GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden afdeling civiel recht, handel zaaknummer gerechtshof 200.299.976/01 (zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 169809) arrest van 18 januari 2022 in het incident in de zaak van [appellant] , wonende te [woonplaats1] , appellant, bij de rechtbank: eiser in conventie, verweerder in reconventie, hierna: [appellant], advocaat: mr. P. Stehouwer, die kantoor houdt te Groningen, tegen 1 [geïntimeerde1] , hierna: [geïntimeerde1], 2. [geïntimeerde2], hierna: [geïntimeerde2], beiden wonende te [woonplaats1] , geïntimeerden, bij de rechtbank: gedaagden in conventie en eisers in reconventie, hierna gezamenlijk te noemen: [geïntimeerden] c.s., advocaat: mr. G.P. Wempe, die kantoor houdt te Drachten. 1Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 7 december 2021 hier over. In dit arrest heeft het hof een mondelinge behandeling in de door [appellant] opgeworpen incidenten gelast. Deze mondelinge behandeling heeft - met instemming van partijen - enkelvoudig plaatsgevonden op 20 december 2021. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan het dossier is toegevoegd. Aan het eind van de zitting heeft het hof een datum voor arrest in het incident bepaald. 2De feiten, het geschil en de beslissing van de rechtbank 2.1 [appellant] is de vader van [geïntimeerde1] en de schoonvader van [geïntimeerde2] , die met [geïntimeerde1] is getrouwd. 2.2 [appellant] was vanaf 2004 eigenaar van het perceel met woning aan [adres] in [woonplaats1] , kadastraal bekend als gemeente Ureterp, sectie [Y] , (thans) nummers 2729 en 2730 (hierna: het woonperceel). [appellant] is tevens eigenaar van het achter het woonperceel geleden landbouwperceel, kadastraal bekend als gemeente Ureterp, sectie [Y] , nummer 531 (hierna: het landbouwperceel). 2.3 Vanaf eind 2016 wonen [geïntimeerden] c.s. met hun drie kinderen in de woning op het woonperceel. [appellant] woont sindsdien op het erf in een tot woonruimte omgebouwde bouwkeet. 2.4 Op 1 december 2017 heeft [appellant] het woonperceel verkocht aan [geïntimeerden] c.s. voor een bedrag van € 222.000,-. De overeenkomst houdt verder in dat [appellant] een recht van opstal zal krijgen op het gedeelte van het woonperceel waar de loods met de woonunit staat. Het betreft het daartoe kadastraal afgesplitste deel van het woonperceel met nummer 2729, ter grootte van 4 are en 75 centiare. 2.5 Bij notariële akte van 14 mei 2018 is de eigendom van het woonperceel overgedragen aan [geïntimeerden] c.s. Met de akte is ook voornoemd recht van opstal gevestigd ten gunste van [appellant] 2.6 Hierna is een geschil ontstaan omtrent het al of niet nagekomen zijn van de gemaakte afspraken tussen partijen, als gevolg waarvan [geïntimeerden] c.s. het recht van opstal van [appellant] bij deurwaardersexploot van 30 juli 2019 hebben opgezegd. 2.7 [appellant] heeft geweigerd om het betreffende deel van het woonperceel te ontruimen en heeft bij de rechtbank – onder meer – gevorderd voor recht te verklaren dat de opzegging van het opstalrecht nietig is, althans geen effect sorteert, dan wel dat de rechtbank de opzegging vernietigt. Verder heeft [appellant] – voor zover van belang – gevorderd dat de rechtbank [geïntimeerden] c.s. veroordeelt om mee te werken aan het vestigen van een erfdienstbaarheid met als heersend erf het landbouwperceel en als dienend erf het woonperceel. 2.8 [geïntimeerden] c.s. hebben in reconventie – onder meer – gevorderd dat de rechtbank voor recht verklaart dat het opstalrecht rechtsgeldig is opgezegd en [appellant] veroordeelt om het woonperceel te ontruimen. 2.9 De rechtbank heeft bij vonnis van 16 juni 2021 de vorderingen van [appellant] afgewezen en de vorderingen van [geïntimeerden] c.s. grotendeels toegewezen. [appellant] dient het woonperceel binnen drie maanden na betekening van het vonnis te ontruimen op straffe van het verbeuren van een dwangsom. 3De vordering in hoger beroep 3.1 [appellant] heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingediend en gevorderd dat het hof het vonnis van de rechtbank vernietigt en de vorderingen in conventie alsnog toewijst en de vorderingen van [geïntimeerden] c.s. alsnog afwijst. Daarbij heeft [appellant] gevorderd (op grond van artikel 351 Rv) dat het hof de tenuitvoerlegging van het vonnis schorst totdat in de hoofdzaak is beslist. Ook heeft [appellant] gevorderd dat het hof (als provisionele vordering op grond van artikel 223 Rv) [geïntimeerden] c.s. zal gelasten zich jegens [appellant] te gedragen als ware er sprake van een erfdienstbaarheid, [geïntimeerden] c.s. zal verbieden om het hek dat de toegang geeft tot het landbouwperceel af te sluiten of de toegang anderszins onmogelijk te maken en het hek
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.