← Nederland

ECLI:NL:GHARL:2022:3913

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden afdeling civiel recht, handel zaaknummer gerechtshof 200.283.872/01 (zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 141929) arrest van 17 mei 2022 in de zaak van [appellant] , wonende te [woonplaats1] , appellant in het principaal hoger beroep, geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep, in eerste aanleg: eiser in conventie tevens verweerder in reconventie, hierna: [appellant], advocaat: mr. A.A.M. Kroon-Jongbloed te Groningen, tegen [geïntimeerde] , wonende te [woonplaats2] , geïntimeerde in het principaal hoger beroep, appellant in het incidenteel hoger beroep, in eerste aanleg: gedaagde in conventie tevens eiser in reconventie, hierna: [geïntimeerde], advocaat: mr. H. Veldman te Roden. 1De verdere procedure in hoger beroep 1.1 Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 6 juli 2021 hier over. In dat arrest is een mondelinge behandeling gelast, die op 4 april 2022 heeft plaatsgevonden. Voorafgaand aan de mondelinge behandeling zijn bij brieven van 23, 24, en 28 maart 2022 nadere producties door partijen overgelegd. Van de mondelinge behandeling is een verslag (proces-verbaal) gemaakt, dat aan de processtukken is toegevoegd. 1.2 Vervolgens heeft het hof een datum voor het arrest bepaald. 2Waar gaat deze procedure over? Deze procedure betreft een geschil tussen twee broers ( [appellant] en [geïntimeerde] ) inzake de erfenis van hun moeder. [appellant] is door moeder onterfd en wil dat [geïntimeerde] zijn legitieme portie aan hem uitkeert. 3De vaststaande feiten 3.1 [appellant] en [geïntimeerde] zijn de beide zoons van de heer [naam1] (hierna te noemen: vader) en mevrouw [naam2] (hierna te noemen: erflaatster of moeder). Laatstgenoemden waren met elkaar gehuwd in gemeenschap van goederen. Vader is overleden [in] 1990 en erflaatster stierf [in]

  1. 3.2 Vader heeft bij testament van 14 mei 1990 over zijn nalatenschap beschikt. Uit dat testament volgt dat moeder, [appellant] en [geïntimeerde] voor gelijke delen gerechtigd zijn tot de nalatenschap van vader en dat aan moeder het vruchtgebruik van de nalatenschap van vader is gelegateerd. Erflaatster heeft bij testament van 22 februari 2012 over haar nalatenschap beschikt. Bij voornoemd testament is [appellant] onterfd en is [geïntimeerde] tot enig en algeheel erfgenaam benoemd.3.3 Vader exploiteerde bij leven een garage, [naam3] B.V. te [woonplaats2] . [geïntimeerde] en [appellant] waren beide ook werkzaam in die garage. Na het overlijden van vader hebben [geïntimeerde] en [appellant] de exploitatie voortgezet. In 2008 is het tot een breuk tussen hen gekomen en is [appellant] door de vennootschap ontslagen. 4De vordering en de beslissing van de rechtbank 4.1 Bij de rechtbank heeft [appellant] , naast een aantal nevenvorderingen, een vordering ingesteld tot vaststelling van zijn legitieme portie en veroordeling van [geïntimeerde] gevorderd tot betaling daarvan, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 4:84 BW, onder verbeurte van een dwangsom. Subsidiair heeft [appellant] gevorderd [geïntimeerde] te veroordelen tot het verlenen van medewerking aan de vaststelling van de legitimaire massa en portie. Ook heeft [appellant] veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten gevorderd. 4.2 In (voorwaardelijke?) reconventie heeft [geïntimeerde] op diverse grondslagen betaling gevorderd van meerdere bedragen, afgifte gevorderd van informatie die [appellant] tot zijn beschikking heeft, vernietiging gevorderd van een eerder tussen de broers gesloten vaststellingsovereenkomst, overdracht door [appellant] gevorderd van door deze gehouden aandelen in [naam3] B.V. en veroordeling van [appellant] gevorderd tot betaling van de proceskosten. 