GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem afdeling civiel recht, handel zaaknummer gerechtshof 200.290.925 (zaaknummer rechtbank Gelderland 363477) arrest van 26 april 2022 in de zaak van [appellant] , wonende te [woonplaats1] , appellant, in eerste aanleg: gedaagde, hierna: [appellant] , advocaat: mr. J.J.H. Post, tegen: [geïntimeerde] , wonende te [woonplaats1] , geïntimeerde, in eerste aanleg: eiser, hierna: [geïntimeerde] , advocaat: mr. E. Koekoek. 1Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep 1.1 Na het tussenarrest van 4 januari 2022 heeft op 6 april 2022 een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaten hebben aan de hand van pleitnotities hun standpunt toegelicht. Er is een proces-verbaal opgemaakt en het hof heeft bepaald dat op 21 juni 2022 of zoveel eerder als mogelijk arrest zal worden gewezen. 2De motivering van de beslissing in hoger beroep samenvatting van de zaak 2.1 Voor de feiten verwijst het hof naar de feitenvaststelling door de rechtbank in rov 2.1 tot en met 2.29 van het bestreden vonnis. 2.2 [geïntimeerde] en [appellant] houden zich beiden onder andere bezig met aan- en doorverkoop van onroerend goed. In het voorjaar 2014 hebben partijen gesproken over de locatie [adres] te [woonplaats1] (hierna: de locatie). De locatie is door [appellant] gekocht voor € 600.000,-. Op 5 augustus 2014 is de locatie aan hem geleverd. De locatie is ontwikkeld en herverdeeld in vier kavels die in de periode 2014-2016 zijn verkocht en geleverd. [geïntimeerde] heeft onder andere werkzaamheden verricht - het hof verwijst naar de door de rechtbank in de vaststaande feiten genoemde emailberichten - met betrekking tot, in ieder geval, de verkoop van het oorspronkelijke woonhuis op de locatie (aan [naam1] ) en met betrekking tot het slopen van de schuren op de locatie, inclusief asbestsanering. Op 3 november 2016 heeft [geïntimeerde] een factuur aan [appellant] gestuurd in verband met courtage en sloopwerkzaamheden. Die factuur heeft [appellant] betaald. 2.3 Volgens [geïntimeerde] heeft hij in het voorjaar 2014 met [appellant] afgesproken dat zij de locatie samen zouden ontwikkelen door de inbreng van ieders deskundigheid en contacten en vervolgens verkopen, waarbij het rendement tussen partijen zou worden gedeeld. Omdat [geïntimeerde] op het moment van levering tijdelijk onvoldoende middelen had, hebben partijen afgesproken dat [appellant] de koopsom van de locatie geheel zou voldoen. [geïntimeerde] vordert in deze procedure nakoming van deze samenwerkingsovereenkomst, te weten de helft van het resultaat (€ 313.952,-:2=) € 156.976,-. De rechtbank heeft geoordeeld dat voldoende is komen vast te staan dat tussen partijen een samenwerkingsovereenkomst met de door [geïntimeerde] gestelde inhoud is gesloten. De vordering is in hoofdsom tot een bedrag van € 151.127,73 toegewezen. 2.4 De grieven van [appellant] komen er in de kern op neer dat partijen geen (voldoende bepaalde) overeenkomst hebben gesloten dan wel een overeenkomst onder een opschortende voorwaarde die niet is vervuld. Nadat [appellant] op 31 mei 2014 de koopovereenkomst had gesloten en vervolgens de waarborgsom had voldaan, bleek (in juli 2014) dat [geïntimeerde] zijn deel van de koopsom niet (tijdig) kon betalen. [appellant] voert in hoger beroep aan dat hij toen heeft gezegd: “als jij niet meebetaalt, ga ik ook niet samen ontwikkelen en met jou delen”. Samen ontwikkelen is samen risico lopen, aldus [appellant] . Er is volgens [appellant] kortom geen sprake (meer) van een tussen partijen geldende samenwerkingsovereenkomst op grond waarvan [geïntimeerde] de helft van het resultaat toekomt. De werkzaamheden die [geïntimeerde] heeft verricht, heeft hij verricht op basis van een met [appellant] gesloten overeenkomst van opdracht. er is een samenwerkingsovereenkomst gesloten 2.5 De eerste vraag die voorligt is of er tussen partijen in het voorjaar van 2014 een samenwerkingsovereenkomst is gesloten. Het hof beantwoordt die vraag