GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.299.014 (zaaknummer rechtbank Overijssel 260767) beschikking van 26 april 2022 inzake [verzoeker] , wonende te [woonplaats1] , verzoeker in hoger beroep, verder te noemen: de man, advocaat: mr. S.E.W.C.M. Kneepkens te Naarden, en [de vrouw] , wonende te [woonplaats1] , verder te noemen: de vrouw, en [de jong-meerderjarige] , wonende te [woonplaats1] , verder te noemen: [de jong-meerderjarige] , verweerders in hoger beroep, advocaat: mr. S. Groothuismink te Enschede. 1Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, van 11 mei 2021, uitgesproken onder voormeld zaaknummer (hierna: de bestreden beschikking). 2Het geding in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: het beroepschrift met producties, ingekomen op 10 augustus 2021; het verweerschrift met producties; een journaalbericht van mr. Groothuismink van 18 februari 2022 met producties; een journaalbericht van mr. Groothuismink van 18 februari 2022 met productie; een journaalbericht van mr. Kneepkens van 21 februari 2022 met producties, en een journaalbericht van mr. Kneepkens van 23 februari 2022 met productie. 2.2 De mondelinge behandeling heeft op 3 maart 2022 plaatsgevonden. Aanwezig waren: de man, bijgestaan door zijn advocaat, en de vrouw, bijgestaan door haar advocaat. [de jong-meerderjarige] heeft zijn moeder (de vrouw) blijkens een overgelegde volmacht, gedateerd op 6 november 2021, gemachtigd om hem in en buiten rechte te vertegenwoordigen en rechtshandelingen te verrichten en al datgene te doen wat hij zou mogen doen in de onderhavige procedure. 3De feiten 3.1 Het huwelijk van de man en de vrouw is op 3 maart 2020 ontbonden door echtscheiding. 3.2 De man en de vrouw zijn de ouders van: [de jong-meerderjarige] , geboren [in] 2003 te [plaats1] (Verenigde Staten); [de minderjarige1] (hierna: [de minderjarige1] ), geboren [in] 2005 te [woonplaats1] , en [de minderjarige2] (hierna: [de minderjarige2] ), geboren [in] 2007 te [plaats2] (Verenigde Staten). [de minderjarige1] en [de minderjarige2] hun hoofdverblijfplaats bij de vrouw. De man en de vrouw zijn gezamenlijk belast met het gezag over hen. 3.3 Bij (echtscheidings)beschikking van 11 februari 2020 heeft de rechtbank bepaald dat de inhoud van het aangehechte ouderschapsplan deel uitmaakt van de beschikking. In het ouderschapsplan is – voor zover thans van belang – bepaald dat de man met ingang van 1 februari 2018 en zolang de kinderen bij de vrouw wonen een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen zal voldoen van € 651,- per maand voor [de jong-meerderjarige] en [de minderjarige1] en een bijdrage van € 539,- per maand voor [de minderjarige2] . De bijdragen worden per 1 januari 2020 voor het eerst geïndexeerd. De rechtbank heeft voorts bepaald dat de man met ingang van 3 maart 2020 tot en met de maand juli 2025 € 528,- per maand aan de vrouw voldoet als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud. De bijdrage voor [de jong-meerderjarige] en [de minderjarige1] bedraagt als gevolg van de wettelijke indexering met ingang van 1 januari 2021 € 670,53 per maand, voor [de minderjarige2] € 555,17 per maand en voor de vrouw € 543,84,- per maand. 4De omvang van het geschil 4.1 Bij de bestreden beschikking is, voor zover thans van belang, het verzoek van de man tot wijziging van de eerder vastgestelde bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen (hierna ook: kinderalimentatie) en in de kosten van levensonderhoud van de vrouw (hierna ook: partneralimentatie), afgewezen. 4.2 De man is met vijf grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking, voor zover deze ziet op de kinder- en partneralimentatie. De eerste grief ziet op het inkomen van de vrouw. De tweede grief ziet op het verwijtbare inkomensverlies. De derde grief ziet op de mogelijkheid van de man om de eerder vastgestelde bijdragen nog steeds te voldoen. De vierde grief ziet op de herstelbaarheid van het gederfde inkomen. De vijfde grief (per abuis door de man aangeduid als de zesde grief) ziet op het niet opnieuw berekenen van de kinder- en partneralimentatie. De man verzoekt het hof de bestreden beschikking – naar het hof begrijpt voor zover daarbij de wijziging van de kinder- en partneralimentatie is afgewezen – te vernietigen en, opnieuw beschikkende, te bepalen dat: de door de man te betalen kinderalimentatie met ingang van 11 mei 2021, althans een datum die het hof juist acht, op € 25,- per maand te stellen voor alle drie de kinderen, althans voor [de minderjarige1] en [de minderjarige2] , althans op een door het hof te bepalen bijdrage; de door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie met ingang van 11 mei 2021 op nihil wordt gesteld, althans op een door het hof te bepalen bijdrage en datum, en de vrouw de reeds ontvangen en te veel betaalde bijdragen dient terug te betalen en dat deze bijdragen onverschuldigd zijn betaald. 4.3 De vrouw voert verweer en zij verzoekt het hof de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoeken, althans zijn verzoeken af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen en de man te veroordelen in de kosten van de procedure. 5De motivering van de beslissing Wijziging van omstandigheden 5.1 In de eerste plaats is aan de orde of zich een relevante wijziging van omstandigheden heeft voorgedaan in de zin van artikel 1:401 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Het hof is met de man en de rechtbank van oordeel dat sprake is van een relevante wijziging van omstandigheden die een hernieuwde beoordeling van de onderhoudsbijdragen rechtvaardigt, nu de man ten gevolge van covid-19 zijn baan en daarmee zijn primaire bron van inkomsten heeft verloren. Het hof volgt de man niet in zijn stelling dat het inkomen van de vrouw is toegenomen. Hij heeft die stelling onvoldoende onderbouwd, ook nadat die stelling door de vrouw gemotiveerd is betwist. Daarbij betrekt het hof dat niet bekend is wat het inkomen van de vrouw was ten tijde van het vaststellen van de kinder- en partneralimentatie, zodat niet vastgesteld kan worden of het inkomen van de vrouw is vermeerderd. De vrouw heeft bovendien tijdens de mondelinge behandeling gesteld dat haar huidige inkomen bij [naam1] min of meer gelijk is aan haar oude inkomen bij [naam2] . Kinder- en partneralimentatie 5.2 De man heeft niet betwist dat het inkomen van de vrouw min of meer gelijk gebleven is. Derhalve staat slechts de draagkracht van de man ter beoordeling van het hof en daarbinnen staat cerntraal de vraag of de man – nog – in staat is de geldende bijdragen te betalen. 5.3 De man stelt dat bij de bepaling van zijn draagkracht rekening moet worden gehouden met zijn werkelijke inkomen per 11 mei
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.