4.3 De rechtbank heeft, na het inwinnen van verschillende deskundigenberichten ten behoeve van waardebepalingen, in conventie [geïntimeerde] veroordeeld om de legitieme portie van [appellant] ten belope van € 101.942,19 te betalen. Ook is [geïntimeerde] veroordeeld tot betaling van de beslagkosten van [appellant] en tot betaling van de proceskosten. Tevens is [geïntimeerde] veroordeeld tot betaling van deskundigenkosten en heeft de rechtbank de griffier opgedragen in dat kader (teveel) betaalde voorschotten aan [appellant] en [geïntimeerde] terug te betalen. De vorderingen in reconventie heeft de rechtbank afgewezen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten daarvan. 5De beoordeling van de grieven en de vorderingen in hoger beroep De vorderingen in hoger beroep 5.1 [appellant] heeft in hoger beroep gevorderd dat het hof het eindvonnis van de rechtbank van 17 juni 2020 alsmede de tussenvonnissen van 25 september 2013, 17 september 2014, 13 mei 2015, 20 december 2017, 23 januari 2019 en 6 maart 2019 (hierna samen: de vonnissen) zal vernietigen en gevorderd om [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling van de legitieme vordering ter hoogte van € 204.609,26 dan wel enig ander bedrag in goede justitie vast te stellen, met vermeerdering van de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW jo artikel 6:81 BW over dit bedrag met ingang van 18 juni 2013 tot de dag der voldoening, onder verbeurte van een dwangsom ter hoogte van € 500,- voor iedere dag dat [geïntimeerde] na betekening van het in deze te wijzen arrest hieraan niet heeft voldaan. 5.2 Ook heeft [appellant] gevorderd om [geïntimeerde] op grond van artikel 4:78 BW jo artikel 843a Rv te veroordelen tot het in het geding brengen van de volgende stukken over het jaar 2011 en 2012: - de huurcontracten van de kamerbewoning aan de [adres1] te [woonplaats2] ; - opgave van de huurders van het verhuurpand aan de [adres1] te [woonplaats2] ; - bewijsstukken van de ontvangen huurinkomsten betreffende het verhuurpand aan de [adres1] te [woonplaats2] zoals rekeningafschriften; - nota’s van kosten zoals water/gas/licht en gemeentelijke belastingen betreffende het verhuurpand aan de [adres1] te [woonplaats2] ; dit alles binnen twee weken na het gewezen tussenarrest, op straffe van een dwangsom ter hoogte van € 500,- voor iedere dag dat [geïntimeerde] na betekening van het arrest niet aan de veroordeling heeft voldaan; 5.3 Verder heeft [appellant] gevorderd voor recht te verklaren dat de personenauto met kenteken [kenteken1] zijn eigendom is en om een deskundigenonderzoek te gelasten ex artikel 194 Rv en een deskundige te benoemen die de waarde in het economisch verkeer van de onroerende zaken aan de [adres1] te [woonplaats2] , en de [adres2] te [woonplaats2] per 5 november 2012 vaststelt en [geïntimeerde] te veroordelen de kosten van deze deskundigenonderzoeken uit de nalatenschap te voldoen, alsmede te veroordelen aan deze deskundigenonderzoeken zijn medewerking te verlenen, onder verbeurte van een dwangsom van € 500,- voor iedere dag dat [geïntimeerde] na betekening van het in deze te wijzen tussenarrest hieraan niet heeft voldaan; 5.4 Tot slot heeft [appellant] gevorderd [geïntimeerde] te veroordelen in de kosten van het geding in hoger beroep. 