Klachtnummer 21/210210 GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN zittingsplaats Leeuwarden Bewilligingsverzoek 21/210210 Beschikking d.d. 17 mei 2022 op het verzoek van de hoofdofficier van justitie van het arrondissementsparket Noord-Nederland om bewilliging als bedoeld in artikel 240, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering betreffende de vervolging van de Nederlandse Aardolie Maatschappij (NAM), hierna te noemen beklaagde, gevestigd te Assen, ten aanzien waarvan het hof op 20 april 2017 de vervolging heeft bevolen naar aanleiding van een klacht ter zake van het uitblijven daarvan, ingediend door Vereniging van schadelijders van de bodembeweging door gaswinning in Groningen (Groninger Bodem Beweging) , [naam1] , [naam2] , [naam3] , [naam4] , [naam5] , [naam6] , [naam7] , [naam8] , [naam9] , [naam10] , [naam11] , [naam12] en [naam13] , hierna te noemen klagers, allen vestigingsplaats dan wel woonplaats kiezende ten kantore van mr. G. Spong en/of mr. E. van Reydt, beiden advocaat te Amsterdam. Het procesverloop na de eerdere beschikking Op 27 december 2017 heeft de officier van justitie van het Functioneel Parket te 'sHertogenbosch gevorderd dat de rechter-commissaris in het arrondissement Noord-Nederland onderzoekshandelingen verricht in de strafzaak tegen beklaagde in de zaak met parketnummer 08/996055-18. De rechter-commissaris heeft gevolg gegeven aan die vordering. De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het onderzoek onvoldoende bewijsmateriaal heeft opgeleverd zodat de kans op een succesvolle vervolging gering moet worden geacht. Bij brief van 22 maart 2021 heeft de hoofdofficier van justitie van het arrondissementsparket Noord-Nederland het hof verzocht om erin te bewilligen dat de vervolging wordt beëindigd. Klagers hebben op 19 juli 2021 de gelegenheid gekregen om in raadkamer op het bewilligingsverzoek te reageren. Een aantal van hen en hun gemachtigde, mr. Spong, hebben ten overstaan van het hof het woord gevoerd. Beklaagde heeft op 29 november 2021 de gelegenheid gekregen om in raadkamer op het bewilligingsverzoek te reageren. Haar vertegenwoordiger, [naam14] , alsmede haar gemachtigden, mr. M. Bakker en mr. A. Werts, hebben ten overstaan van het hof het woord gevoerd. Ten slotte zijn klagers op 21 februari 2022 in raadkamer in de gelegenheid gesteld een laatste reactie te geven op hetgeen namens beklaagde naar voren is gebracht. Bij die gelegenheid hebben mr. Spong en mr. Van Reydt het woord gevoerd. Inleiding 1. Het hof heeft in zijn beschikking van 20 april 2017 overwogen dat strafrechtelijk ingrijpen geboden kan zijn wanneer blijkt dat voor een of meer klagers als gevolg van door gaswinning veroorzaakte schade levensgevaar te duchten is geweest. Of voor dat strafbare feit - artikel 170, aanhef en onder 2, van het Wetboek van Strafrecht (Sr) - voldoende bewijs voorhanden is, kon ten tijde van die beschikking niet worden beoordeeld, omdat het openbaar ministerie naar aanleiding van de aangifte van klagers geen strafrechtelijk onderzoek had ingesteld. Het hof heeft in zijn beschikking dit onderzoek alsnog gelast in de vorm van een bevel tot vervolging van de NAM met toepassing van artikel 181 van het Wetboek van Strafvordering (Sv). Het hof heeft verder overwogen dat een vervolging ter zake het veroorzaken van gemeen gevaar voor goederen (artikel 170, aanhef en onder 1, Sr) niet opportuun is. Daarbij heeft het hof met name meegewogen dat er voor het verhalen van financiële schade die klagers hebben geleden (inmiddels) voldoende civielrechtelijke mogelijkheden voorhanden zijn. 2. Naar aanleiding van de beschikking van het hof heeft onder leiding van de officier van justitie van het Functioneel Parket en met tussenkomst van de rechter-commissaris een strafrechtelijk onderzoek plaatsgevonden. Het resultaat daarvan is een omvangrijk strafdossier waarop klagers en beklaagde in raadkamer hebben kunnen reageren. Het hof heeft nu op basis van dit dossier te beoordelen of verdere vervolging ter zake van artikel 170, aanhef en onder 2, Sr haalbaar en opportuun is, of dat, zoals het openbaar ministerie voorstelt, de bevolen vervolging moet worden stopgezet. 