bevestigend. In zijn memorie van grieven (onder 29 e.v. en onder 60 e.v.) en ter zitting bij het hof heeft [appellant] verklaard dat hij inderdaad in het voorjaar van 2014 met [geïntimeerde] heeft afgesproken de locatie samen te kopen en ontwikkelen. Niet alleen werd daarmee voorkomen dat partijen tegen elkaar zouden gaan opbieden en de koopprijs zouden opdrijven, ook bracht het als voordeel dat ieder zijn eigen netwerk en deskundigheid kon inbrengen. Volgens [appellant] is afgesproken dat partijen gezamenlijk de koopsom zouden financieren en daarna gezamenlijk het rendement zouden delen. Dit strookt met het standpunt van [geïntimeerde] (zie onder andere 2.4 en 2.5 van de memorie van antwoord) dat partijen voor gezamenlijke rekening waarbij ieder de helft van de koopsom zou voldoen de locatie zouden aankopen, herontwikkelen en verkopen. Dat een samenwerking werd beoogd strookt ook met de feitelijke gang van zaken na het gesprek in het voorjaar 2014. [appellant] heeft bijvoorbeeld een concept van de koopovereenkomst aan [geïntimeerde] toegestuurd en [geïntimeerde] heeft in juni/juli 2014 een koper ( [naam1] ) aangedragen voor het woonhuis op de locatie. Het hof stelt op grond van de standpunten van partijen en de feitelijke gang van zaken vast dat partijen in het voorjaar van 2014 mondeling een overeenkomst hebben gesloten die inhield dat zij gezamenlijk de locatie zouden gaan ontwikkelen, waarbij zij ieder de helft van de koopsom zouden dragen, ieder hun eigen deskundigheid en netwerk zouden inbrengen en het resultaat zouden delen. Daaraan doet niet af dat de wijze waarop de locatie ontwikkeld zou gaan worden en andere details nog niet vaststonden. De kernverplichtingen waren voor partijen immers helder en voldoende bepaald. 2.6 Volgens [appellant] is de overeenkomst gesloten onder de opschortende voorwaarde dat het om een volledige samenwerking zou gaan met alle lusten en lasten in wederzijds gelijke mate. Naar het oordeel van het hof gaat het hier, zonder nadere toelichting van [appellant] , die ontbreekt, niet zozeer om een (specifieke) voorwaarde die moet zijn vervuld voordat sprake is van een onvoorwaardelijke overeenkomst maar gaat het veeleer om het geheel van verplichtingen die partijen over en weer voor de toekomst zijn aangegaan en waarvan ten tijde van het sluiten van de overeenkomst nog niet zeker was of die alle zouden worden nagekomen. Dat en zo ja, waaruit [geïntimeerde] heeft moeten afleiden dat sprake was van een opschortende voorwaarde heeft [appellant] ook niet nader toegelicht. Aan de stelling dat partijen een opschortende voorwaarde zijn overeengekomen – waarvan [appellant] overigens de bewijslast zou dragen – gaat het hof daarom voorbij. beëindiging van de overeenkomst wegens tekortschieten door [geïntimeerde] 2.7 Begrijpt het hof [appellant] goed dan voert hij in wezen aan dat hij, nadat was gebleken dat [geïntimeerde] zijn deel van de koopsom niet kon betalen, de samenwerking mondeling heeft beëindigd (“als jij niet meebetaalt, ga ik ook niet samen ontwikkelen en met jou delen”). Onder ambtshalve aanvulling van rechtsgronden – het hof heeft dit ter zitting overigens aan partijen voorgehouden – duidt het hof dit standpunt aldus dat [appellant] vanwege een tekortkoming in de nakoming door [geïntimeerde] van de op hem rustende verbintenis om zijn deel van de koopsom te betalen, de overeenkomst heeft opgezegd of ontbonden. 2.8 [geïntimeerde] betwist dat hij tekort is geschoten. [appellant] zou, toen bleek dat [geïntimeerde] op dat moment niet over de financiële middelen beschikte om zijn deel van de koopsom te betalen, ermee hebben ingestemd dat hij de koopsom volledig zou betalen. Dat was ook niet zo bezwaarlijk voor [appellant] omdat in augustus ( [naam1] ) en december ( [naam2] ) 2014 twee kavels werden geleverd waarmee de koopsom van de locatie al volledig werd gecompenseerd. 2.9 Op [appellant] rust in beginsel de bewijslast van zijn stelling
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.