5.5 In incidenteel appel heeft [geïntimeerde] eveneens vernietiging van het eindvonnis van 17 juni 2020 (hierna: het eindvonnis) gevorderd alsmede dat de legitieme vordering van [appellant] wordt vastgesteld op een bedrag van € 67.342,69, althans op een bedrag als in goede justitie na aanvullend deskundigenonderzoek zal worden vermeend te behoren. Ook heeft [geïntimeerde] gevorderd [appellant] te veroordelen om aan [geïntimeerde] te voldoen het bedrag dat blijkens het in deze te wijzen arrest onverschuldigd blijkt te zijn voldaan naar aanleiding van het eindvonnis, zulks te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van betaling door [geïntimeerde] tot aan de dag van terugbetaling door [appellant] . Tot slot heeft [geïntimeerde] gevorderd dat de proceskosten van beide instanties tussen partijen worden gecompenseerd. 5.6 [appellant] heeft in hoger beroep vijf Romeins genummerde grieven (bezwaren) tegen de vonnissen geformuleerd. Grief IV heeft [appellant] ter mondelinge behandeling ingetrokken, zodat deze hiernavolgend niet zal worden behandeld. [geïntimeerde] heeft in incidenteel appel op zijn beurt een tweetal Romeins genummerde grieven tegen het eindvonnis in stelling gebracht. De grieven van partijen worden in samenhang met de vorderingen in het principale en incidentele appel hierna zo veel mogelijk in onderlinge samenhang alsmede thematisch besproken. Ontvankelijkheid 5.7 Het tussenvonnis van 25 september 2013 is (enkel) een comparitievonnis, waartegen geen hoger beroep openstaat. In zoverre is [appellant] niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep.De thema’s in het principaal hoger beroep Waarde bedrijfspand [adres2] te [woonplaats2] 5.8 De eerste grief van [appellant] richt zich tegen de in zijn visie onjuiste beslissing van de rechtbank om bij de vaststelling van de legitieme massa uit te gaan van de waarde van het te [woonplaats2] gelegen bedrijfspand aan de [adres2] zoals deze door de deskundige [naam4] per peildatum (5 november 2012) is vastgesteld op € 255.000,-. Wat [appellant] betreft moet een waarde aan dit bedrijfspand worden toegekend, zoals blijkend uit het taxatierapport van Houwing-Hagedoorn Makelaars Taxateurs & Experts B.V. (hierna: Houwing-Hagedoorn) dan wel moet die waarde opnieuw door een andere, door het hof te benoemen deskundige worden vastgesteld. 5.9 Ter mondelinge behandeling heeft [geïntimeerde] gesteld dat [appellant] bij de behandeling van deze grief geen belang heeft, omdat het bedrijfspand deel uitmaakt van het vermogen van [naam3] B.V. en [appellant] niet heeft gegriefd tegen de vaststelling van de waarde van de aandelen van deze vennootschap. De merites van dit betoog kunnen in het midden blijven omdat [appellant] grief geen doel treft. Hiertoe is het volgende redengevend. 5.10 [appellant] bezwaren tegen het rapport van [naam4] komen er op neer dat:
  2. de deskundige in strijd met de opdracht van de rechtbank bij tussenvonnis d.d. 13 mei 2015 de waarde van het bedrijfspand aan de [adres2] te [woonplaats2] uitsluitend heeft beoordeeld als een showroom, werkplaats, parkeerplaats erf en ondergrond, dat wil zeggen in de functie van een garagebedrijf;
  3. de deskundige onvoldoende rekening heeft gehouden met de zichtlocatie hetgeen voordelen biedt in vergelijking tot bedrijfspanden die zich op min of meer afgelegen bedrijfsterreinen bevinden;
  4. de deskundige geen, althans onvoldoende rekening heeft gehouden met de bestemmingsplanwijziging, waardoor de grond tijdens de peildatum reeds in waarde was gestegen wegens aantoonbare belangstelling van ontwikkelaars/investeerders;
  5. de deskundige voorbij is gegaan aan het taxatierapport dat door Houwing-Hagedoorn d.d. 18 juni 2018 is opgesteld en aan de rechtbank is overgelegd waaruit blijkt dat de [adres2] te [woonplaats2] per peildatum 5 november 2012 moet worden getaxeerd op € 620.000,-;
  6. De rechtbank buiten de rechtsstrijd is getreden aangezien door [geïntimeerde] aanvankelijk was aangegeven dat voor wat betreft de waardering van de diverse onroerende goederen zou moeten worden uitgegaan van de WOZ-waarde. 5.11 Het hof ziet in deze bezwaren geen reden om niet uit te (blijven) gaan van het rapport van taxateur [naam4] . Zo snijdt het bezwaar onder