3. De hoofdofficier van justitie verzoekt het hof te bewilligen in niet verdere vervolging van beklaagde, omdat het onderzoek in de visie van het openbaar ministerie geen wettig en overtuigend bewijs heeft opgeleverd voor het feit waarvoor de vervolging is bevolen. De visie van partijen De conclusie van de officier van justitie 4. De officier van justitie verdedigt het bewilligingsverzoek. Beklaagde hield zich bezig met een toegestane gedraging, te weten het winnen van aardgas uit de bodem. Tussen deze gedraging en een te duchten levensgevaar bestaat geen direct oorzakelijk verband, nu niet na iedere winningshandeling een aardbeving ontstaat en niet na iedere beving schade aan gebouwen ontstaat. Bovendien kan een legale en vergunde gedraging, wat de aardgaswinning is, geen strafbare handeling opleveren. Daar komt bij dat beklaagde op geen enkel moment de intentie heeft gehad ernstige schade te veroorzaken, laat staan levensgevaar. Een situatie van concreet levensgevaar, waarbij voor de ernstige mogelijkheid van een noodlottige afloop moest worden gevreesd, heeft zich niet voorgedaan. Uit alle opgemaakte rapportages in de loop van de jaren bleek slechts dat materiële, maar beperkte schade aan gebouwen en infrastructuur als gevolg van aardbevingen door gaswinning voorzienbaar was. Levensgevaar werd niet als logisch gevolg van deze bevingen ingeschat. Van daadwerkelijk levensgevaarlijke situaties is ook niet gebleken. Hoewel zich in de periode 2012 tot begin 2016 vierendertig bevingen met een magnitude van boven de 2.0 R hebben voorgedaan, is er geen lichamelijk letsel ontstaan, laat staan dat er dodelijke slachtoffers zijn gevallen. Dit impliceert dat met de kennis van achteraf te meer duidelijk is geworden dat er geen concreet gevaar voor letsel of levensgevaar te duchten is geweest. 5. Ook de gegevens die beschikbaar zijn ten aanzien van de concrete casus, de panden die zijn onderzocht en in het dossier beschreven, bieden geen grond voor de stelling dat de bewoners ervan levensgevaar te duchten hebben gehad. 6. De officier van justitie wijst verder op de bijzondere positie van beklaagde. De NAM maakt deel uit van het zogeheten 'aardgasgebouw', een constructie die bestaat uit verschillende publieke en private instanties die betrokken zijn bij de gaswinning. Hoewel beklaagde formeel als enige verantwoordelijkheid droeg voor de veiligheid, was in de praktijk sprake van een gedeelde verantwoordelijkheid. Beklaagde was als concessiehouder voortdurend bevoegd om conform het door de Minister van Economische Zaken goedgekeurde jaarlijkse winningsplan aardgas te winnen. Aan de winning zijn altijd voorschriften verbonden geweest die betrekking hebben op veiligheids- en milieuaspecten. Verder bevat artikel 33 van de Mijnbouwwet een brede zorgplicht die blijkens de Memorie van Toelichting dient als vangnetbepaling. De ruime formulering staat aan strafrechtelijke sanctionering ervan in de weg. Beklaagde heeft altijd uiterste zorgvuldigheid betracht, maar heeft er geen rekening mee kunnen en hoeven houden dat een normale winning, die onvermijdelijk bodembewegingen meebrengt, niet meer mogelijk zou zijn. 7. De officier van justitie deelt de conclusie van de Onderzoeksraad voor Veiligheid dat de betrokken partijen onzorgvuldig zijn omgegaan met de veiligheid van de inwoners van Groningen door het veiligheidsrisico steeds als verwaarloosbaar te beschouwen. Inderdaad zijn partijen zich achteraf gezien onvoldoende bewust geweest van de risico's die aan de gaswinning waren verbonden, maar dat maakt nog niet dat beklaagde strafrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Daarbij wijst de officier van justitie op de gematigde risicoschattingen van zowel het KNMI als TNO, die steeds aangaven het risico niet goed te kunnen duiden, maar wel concludeerden dat het risico beperkt was. Het advies van de advocaat-generaal 8. De advocaat-generaal heeft het hof geadviseerd het verzoek van de hoofdofficier van justitie toe te wijzen. Uit het onderzoek blijkt dat de aardbevingsschade niet heeft geleid tot het ontstaan van een concrete gevaarlijke situatie, waarin er een reële kans