← Nederland

ECLI:NL:GHARL:2022:3630

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN zittingsplaats Leeuwarden Zaaknummer : Wahv 200.272.454/01 CJIB-nummer : 218555775 Uitspraak d.d. : 9 mei 2022 Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Limburg van 18 oktober 2019, betreffende [de betrokkene] (hierna: de betrokkene), wonende te [woonplaats] . De gemachtigde van de betrokkene is mr. N.G.A. Voorbach, kantoorhoudende te Zoetermeer. De beslissing van de kantonrechter De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard en het verzoek om een proceskostenvergoeding afgewezen. Het verloop van de procedure De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding. De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt. De beoordeling

  1. Artikel 14 van de Wahv bepaalt dat in twee situaties hoger beroep kan worden ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter: - wanneer de sanctie bij de beslissing van de kantonrechter hoger is dan € 70,- - wanneer de kantonrechter het beroep niet-ontvankelijk heeft verklaard omdat geen (of niet op tijd) zekerheid is gesteld.
  2. Van geen van deze situaties is hier sprake. De sanctie bedraagt € 24,- en de kantonrechter heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard omdat het beroep niet tijdig is ingesteld. Het hoger beroep dient daarom in beginsel niet-ontvankelijk te worden verklaard.
  3. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat het appelverbod buiten toepassing moet worden gelaten omdat de betrokkene en de gemachtigde niet zijn uitgenodigd voor de zitting van de kantonrechter.
  4. In artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden ligt het recht op toegang tot de rechter besloten. Wanneer een beroep wordt gedaan op schending van dit recht en dit beroep wordt gegrond bevonden, kan het wettelijk appelverbod buiten toepassing worden gelaten (vgl. het arrest van het hof van 12 juli 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:6402).
  5. Het dossier bevat een brief van de griffier van de rechtbank van 21 augustus 2019 waarin de gemachtigde wordt opgeroepen voor de zitting van de kantonrechter van 4 oktober
  6. Nu de brief niet aangetekend is verzonden en niet is gebleken van een deugdelijke verzendadministratie bij de rechtbank blijkt niet of en wanneer de oproepingsbrief daadwerkelijk aan de gemachtigde is verzonden. Zodoende kan niet worden vastgesteld dat de gemachtigd behoorlijk in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze op een openbare zitting toe te lichten. Gelet hierop dient het appelverbod buiten toepassing te worden gelaten. Het hoger beroep is ontvankelijk.
  7. De beslissing van de kantonrechter kan, vanwege de hiervoor vastgestelde schending van het bepaalde in artikel 12, eerste lid, van de Wahv niet in stand blijven. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter daarom vernietigen en doen wat de kantonrechter had behoren te doen. Het hof zal de zaak niet op een zitting van het hof behandelen omdat de gemachtigde in zijn hoger beroepschrift aangeeft af te zien van een zitting in Leeuwarden. Het hof zal het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie beoordelen.
  8. De verweren richten zich tegen de beslissing van de officier van justitie tot afwijzing van het vaststellen van de verschuldigdheid en hoogte van een dwangsom in verband met het niet tijdig beslissen op het administratief beroep. De gemachtigde voert aan dat hij pas in hoger beroep kennis heeft genomen van de brief d.d. 27 februari 2019 waarin de officier van justitie bericht dat geen dwangsom is verbeurd. Ook heeft de gemachtigde noch de betrokkene tijdig een verdagingsbericht ontvangen.
  9. Gelet op artikel 4:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kunnen bezwaren tegen het niet vaststellen van de verschuldigdheid en hoogte van de dwangsom aan de orde worden gesteld bij het rechtsmiddel tegen de beschikking op de aanvraag, in dit geval bij het beroep op de voet van artikel 9, eerste lid, van de Wahv tegen de beslissing van de officier van justitie op het administratief beroep. De vraag of de officier van justitie een dwangsom verschuldigd is, kan derhalve pas aan de orde komen indien het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie op het administratief beroep ontvankelijk is. Het hof stelt vast dat de beslissing van de officier van justitie op 28 januari 2019 aan de gemachtigde is toegezonden. De beroepstermijn voor het indienen van het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie eindigde op 11 maart
  10. Het hof stelt verder vast dat geen beroep is ingesteld tegen die beslissing, zodat de bezwaren met betrekking tot het niet vaststellen van de verschuldigdheid en de hoogte van de dwangsom niet aan de orde kunnen komen. Het hof zal het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie daarom niet-ontvankelijk verklaren.
  11. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het hof het verzoek tot vergoeding van proceskosten afwijzen. De beslissing Het gerechtshof: vernietigt de beslissing van de kantonrechter; verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie van 27 februari 2019, betreffende de vaststelling van de verschuldigdheid en hoogte van de dwangsom niet-ontvankelijk; wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af. Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Pranger als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.