  7. geen hout, omdat de deskundige [naam4] het bedrijfspand heeft getaxeerd in de functie die dit op het peilmoment bij taxatie ook had. Anders dan [appellant] lijkt te suggereren was er op dat moment geen sprake van een op korte termijn voorziene of te verwachten wijziging van de bestemming van (de grond onder) het bedrijfspand, bijvoorbeeld te realiseren door een (reeds ‘in beeld’ gekomen) beoogd opvolgend koper. Gelet daarop is zonder toelichting, die [appellant] niet gegeven heeft, voor het hof niet duidelijk waarom de deskundige op dit punt de opdracht van de rechtbank zou hebben miskend. Ook het tweede bezwaar wordt verworpen, nu [appellant] niet inzichtelijk heeft gemaakt hoe taxateur [naam4] dit aspect meer of anders in de taxatie had moeten betrekken en [appellant] evenmin concreet duidelijk heeft gemaakt wat voor verschil dit voor de waardebepaling zou hebben gehad. Het derde bezwaar van [appellant] stuit af op het feit dat, zoals door [geïntimeerde] terecht is aangevoerd, op het bij de taxatie te hanteren peilmoment geen enkele zekerheid bestond dat en wanneer er in de toekomst een wijziging van de bestemming ter plaatse zou worden gerealiseerd en in dit kader ook niet is gebleken dat er op dat moment sprake was van concrete belangstelling voor het pand (of de grond daarvan) van derden. De deskundige heeft in dat verband in zijn rapport opgemerkt:Taxateur heeft geconstateerd dat sinds peildatum 05 november 2012 tot heden geen (her)ontwikkelingen hebben plaatsgevonden of dat daar concrete herontwikkelingsplannen (bouwaanvragen) voor zijn. De aannames die gedaan zouden moeten worden voor de waarde op peildatum zijn dermate speculatief dat taxateur het niet redelijk acht om er vanuit te gaan dat er op peildatum kopers zouden zijn geweest die bereid zijn om onvoorwaardelijk (zonder voorbehoud omgevingsvergunning) te kopen Er is niet gebleken uit de dossiers dat er concrete interesse, uitgedrukt in voorstellen of biedingen, is van ontwikkelende partijen/ kandidaten voor de onderhavige locatie. [appellant] laat zich ook niet uit bij welke partij(en) deze belangstelling dan wel zou hebben bestaan. In dit licht kan het taxateur [naam4] niet worden verweten een mogelijke andere bestemming van het pand niet bij de waardering daarvan te hebben betrokken. Het vijfde bezwaar is evenmin steekhoudend; waar in eerste aanleg enerzijds [appellant] een hogere waarde dan de WOZ-waarde aan het bedrijfspand toekende en anderzijds [geïntimeerde] het bedrijfspand een lagere waarde dan de WOZ-waarde toedichtte, valt zonder toelichting, die [appellant] niet gegeven heeft, niet in te zien op welk punt de rechtbank de grenzen van de rechtsstrijd van partijen zou hebben miskend door zich ten aanzien van de waarde van het pand te baseren op het rapport van [naam4] . Uit het voorgaande volgt tevens dat [naam4] evenmin kan worden verweten niet de in het taxatierapport van Houwing-Hagedoorn genoemde hogere waarde van het pand te hebben gehanteerd of overgenomen. 5.12 Het enkele feit dat de deskundige [naam4] in het taxatierapport een naastgelegen perceel als verwaarloosd heeft aangemerkt, terwijl dat terrein op 16 juni 2009 in het kader van woningbouw voor € 4.000.000,- is verkocht, maakt het voorgaande niet anders en het deskundigenrapport niet van onwaarde. Gebleken is bovendien dat het terrein op 8 februari 2016 opnieuw is verkocht voor een bedrag van € 500.000,- en dat de geplande nieuwbouw niet is gerealiseerd. Ook het feit dat de WOZ-waarde van het bedrijfspand op de peildatum een hoger bedrag beliep dan de door