GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN zittingsplaats Leeuwarden Zaaknummer : Wahv 200.286.503/01 CJIB-nummer : 225582087 Uitspraak d.d. : 6 april 2022 Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Limburg van 9 oktober 2020, betreffende [de betrokkene] N.V. (hierna: de betrokkene), gevestigd te [vestigingsplaats] . De gemachtigde van de betrokkene is mr. M. Lagas, kantoorhoudende te Amsterdam. De beslissing van de kantonrechter De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen. Het verloop van de procedure De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding. De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend. De gemachtigde van de betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt. De beoordeling
- Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 240,- voor: “rechts inhalen waar dat verboden is”. Deze gedraging zou zijn verricht op 10 mei 2019 om 17.58 uur op de A73 in Venlo met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
- De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de sanctie ten onrechte aan de kentekenhouder is opgelegd. De ambtenaar heeft met de bestuurder van het voertuig gesproken, waardoor zich een reële mogelijkheid tot staandehouding heeft voorgedaan. De ambtenaar heeft zich bij de verkeerslichten geïdentificeerd als politieagent. Het had op haar weg gelegen om de bestuurder te vragen haar te volgen naar de dichtstbijzijnde verzorgingsplaats. De bestuurder bleek achteraf niet de kentekenhouder, zodat het opleggen van de sanctie aan de kentekenhouder niet de juiste keuze was.
- Uit artikel 5 van de Wahv volgt het uitgangspunt dat wanneer een gedraging wordt geconstateerd, de ambtenaar de bestuurder staande houdt en zijn identiteit vaststelt, zodat hem een sanctie kan worden opgelegd. Slechts wanneer er geen reële mogelijkheid is geweest om de identiteit van de bestuurder vast te stellen, mag de sanctie aan de kentekenhouder worden opgelegd.
- Het zaakoverzicht bevat in dit verband de volgende verklaring: “Reden geen staandehouding: Ik, verbalisant [naam1] , hield de bestuurder staande bij de verkeerslichten aan het einde van de afrit van de A
- Omdat wij op de afrit van de snelweg stonden en hier niet veilig stonden, besloot ik de bestuurder kort mee te delen waarom ik hem staande hield. Ik deelde bestuurder mede dat hij twee bekeuringen zou krijgen voor rechts inhalen en het onrechtmatig gebruik maken van de vluchtstrook. Ik vroeg de bestuurder of de auto op zijn naam stond. Ik hoorde dat de man ‘ja’ zei. Ik deelde de bestuurder mede dat hij niet tot antwoorden verplicht was en vroeg naar zijn verklaring. Ik hoorde dat de bestuurder zei dat ik hem de weg had afgesneden. Later zag ik dat de auto op naam van een leasebedrijf stond.”
- Verder bevat het dossier een aanvullend proces-verbaal, waarin de ambtenaar onder meer verklaart: “Wij zagen dat de Audi voor ons stilstond voor het verkeerslicht. Ik, verbalisant [naam1] , besloot uit te stappen en de bestuurder aan te spreken op zijn rijgedrag. Ik tikte op het raam van de bestuurder en ik zag dat de bestuurder het raam liet zakken. Ik legitimeerde mij als politieagente en zei: “Je komt met een zeer hoge snelheid aanrijden en rijdt nog net niet mijn kofferbak in. Je krijgt van mij een bekeuring voor het rechts inhalen en het onrechtmatig gebruik maken van de vluchtstrook. Je bent niet tot antwoorden verplicht, wat is je verklaring?”. Ik hoorde dat de bestuurder zei: “Jij sneed mij de weg af”. (…) Ik zag dat het verkeerslicht op groen sprong en dat er achter ons een aantal auto’s stil stonden. Ik vond dit geen veilige werkomgeving en verzocht de bestuurder zijn weg te vervolgen. Ik vroeg de bestuurder nog of de auto op zijn naam stond. Ik hoorde dat de bestuurder zei: “Ja, dat klopt.” Ik ben niet bekend in Venlo en zag op dat moment geen veilige plek om de bestuurder te vragen naar zijn identiteitsbewijs.”.
- Naar oordeel van het hof is de sanctie in dit geval terecht aan de betrokkene als kentekenhouder opgelegd. De ambtenaar heeft de bestuurder van het voertuig gesproken en medegedeeld dat hij twee sancties opgelegd zou krijgen. Aan de bestuurder is de cautie gegeven en hij heeft een verklaring af kunnen leggen. Vervolgens heeft de ambtenaar geprobeerd om de identiteit van bestuurder vast te stellen, waarna deze, naar later bleek ten onrechte, heeft verklaard de kentekenhouder van het voertuig te zijn. Gelet hierop, en de omstandigheid dat de verkeerssituatie bij de verkeerslichten onveilig was, terwijl er geen mogelijkheid was om de bestuurder ter plaatse nog veilig staande te kunnen houden, kon de sanctie aan de kentekenhouder worden opgelegd.
- Voor het overige betreft het verweer van de gemachtigde een herhaling van het verweer dat eerder in de procedure is gevoerd, zonder dat daarbij is aangegeven waarom de kantonrechter dit onjuist heeft beoordeeld. Gelet op vaste rechtspraak kan die niet worden aangemerkt als een beroepsgrond.
- Het hof zal de beslissing van de kantonrechter bevestigen en het verzoek om een proceskostenvergoeding afwijzen. De beslissing Het gerechtshof: bevestigt de beslissing van de kantonrechter; wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af. Dit arrest is gewezen door mr. De Witt, in tegenwoordigheid van mr. Wijmenga als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.