GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.295.461/01 (zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 167461) beschikking van 26 april 2022 inzake [verzoekster] (de moeder), wonende te [woonplaats1] ,verzoekster in het principaal hoger beroep, verweerster in het incidenteel hoger beroep, advocaat: mr. M. Bou-Asrar te Leeuwarden, en [verweerder] (de vader), wonende te [woonplaats2] , verweerder in het incidenteel hoger beroep, verzoeker in het principaal hoger beroep, advocaat: mr. H.D. Postma te Leeuwarden. In zijn toetsende en/of adviserende taak is gekend:de raad voor de kinderbescherming (de raad),regio Noord Nederland, locatie Leeuwarden. 1Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 6 mei 2020 en 24 maart 2021, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. 2Het geding in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - het beroepschrift met bijlage(n), ingekomen op 7 juni 2021; - een brief van de raad van 23 juni 2021 met bijlage(n); - een journaalbericht namens de moeder van 7 juli 2021 met bijlage(n); - een journaalbericht namens de moeder van 9 juli 2021 met bijlage(n); - een tweetal journaalberichten namens de moeder van 16 juli 2021 met bijlage(n); - een journaalbericht namens de moeder van 21 juli 2021 met bijlage(n); - het verweerschrift tevens incidenteel hoger beroep met bijlage(n); - het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep met bijlage(n). 2.2 De mondelinge behandeling heeft op 4 april 2022 plaatsgevonden. Aanwezig waren partijen, bijgestaan door hun advocaten. Verder waren [naam1] en [naam2] als informant namens de gecertificeerde instelling Regiecentrum Bescherming en Veiligheid (de GI) aanwezig. 3De feiten 3.1 Partijen hebben een relatie gehad en zijn de ouders van [de minderjarige] ( [de minderjarige] ), geboren [in] 2017. De moeder is belast met het ouderlijk gezag. De vader heeft [de minderjarige] erkend. 3.2 Bij vonnis in kort geding van 29 april 2020 is een voorlopige omgangsregeling tussen de vader en [de minderjarige] vastgesteld. Aan de nakoming van de omgangsregeling door de moeder is een dwangsom verbonden. 3.3 Bij vonnis in kort geding van 17 oktober 2020 heeft de voorzieningenrechter bepaald dat de in het vonnis van 29 april 2020 vastgestelde omgangsregeling nagekomen dient te worden en dat dat vonnis ten uitvoer kan worden gelegd door middel van lijfsdwang. 3.4 Bij beschikking van 2 december 2020 heeft de kinderrechter [de minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 2 december 2020. De ondertoezichtstelling is verlengd tot 2 december 2022. 3.5 Bij vonnis in kort geding van 9 juli 2021 is bepaald dat [de minderjarige] van zaterdag 10 juli 2021 om 10.00 uur tot 1 augustus 2021 om 10.00 uur bij de vader zal verblijven. De moeder is veroordeeld om [de minderjarige] voor die periode aan de vader af te geven. Deze veroordeling is uitvoerbaar bij lijfsdwang verklaard. 3.6 Bij beschikking van 5 augustus 2021 heeft het hof het verzoek van de moeder om de omgangsregeling zoals neergelegd in de bestreden beschikking van 24 maart 2021 op te schorten en een tijdelijke omgangsregeling te bepalen tussen de vader en [de minderjarige] , afgewezen. 4De omvang van het geschil 4.1 Tussen partijen is in geschil het gezag, het hoofdverblijf en (de invulling van) het recht op omgang van de vader met [de minderjarige] . Bij de -uitvoerbaar bij voorraad verklaarde- bestreden beschikking heeft de rechtbank de omgang tussen de vader en [de minderjarige] als volgt bepaald: - vier keer een weekend per twee weken van zaterdag 10.00 uur tot zondag 12.00 uur; - daarna vier keer een weekend per twee weken van zaterdag 10.00 uur tot zondag 17.00 uur; - vervolgens een weekend per twee weken van vrijdag 16.00 uur tot zondag 17.00 uur; - tijdens de vakanties en erkende feestdagen, door partijen in overleg met de GI af te spreken. De rechtbank heeft het meer of anders verzochte (ten aanzien van het gezag en het hoofdverblijf) afgewezen. 4.2 De moeder is met één grief in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking van 24 maart 2021. Deze grief ziet op de vastgestelde omgangsregeling. De moeder verzoekt het hof in haar beroepschrift om bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad voor zover de wet dat toelaat, de bestreden beschikking wat betreft de omgang te vernietigen en alsnog te bepalen dat de vader gedurende eenmaal per twee weken vanaf zaterdag 10.00 uur tot 19.00 uur omgang heeft met [de minderjarige] . 4.3 De vader voert verweer en is op zijn beurt met twee grieven in incidenteel hoger beroep gekomen. Grief 1 ziet op het hoofdverblijf en grief 2 ziet op het gezag. De vader verzoekt in principaal hoger beroep om de moeder niet-ontvankelijk te verklaren ,dan wel de verzoeken van de moeder af te wijzen. In incidenteel hoger beroep verzoekt de vader het hof om de bestreden beschikking te vernietigen wat betreft de beslissingen over het hoofdverblijf en het gezag en alsnog te bepalen dat: I. het hoofdverblijf van [de minderjarige] bij de vader zal zijn; II. de vader belast zal worden met het eenhoofdig ouderlijk gezag over [de minderjarige] ; III. wanneer het hof niet tot het oordeel komt dat de vader belast dient te worden met het eenhoofdig gezag over [de minderjarige] , hij alsnog, tezamen met de moeder, met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] wordt belast. 4.4 De moeder voert verweer en zij verzoekt het hof om de vader in zijn incidentele hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren, althans zijn verzoeken af te wijzen. 