de deskundige [naam4] aan het bedrijfspand toegekende waarde, geeft geen aanleiding om de deskundige niet te volgen. Het is immers een feit van algemene bekendheid dat de WOZ-waarde niet noodzakelijk representatief is voor de werkelijke waarde van een pand en dat die werkelijke waarde zowel meer als minder dan de WOZ-waarde kan blijken te zijn. 5.13 Gelet op het voorgaande heeft [appellant] zijn bezwaren tegen het (door de rechtbank overnemen van het) rapport van [naam4] onvoldoende feitelijk onderbouwd. Aan bewijslevering op dit punt wordt niet toegekomen, mede omdat uit het bewijsaanbod van [appellant] niet duidelijk wordt van welke feiten en stellingen met betrekking tot de waarde van het bedrijfspand (bijvoorbeeld de door hem gestelde belangstelling van derden ten tijde van de peildatum) [appellant] bewijs wenst te leveren en op welke wijze hij dit wenst te doen. Grief I faalt. Waarde pand [adres1] te [woonplaats2] 5.14 Blijkens de toelichting op zijn tweede grief heeft [appellant] er ook bezwaar tegen dat de rechtbank de waarde, zoals deze door taxateur [naam5] aan het pand aan de [adres1] te [woonplaats2] is toegekend, heeft overgenomen. Dit bezwaar ziet erop dat deze taxateur in strijd met zijn opdracht heeft gehandeld door de waarde van dit gedurig aan studenten verhuurde pand niet te baseren op de werkelijk genoten huurinkomsten, maar op het puntensysteem, ook wel huurpuntenstelsel of woonwaarderingsstelsel genoemd. Dit bezwaar faalt, nu [appellant] niet duidelijk heeft gemaakt waarom deze laatste wijze van waarderen bij een pand als het onderhavige niet door de beugel kan. Zo heeft [appellant] niet gesteld dat de zich in het pand bevindende studentenkamers tot de vrije sector behoren en daarom bij de waardering geen aansluiting bij het puntensysteem aan de orde behoort te zijn. Evenmin heeft [appellant] anderszins duidelijk gemaakt waarom de gekozen waarderingsmethodiek aan de hand van het puntensysteem onverenigbaar is met de opdracht aan de taxateur om de werkelijke waarde van het pand in het economisch verkeer vast te stellen. Zulks klemt te meer omdat [appellant] , net als de taxateur [naam5] , de functie als verhuurpand tot uitgangspunt neemt bij de vraag naar de waardering daarvan. Evenmin ziet het hof in dat of waarom [naam5] bij het bepalen van de waarde van het pand geen rekening zou hebben mogen houden met te verwachten renovatiekosten per de peildatum. Dergelijke kosten hebben immers een drukkend effect op het werkelijke rendement dat met een dergelijk pand kan worden behaald en daarmee op de waarde ervan. Ook de bezwaren van [appellant] omtrent het door de taxateur niet volgen van de NVM-vergelijkingsmethode en de door de taxateur gehanteerde huurkapitalisatiefactor worden door het hof verworpen; weliswaar stelt [appellant] dat het rapport van de taxateur op deze punten ondeugdelijk is, maar deze stelling wordt niet voldoende feitelijk onderbouwd, bijvoorbeeld met een verklaring van een gezaghebbend deskundige die dat met kracht van argumenten onderschrijft. Het enkele feit dat de door [appellant] ingeschakelde taxateur Houwing-Hagedoorn op basis van een andere methodiek tot een andere (hogere) waarde komt, legt in dit kader onvoldoende gewicht in de schaal. Ditzelfde geldt voor het feit dat de waardering van de deskundige [naam5] een lager bedrag opleverde dan de destijdse WOZ-waarde. Zonder toelichting, die [appellant] niet gegeven heeft, valt niet in te zien dat daaruit noodzakelijkerwijs de gevolgtrekking zou moeten worden gemaakt dat taxateur [naam5] een onjuiste waarde aan het pand heeft toegekend. Ook hier geldt dat het een feit van algemene bekendheid is dat de WOZ-waarde niet noodzakelijk representatief is voor de