op instorting van een gebouw bestond. Daar komt bij dat voor een bewezenverklaring ter zake van artikel 170 Sr sprake zal moeten zijn van opzettelijke vernieling of beschadiging. De advocaat-generaal betoogt dat het verrichten van een gedraging waaraan risico's zijn verbonden, zoals het winnen van aardgas, onvoldoende is om te concluderen dat er opzet is geweest op het beschadigen of vernielen van bouwwerken, ook niet in voorwaardelijke zin. Het standpunt van klagers 9. Klagers betwisten dat er onvoldoende bewijs is voor een haalbare strafvervolging. Dat er tot op heden gelukkig geen dodelijke slachtoffers als gevolg van een aardbeving te betreuren zijn geweest, betekent niet dat geen sprake is geweest van te duchten levensgevaar. Klagers wijzen erop dat beklaagde toegeeft dat de aardgaswinning heeft geleid tot acuut onveilige situaties, met onbewoonbaar verklaarde woningen tot gevolg. De term 'acuut onveilige situatie' impliceert een direct veiligheidsrisico voor personen. De door beklaagde en het openbaar ministerie betrokken stelling dat een concreet te duchten levensgevaar is vereist, vindt geen steun in de wettelijke delictsomschrijving en evenmin in jurisprudentie. Voor een bewezenverklaring volstaat dat levensgevaar naar objectieve maatstaven te duchten is geweest, oftewel dat ten tijde van de gevaarzettende gedraging naar algemene ervaringsregels voorzienbaar was dat dit gevaar kon intreden. Daarbij gaan klagers uit van voorzienbaarheid voor de 'normale mens', waarbij als maatstaf een 'onverhoedse confrontatie met gevaar ten gevolge van een aardbeving' zou kunnen worden gehanteerd. Een redelijke wetstoepassing leidt ertoe dat ieder potentieel levensgevaar, ongeacht de kans op verwezenlijking daarvan, behoort te worden aangemerkt als een te duchten levensgevaar in de zin van artikel 170 Sr. 10. Beklaagde heeft zich volgens klagers schuldig gemaakt aan een voortdurende overtreding van artikel 170, aanhef en onder 2, Sr. Door de gaswinning voort te zetten vergrootte zij de kans op een zwaardere beving, nu die kans wordt bepaald door de cumulatieve winning in combinatie met de reeds bestaande breuklijnen. 11. Onder meer uit Arup-rapporten uit 2013 en 2016 bleek de noodzaak van preventieve versterking van gebouwen. De rapporten bevatten risicotaxaties ten aanzien van het voorkomen van aardbevingen van verschillende magnitudes en het instortingsgevaar alsmede het aantal potentiële doden en zwaargewonden als gevolg daarvan. In een notitie van de NAM bij het rapport uit 2013 wordt het verminderen van de kans op letsel genoemd als expliciet doel van de verstevigingsacties. Beklaagde was dus van het gevaarzettende karakter van haar handelen op de hoogte, wat ook blijkt uit de door haar ingezette versterkingsoperatie. Klagers verwijzen in dit verband ook naar de feitelijke vaststellingen van de Hoge Raad in de civiele procedure tegen de staat ten aanzien van de bekendheid met de aan de gaswinning verbonden gevaren en risico's. Voor zover het hof, ondanks het betoog van klagers dat abstracte gevaarzetting volstaat voor een bewezenverklaring, van oordeel is dat daarvoor concrete gevaarzetting is vereist, bieden de kennelijke noodzaak voor een grootschalige versterking van woningen en de geconstateerde acuut onveilige situaties voldoende grond voor de conclusie dat ook daarvan sprake is geweest, aldus klagers. 12. Volgens klagers miskent beklaagde met haar stelling dat de huidige risico's waaraan de Groningers zijn blootgesteld de zogenoemde Meijdam-norm niet overschrijden dat het bevel tot vervolging ziet op de gaswinning in de periode 1993 - 2015. Het algemeen aanvaarde niveau voor basisveiligheid uit de Meijdam-norm (10-5 per jaar, oftewel een kans van 1 op 100.000 per individu om te overlijden als gevolg van een aardbeving) werd in die periode wel degelijk significant overschreden. In 2015 voldeden 4.000 geïnspecteerde woningen niet aan deze norm. Volgens klagers is naar schatting 2,5 % van de inwoners van Groningen blootgesteld aan onacceptabele risico's. Uit de vele acuut onveilig en onbewoonbaar verklaarde woningen blijkt dat veelvuldig sprake is geweest van voor de bewoners daarvan levensgevaarlijke situaties. 