4.5 Ter zitting van het hof heeft de moeder haar verzoek in hoger beroep -zoals hiervoor onder 4.2 opgenomen- ingetrokken. 5De motivering van de beslissing Het gezag 5.1 Het hof stelt voorop dat het verzoek van de vader om hem alleen met het gezag over [de minderjarige] te belasten, anders dan de moeder heeft aangevoerd, niet een zelfstandig verzoek betreft dat (in strijd met artikel 362 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering) voor het eerst in hoger beroep is gedaan. Het gaat hier om een vermeerdering (in hoger beroep) van de verzoeken van de vader in eerste aanleg. Het verzoek is toelaatbaar nu dit tijdig is gedaan, het verzoek voldoende samenhang heeft met de oorspronkelijke verzoeken van de vader en het verzoek niet in strijd is met de eisen van een goede procesorde. 5.2 Ingevolge artikel 1:253c lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de tot het gezag bevoegde ouder van het kind, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder uit wie het kind is geboren heeft uitgeoefend, de rechtbank verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag dan wel hem alleen met het gezag over het kind te belasten. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat indien het verzoek ertoe strekt de ouders met het gezamenlijk gezag te belasten en de andere ouder met gezamenlijk gezag niet instemt, het verzoek slechts wordt afgewezen indien: a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of b. afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is. Het derde lid van dit artikel bepaalt dat wanneer de andere ouder het gezag over het kind uitoefent, het verzoek van de ouder om hem alleen met het gezag te belasten slechts wordt ingewilligd, indien de rechter dit in het belang van het kind wenselijk oordeelt. 5.3 Gelet op het uitgangspunt dat aan ouders gezamenlijk het gezag toekomt, ziet het hof op dit moment geen aanleiding om de vader alleen met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] te belasten. Het hof neemt hierbij het volgende in aanmerking. Uit de stukken en tijdens de mondelinge behandeling bij het hof is gebleken dat de vader en de moeder ieder op hun eigen wijze betrokken ouders zijn, maar dat de communicatie tussen hen is verstoord. Het ontbreken van (een goede) communicatie tussen de ouders betekent echter niet zonder meer dat in het belang van het kind het ouderlijk gezag aan één van de ouders moet worden toegekend. Naar het oordeel van het hof betekent hetgeen de moeder heeft aangevoerd over het gebrek aan communicatie niet dat [de minderjarige] klem of verloren zal raken tussen de ouders wanneer zij gezamenlijk het gezag over haar zullen gaan uitoefenen. Het ontbreken van een goede communicatie is voor het hof geen reden om de vader niet mede met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] te belasten. Het hof vindt namelijk dat het aan de ouders is om in deze situatie binnen afzienbare tijd verbetering aan te brengen. Hiervoor bestaat voor de ouders een zware inspanningsplicht. De vader en de moeder zijn beiden de ouders van [de minderjarige] en het is aan hen om zich tot het uiterste in te zetten om samen de verantwoordelijkheid voor hun dochter te dragen. Omdat niet is gesteld of gebleken dat afwijzing van het verzoek anderszins in het belang van [de minderjarige] noodzakelijk is, ligt gezamenlijke gezagsuitoefening in de rede. 5.4 Voor zover de moeder zich op het standpunt stelt dat er zorgen zijn over [de minderjarige] wanneer zij bij de vader verblijft en dat hij daarom niet geschikt en in staat is om het ouderlijk gezag over haar samen met de moeder uit te oefenen, overweegt het hof dat er geen omstandigheden naar voren zijn gekomen waaruit dit zou kunnen worden afgeleid. Gebleken is juist dat de vader zich verantwoordelijk voelt voor [de minderjarige] en haar een stabiele opvoedsituatie kan bieden. Uit de houding en het gedrag van de vader ter zitting bij het hof komt verder naar voren dat hij zich meewerkend opstelt en denkt in het belang van [de minderjarige] . Het hof vindt het daarom belangrijk dat de stem van vader een plaats krijgt in het leven van [de minderjarige] , te meer nu -zoals door de vader onweersproken gesteld- is gebleken dat de moeder hem bij belangrijke aangelegenheden, zoals bij een ouderavond op school en tijdens de opname van [de minderjarige] in het ziekenhuis, heeft geweerd. 5.5 Het hof heeft bij zijn oordeel meegewogen dat er sprake is van een ondertoezicht-stelling en dat voor de uitvoering daarvan van belang is dat beide ouders een gelijkwaardige positie innemen en aan beide ouders (indien nodig) aanwijzingen kunnen worden gegeven. Het hof gaat ervan uit dat er in het kader van de ondertoezichtstelling verder zal worden gewerkt aan verbetering van de communicatie en samenwerking tussen de ouders. 5.6 Gelet op het voorgaande, is het hof -anders dan de rechtbank- van oordeel dat er onvoldoende gronden aanwezig zijn voor afwijzing van het verzoek van de vader om hem mede met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] te belasten. Dit brengt met zich dat het hof de bestreden beschikking in zoverre zal vernietigen en de vader -gezamenlijk met de moeder- met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] zal belasten. 5.7 Het hof merkt ten overvloede op dat de moeder de vader op de hoogte (had) moet(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.