H daadwerkelijk heeft geleden door de noodreparatie toewijsbaar. Die post is echter niet uitgesplitst in het schadeoverzicht en S&H mag zich hierover alsnog uitlaten. 3.26 Nog niet gemaakte kosten voor eventuele vervanging van het dak vormen (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.