← Nederland

ECLI:NL:GHARL:2022:3879

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN zittingsplaats Leeuwarden Zaaknummer : Wahv 200.289.212/01 CJIB-nummer : 230080815 Uitspraak d.d. : 17 mei 2022 Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank NoordNederland van 27 november 2020, betreffende [de betrokkene] (hierna: de betrokkene), wonende te [woonplaats] . De beslissing van de kantonrechter De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verloop van de procedure De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend. De betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht. De advocaat-generaal heeft daarop gereageerd. De beoordeling

  1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 95,- voor: “parkeren in strijd met parkeerverbod/parkeerverbodszone (bord E1)”. Deze gedraging zou zijn verricht op 19 september 2019 om 12:08 uur op de Houtlaan in Drachten met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
  2. De betrokkene voert aan dat het voertuig voor haar winkel en huis was geparkeerd omdat haar gehandicapte zoon meeging naar de winkel. De betrokkene is met haar zoon uitgestapt en daarna is haar echtgenoot uitgestapt. Op het moment dat hij uitstapte waren de betrokkene en haar zoon al in de winkel. Haar man heeft eerst nog een parkeerschijf en de gehandicaptenparkeerkaart duidelijk zichtbaar, op de voorgeschreven wijze, in de auto neergelegd. Voor het gebruik van een gehandicaptenparkeerkaart is het niet noodzakelijk dat de persoon voor wie de parkeerkaart is uitgegeven zich daadwerkelijk in het voertuig bevindt.
  3. De gedraging waar het hier om gaat betreft een overtreding van artikel 62 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990) in samenhang met bord E1 (parkeerverbod) van bijlage 1 bij dat reglement. Op dit parkeerverbod is in artikel 85 van het RVV 1990 een uitzondering gemaakt voor gehandicapten.
  4. Artikel 85 van het RVV 1990 bepaalt het volgende: “
  5. Op bestuurder van een motorvoertuig op meer dan twee wielen waarin op de door Onze Minister voorgeschreven wijze een geldige en behoorlijk leesbare gehandicaptenparkeerkaart is aangebracht, zijn artikel 25 en, indien niet langer wordt geparkeerd dan drie uren, de artikelen 24, eerste lid, onderdeel e, 46 en 62, voor zover het betreft bord E1 van bijlage 1, niet van toepassing.
  6. Het eerste en tweede lid zijn uitsluitend van toepassing, indien het parkeren rechtstreeks verband houdt met het vervoer van een gehandicapte.
  7. In de gevallen, waarin niet langer dan drie uren mag worden geparkeerd, moet het motorvoertuig overeenkomstig het bij ministeriële regeling bepaalde zijn voorzien van een duidelijk zichtbare parkeerschijf waarop het tijdstip staat aangegeven waarop met parkeren is begonnen.”
  8. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast verklaart de ambtenaar dat gedurende een tijd van ongeveer 10 minuten geen activiteit met betrekking tot het voertuig plaatsvond en dat hij zag dat de bestuurder uitstapte en een woning binnenging. Hij zag dat er een invalidenparkeerkaart voor het raam lag en dat deze kaart voor een passagiers was, maar dat er geen passagier aanwezig was in het voertuig.
  9. Niet in geding is dat het voertuig geparkeerd stond op een locatie waar een parkeerverbod gold. Ook staat vast dat er een gehandicaptenparkeerkaart zichtbaar in het voertuig aanwezig was. Verder wordt niet bestreden dat het voertuig was voorzien van een parkeerschijf en dat het voertuig korter dan 3 uren stond geparkeerd. De vraag die het hof dient te beantwoorden is of het parkeren rechtstreeks verband hield met het vervoer van de gehandicapte.
  10. De betrokkene heeft gedurende de gehele consistent en vasthoudend aangevoerd dat het parkeren verband hield met het vervoer van de gehandicapte. De ambtenaar verklaart dat hij geen passagier heeft gezien, maar uit de verklaring blijkt ook dat hij de situatie pas heeft waargenomen vanaf het moment dat de bestuurder was uitgestapt. De betrokkene verklaart dat zij op het moment al was uitgestapt met haar gehandicapte zoon en naar de winkel was gegaan en dat haar man eerst nog een parkeerschijf en de gehandicaptenparkeerkaart duidelijk zichtbaar, op de voorgeschreven wijze, in de auto heeft neergelegd. Naar het oordeel van het hof heeft de betrokkene aannemelijk gemaakt dat het parkeren rechtstreeks verband hield met het vervoer van de gehandicapte.
  11. Het beroep van de betrokkene op artikel 85 van het RVV 1990 slaagt. Artikel 62 van het RVV 1990 in samenhang met het bord E1 was daarom niet van toepassing op de betrokkene, zodat niet op grond van die bepaling een sanctie aan de betrokkene kon worden opgelegd. De inleidende beschikking kan daarom niet in stand blijven.
  12. Het hof zal beslissen als hierna vermeld. De beslissing Het gerechtshof: vernietigt de beslissing van de kantonrechter; verklaart het beroep gegrond; vernietigt de beslissing van de officier van justitie, alsmede de beschikking waarbij onder voormeld CJIB-nummer de administratieve sanctie is opgelegd; bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van artikel 11 van de Wahv tot zekerheid is gesteld door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd. Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Van der Zee-Venema als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.