13. Namens klagers is er verder op gewezen dat de rechtspraak tot nu toe een zeer beperkte invulling heeft gegeven aan het bestanddeel 'te duchten levensgevaar', door hieronder alleen concreet gevaarzettende situaties te verstaan. Het vasthouden aan die interpretatie van dit bestanddeel is in het licht van het gevaarlijke handelen van de NAM en de maatschappelijke impact daarvan niet aanvaardbaar. De politiek heeft inmiddels dure lessen getrokken uit de aardbevingsproblematiek en besloten de gaswinning in Groningen te beëindigen. De ontstane maatschappelijke noodsituatie rechtvaardigt wat klagers betreft 'creatieve of actualiserende' wetsuitleg door de rechter. 14. Door klagers is verder het standpunt ingenomen dat, voor zover voor het voltooide delict onvoldoende bewijs zou zijn, in ieder geval kan worden aangenomen dat aan alle wettelijke eisen voor een strafbare poging is voldaan. Beklaagdes handelingen zijn naar de uiterlijke verschijningsvorm gericht op voltooiing van het misdrijf. Van een bewilliging kan, alleen al omdat naar de in het bevel tot vervolging besloten liggende pogingvariant geen onderzoek is gedaan, geen sprake zijn. 15. Klagers leiden ten slotte uit de overwegingen van het hof in de beschikking van 20 april 2017 af dat het hof de vervolging van beklaagde (ook) opportuun acht voor wat betreft het strafbare feit van artikel 170, aanhef en onder 1, Sr (gemeen gevaar voor goederen als gevolg van door de gaswinning veroorzaakte schade). Gezien de volstrekt tekortschietende financiële compensatie van beklaagde voor de door haar aangerichte schade, is ook een vervolging voor dat delict zeker op haar plaats. Het standpunt van beklaagde 16. Beklaagde heeft erkend verantwoordelijkheid te dragen voor materiële en emotionele schade als gevolg van door gaswinning veroorzaakte bevingen. Zij betwist echter zich aan het strafbare feit van artikel 170, aanhef en onder 2, Sr te hebben schuldig gemaakt. Onder verwijzing naar diverse jurisprudentie betoogt beklaagde dat het bestanddeel 'te duchten levensgevaar' een hoge urgentie veronderstelt, in die zin dat daarvoor een onacceptabel grote kans moet bestaan dat het levensgevaar zich op korte termijn daadwerkelijk voordoet. Er moet sprake zijn van concrete omstandigheden die het levensgevaar reëel maken. Onvoldoende is een gevoelsmatige vrees dat zich in de toekomst aardbevingen van een bepaalde zwaarte kunnen voordoen, waardoor ernstige schade zou kunnen ontstaan die levensgevaar creëert. 17. Beklaagde heeft zich de afgelopen decennia beziggehouden met het vergund winnen van aardgas. Enig te duchten levensgevaar als gevolg van daardoor veroorzaakte schade was naar algemene ervaringsregels niet voorzienbaar. De specifieke schades die zijn onderzocht, kennen in sommige gevallen (deels) andere oorzaken, zodat vermeend levensgevaar niet zonder meer aan de gaswinning valt te relateren. Ook het feit dat preventieve maatregelen zijn genomen ter herstel of voorkoming van ernstiger gevolgen, duidt niet op voorzienbaar te duchten levensgevaar. Deze maatregelen dragen er juist in een vroeg stadium aan bij dat het niet komt tot een eventueel gevaarlijke situatie, terwijl onzeker is of die situatie zonder ingrijpen wel zou zijn ontstaan. Bovendien geldt bijvoorbeeld voor de regeling met betrekking tot 'acuut onveilige situaties' en onbewoonbaarverklaringen dat de causaliteitsvraag daarbij niet wordt betrokken. 18. Met betrekking tot de individuele dossiers van klagers concludeert beklaagde dat, hoewel de bewoners zich begrijpelijkerwijs vaak onveilig hebben gevoeld, telkens geen sprake is geweest van te duchten levensgevaar als bedoeld in artikel 170 Sr. Ten aanzien van de dossiers van de additioneel onderzochte woningen stelt beklaagde zich primair op het standpunt dat deze buiten de omvang van het bewilligingsverzoek vallen, nu de klacht niet op deze dossiers betrekking had en de officier van justitie ten aanzien van deze dossiers ook geen beslissing heeft genomen om (niet) te vervolgen. Subsidiair betoogt beklaagde dat klagers geen belang hebben bij een vervolging van beklaagde ten aanzien van deze dossiers