GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN locatie Arnhem nummer 21/00010 uitspraakdatum: 12 april 2022 Uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer op het hoger beroep van Stichting [belanghebbende1] te [vestigingsplaats1] (hierna: [belanghebbende1] ) tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) van 23 november 2020, nummer AWB 19/6331, in het geding tussen [belanghebbende1] en de heffingsambtenaar van de gemeente Barneveld (hierna: de heffingsambtenaar) en Vereniging [belanghebbende2] te [vestigingsplaats2] (hierna: [belanghebbende2] ) 1Ontstaan en loop van het geding 1.1. De heffingsambtenaar heeft ten aanzien van [belanghebbende1] bij beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak [adres1] 43 te [vestigingsplaats2] (hierna: de onroerende zaak) voor het kalenderjaar 2019 vastgesteld op € 518.000. 1.2. Op het bezwaarschrift van [belanghebbende1] heeft de heffingsambtenaar bij uitspraak op bezwaar de beschikking gehandhaafd. 1.3. [belanghebbende1] heeft tegen die uitspraak beroep ingesteld bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. 1.4. [belanghebbende1] heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. 1.5. Het Hof heeft [belanghebbende2] bij brief van 10 augustus 2021 in de gelegenheid gesteld als partij aan het geding deel te nemen. [belanghebbende2] heeft bij brief van 1 september 2021 te kennen gegeven van deze gelegenheid gebruik te willen maken. 1.6. Het Hof heeft [belanghebbende2] bij brief van 12 oktober 2021 een afschrift van de gedingstukken toegezonden en haar in de gelegenheid gesteld binnen zes weken na die datum schriftelijk te reageren op de inhoud van die stukken. [belanghebbende2] heeft van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt. 1.7. Het onderzoek ter zitting in hoger beroep heeft plaatsgevonden op 16 maart 2022. Daarbij zijn verschenen en gehoord A. van den Dool als de gemachtigde van [belanghebbende1] alsmede de heffingsambtenaar [naam1] , bijgestaan door [naam2] . 1.8. Namens [belanghebbende2] is niemand ter zitting verschenen, hoewel zij daartoe overeenkomstig de wet is uitgenodigd. De griffier van het Hof heeft immers [belanghebbende2] , in de persoon van [naam3] , bij aangetekend verzonden brief van 17 januari 2022, gericht aan het door [belanghebbende2] opgegeven adres “ [adres2] [vestigingsplaats2] ” uitgenodigd om ter zitting van het Hof van 16 maart 2022 om 13.30 uur te Arnhem te verschijnen. Blijkens tot het dossier behorende informatie van PostNL is deze brief op 18 januari 2022 om 18.10 uur op het adres [adres2] te [vestigingsplaats2] aangeboden en is voor ontvangst ervan een handtekening geplaatst. 2Vaststaande feiten 2.1. [belanghebbende2] is eigenaar en [belanghebbende1] is gebruiker van de onroerende zaak, een gezinsvervangend tehuis dat op 1 januari 2018 (hierna: de waardepeildatum) 48 jaar oud is en in gebruik is als locatie voor uithuisgeplaatste kinderen en jongeren. 2.2. De heffingsambtenaar heeft de gecorrigeerde vervangingswaarde (hierna: GVW) van de onroerende zaak vastgesteld op € 518.000. Deze waarde heeft de heffingsambtenaar onderbouwd met een in zijn opdracht opgesteld taxatierapport van 27 november 2019 waarin de onroerende zaak is getaxeerd op € 525.000 (hierna: het taxatierapport). In dat rapport is onder meer gebruik gemaakt van de voor de waardepeildatum geldende Taxatiewijzer en kengetallen deel 9: Verzorging (hierna: de Taxatiewijzer). Samengevat weergegeven en daargelaten enkele afrondingsverschillen is de waarde in het taxatierapport als volgt opgebouwd: Aan-deel Prijs per m² Opp. in m² Bruto vervangings- waarde ex. btw Levens- duur Rest-waarde Technische correctie Functionele correctie GVW ex. btw GVW inc. btw Grond - € 150 1.157 € 173.550 - - - - - € 209.996 Extra grond - € 50 1.076 € 53.800 - - - - - € 65.098 Ruwbouw 42% € 630 463 € 291.690 58 30% 57,93% 15% € 104.304 € 126.208 Afbouw 30% € 450 463 € 208.350 53 25% 67,92% 16,4% € 55.869 € 67.602 Installaties 28% € 420 463 € 194.460 53 17% 72,62% 15% € 45.257 € 54.761 Totaal € 523.664 2.3 [belanghebbende1] heeft deze vastgestelde waarde in bezwaar en beroep bestreden, evenwel tevergeefs. In beroep heeft [belanghebbende1] een op 20 september 2019 door [de taxateur] (taxateur) opgemaakt taxatierapport overgelegd, waarin de GVW van de onroerende zaak per 1 januari 2018 is bepaald op € 165.000. In dit taxatierapport is onder meer ervan uitgegaan dat de oppervlakte van de opstal 373 m2 beloopt. 