en dat zij in zoverre in hun klacht niet-ontvankelijk moeten worden verklaard. Meer subsidiair is beklaagde van mening dat ook ten aanzien van de additionele schadedossiers telkens geen sprake is geweest van te duchten levensgevaar als bedoeld in artikel 170 Sr. 19. Los van de concrete schadedossiers wordt in het dossier aandacht besteed aan gevaarzetting in algemene zin. Zo zijn daarin rapporten met betrekking tot veiligheidsnormen, inschatting van toekomstige bevingsrisico's en vergelijkingen met andere risicodomeinen opgenomen. Beklaagde stelt zich op het standpunt dat deze algemene rapporten en normstellingen juist contra-indicaties bevatten voor te duchten levensgevaar. Beklaagde verwijst ter onderbouwing van dit standpunt naar de ingeschatte kansen op overlijden als gevolg van een aardbeving. Daarnaast wijst zij op het feit dat ondanks honderden bevingen in een gebied waar ongeveer 250.000 woningen staan geen lichamelijk letsel is ontstaan, laat staan dat dodelijke slachtoffers te betreuren zijn geweest. Daaruit leidt beklaagde af dat te duchten levensgevaar niet voorzienbaar was en dat naar algemene ervaringsregels bevingsschade geen concreet levensgevaar doet ontstaan. De rapportages van ARUP uit 2013 en 2016 leiden niet tot een andere conclusie. ARUP beschrijft een 'worst case'-scenario zonder direct te verwoorden dat de kans dat dit scenario zich voordoet zeer laag is. De deterministische benadering die ARUP heeft gekozen levert daardoor onrealistische resultaten op. 20. In algemene zin heeft beklaagde gewezen op de zgn. Meijdam-norm, die voorschrijft dat de kans op overlijden als gevolg van een bepaald risico in de loop van een jaar niet groter dan 1 op 100.000 mag zijn. Aan die norm wordt in Groningen voldaan. De Meijdam-norm wordt ook in andere veiligheidsdomeinen gehanteerd en is dus algemeen aanvaard als een niveau voor basisveiligheid. Het feit dat aan deze norm wordt voldaan, levert een contra-indicatie op voor de stelling dat er voor omwonenden van gaswinningslocaties een ernstige mogelijkheid van een noodlottige afloop aanwezig is. 21. Beklaagde wijst er verder op dat de beslissing om aardgas te (blijven) winnen telkens opnieuw en in samenspraak met alle betrokken (overheids)partijen is genomen. Steeds is op basis van de beschikbare gegevens geconcludeerd dat de gaswinning op een voldoende veilige en verantwoorde wijze kon worden voortgezet. Daar komt nog bij dat voor beklaagde sprake was van een winningsplicht, wat door de minister van Economische Zaken meermalen expliciet is benadrukt. Zowel ter zake de beslissingen tot het winnen van aardgas als de (recent genomen) beslissing tot het stopzetten daarvan, heeft beklaagde geen andere keus dan daaraan gevolg te geven. Ook daarom kan het in haar visie niet zo zijn dat dezelfde overheid die dwingt tot het winnen van aardgas beklaagde nu strafrechtelijk aanspreekt voor de vermeende gevolgen daarvan. Zou al tot een vervolging worden gekomen, dan meent beklaagde een geslaagd beroep te kunnen doen op strafuitsluitingsgronden die zien op het ontbreken van wederrechtelijkheid en verwijtbaarheid. 22. Tot slot heeft beklaagde betoogd dat, mocht toch worden geoordeeld dat sprake is geweest van te duchten levensgevaar ter zake van één of meer woningen, het voortzetten van de bevolen vervolging niet opportuun is, onder meer omdat inmiddels de politieke beslissing is genomen de gaswinning volledig te beëindigen. Het oordeel van het hof De omvang van het bevel tot vervolging 23. Zoals hiervoor onder 1. is overwogen, heeft het hof in de beschikking van 20 april 2017 slechts de vervolging bevolen ter zake artikel 170, aanhef en onder 2, Sr. De interpretatie van klagers dat (ook) een vervolging ter zake artikel 170, aanhef en onder 1, Sr opportuun is geacht, berust op een verkeerde lezing van die beschikking. 24. Voor een bewezenverklaring van het delict van artikel 170, aanhef en onder 2, Sr is vereist dat wettig en overtuigend wordt bewezen dat de beklaagde - kort gezegd - een gebouw heeft vernield of beschadigd en dat (als gevolg) daarvan levensgevaar voor een (of meer) ander(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.