3Geschil In geschil is de waarde van de onroerende zaak op de waardepeildatum. [belanghebbende1] stelt zich op het standpunt dat de waarde moet worden vastgesteld op € 165.000. De heffingsambtenaar bepleit daarentegen bevestiging van de door hem vastgestelde waarde van € 518.000. 4Beoordeling van het geschil 4.1. Het Hof ziet geen reden af te wijken van het gezamenlijke standpunt van [belanghebbende1] en de heffingsambtenaar dat de waarde van de onroerende zaak moet worden bepaald op de GVW als bedoeld in artikel 17, derde lid, van de Wet WOZ. 4.2. [belanghebbende1] heeft in hoger beroep aangevoerd dat de heffingsambtenaar is uitgegaan van een te groot perceeloppervlakte en een te lage technische afschrijving. De grondprijs per vierkante meter, de oppervlakte van de opstal, de brutovervangingswaarde van de opstal en de functionele correctie voor de opstal, zoals bepaald door de heffingsambtenaar en bevestigd door de Rechtbank, zijn in hoger beroep niet in geschil. 4.3. Nu [belanghebbende1] de door de heffingsambtenaar vastgestelde waarde gemotiveerd heeft betwist, rust op de heffingsambtenaar de last te bewijzen dat hij die waarde niet te hoog heeft vastgesteld. Technische afschrijving 4.4. De Taxatiewijzer die de heffingsambtenaar als uitgangspunt heeft genomen (archetype N3740000) gaat met betrekking tot de technische afschrijving uit van de volgende kengetallen: Levensduur in jaren Restwaarde Ruwbouw 45 - 65 25% - 35% Afbouw 25 - 35 20% - 30% Installaties 15 - 25 15% - 20% 4.5. [belanghebbende1] betoogt dat de heffingsambtenaar de levensduur van de opstal en installaties ten onrechte heeft verlengd, nu hij geen bijzondere omstandigheden heeft aangevoerd die die verlenging kunnen rechtvaardigen. Voorts is ter onderbouwing van de door de heffingsambtenaar gehanteerde restwaardes de enkele verwijzing naar de Taxatiewijzer onvoldoende, aldus [belanghebbende1] . 4.6. De heffingsambtenaar wijst erop dat hem uit uitpandige opname van de onroerende zaak is gebleken dat de onroerende zaak in gemiddelde staat verkeert en op reguliere wijze wordt onderhouden en dat van beëindiging van het gebruik op korte termijn geen sprake is. Gelet hierop kan op de waardepeildatum ervan worden uitgegaan dat de ruwbouw nog tien jaar zal meegaan en de afbouw en installaties nog vijf jaar. Deze levensduurverlenging heeft volgens de heffingsambtenaar bovendien geen invloed op de restwaardes; nu de onroerende zaak qua bouwaard en kwaliteit is aan te merken als een gemiddeld object, zijn de restwaardes terecht in lijn met het gemiddelde van de Taxatiewijzer bepaald. Omdat de onroerende zaak aan het einde van de levensduur bovendien geschikt zal zijn voor voortgezet of alternatief gebruik, zou nog eerder van een bovengemiddelde dan van een ondergemiddelde restwaarde moeten worden uitgegaan, aldus nog steeds de heffingsambtenaar. 4.7. Het Hof stelt voorop dat in de Taxatiewijzer richtsnoeren zijn gegeven die als uitgangspunt kunnen dienen, en in dit geval ook hebben gediend, bij de vaststelling van de vervangingswaarde van in die taxatiewijzer bedoelde onroerende zaken. Die richtsnoeren zien onder meer op de afschrijving voor technische veroudering. Naar het oordeel van het Hof kon de heffingsambtenaar daarom ook in dit geval de Taxatiewijzer als uitgangspunt nemen voor de bepaling van de technische afschrijving van de opstal. Voor zover [belanghebbende1] stelt dat de onroerende zaak beter vergelijkbaar is met archetype N3700000 dan met N3740000, kan die stelling haar naar het oordeel van het Hof niet baten, omdat de technische afschrijving van de opstal voor beide archetypen gelijk is. 4.8. Omdat de installaties op de waardepeildatum 48 jaar oud zijn, is de restwaarde daarvoor in beginsel bereikt. Niettemin is de (taxateur van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.