werkelijke waarde van een pand en dat die werkelijke waarde zowel meer als minder dan de WOZ-waarde kan blijken te zijn. 5.15 Uit het voorgaande volgt dat ook grief II geen doel kan treffen. Informatierecht 5.16 In het voetspoor van [appellant] tweede grief sneeft ook zijn grief III. Blijkens het voorgaande heeft [appellant] immers niet duidelijk gemaakt waarom de door [naam5] gekozen waarderingsmethodiek aan de hand van het puntensysteem haaks zou staan op de opdracht aan [naam5] om de werkelijke waarde van het pand in het economisch verkeer vast te stellen. In het licht daarvan heeft [appellant] geen belang bij overlegging van bescheiden waaruit de werkelijke huurinkomsten ten tijde van de peildatum kunnen worden afgeleid. De vraag of de gevorderde informatie buiten de reikwijdte van het informatierecht van artikel 4:78 BW zou vallen of daarbinnen behoeft dan ook geen bespreking meer. Wettelijke rente 5.17 [appellant] aan zijn vijfde grief ten grondslag gelegde betoog houdt in dat in de gegeven omstandigheden (waaronder de als gevolg van traineren door [geïntimeerde] lange duur van de procedure) wettelijke rente over de legitieme portie verschuldigd is geworden op de voet van art. 6:81 en 6:119 BW. Deze stelling wordt door het hof verworpen. Zoals terecht door [geïntimeerde] is aangevoerd is voor het verschuldigd kunnen worden van wettelijke rente over een geldsom verzuim vereist en heeft [appellant] niet duidelijk gemaakt hoe (langs welke weg) en wanneer dat verzuim is ingetreden. De eerst ter mondelinge behandeling betrokken stelling dat de dagvaarding in eerste aanleg als een ingebrekestelling in de zin van art. 6:82 BW zou hebben te gelden wordt door het hof wegens strijd met de zogeheten ‘twee conclusieregel’ gepasseerd en stuit bovendien af op het feit dat in die dagvaarding geen concreet van [geïntimeerde] gevorderd bedrag wordt genoemd en ook overigens niet is gebleken dat aan de wettelijk aan een ingebrekestelling te stellen eisen is voldaan. Grief V faalt derhalve eveneens. De thema’s in het incidenteel hoger beroep Waardering aandelen 5.18 Met zijn eerste grief keert [geïntimeerde] zich tegen het oordeel van de rechtbank dat door hem geen medewerking is verleend aan het deskundigenonderzoek tot waardering van de aandelen in [naam3] B.V. en het feit dat de rechtbank daaraan de ‘geraden gevolgtrekking’ heeft verbonden dat de waarde van de aandelen in het kader van de vaststelling van de legitieme moet worden vastgesteld op € 207.597,-. De rechtbank heeft daarbij het voorlopige deskundigenrapport tot uitgangspunt genomen, maar als gevolgtrekking een vordering van € 403.206,- van [geïntimeerde] op [naam3] geheel buiten beschouwing gelaten, omdat de deskundige het bestaan van die vordering niet had kunnen verifiëren, doordat hij ondanks herhaalde verzoeken daartoe niet de daarvoor benodigde gegevens uit de bedrijfsadministratie ontving. Verder heeft de rechtbank als gevolgtrekking bij de waardering van de autovoorraad opgeteld het verschil tussen de opgegeven waarde per 31 december 2012 (€ 168.809,-) en een hogere waarde per 31 december 2008 (€ 301.404,-), omdat [geïntimeerde] ondanks herhaalde verzoeken heeft nagelaten een RDW lijst over te leggen van de autovoorraad per 5 november
  8. 5.19 Deze eerste grief faalt. In essentie stelt [geïntimeerde] aan de orde dat de rechtbank ten onrechte gebruik heeft gemaakt van haar bevoegdheid tot het maken van de ‘geraden gevolgtrekking’ als bedoeld in art. 22 Rv en dat hij een ‘tweede kans’ verdient om alsnog de voor een correcte waardering van de aandelen door een deskundige benodigde informatie en bescheiden te verschaffen. Het hof is dat niet met [geïntimeerde] eens en licht dit als volgt toe. 5.20 Wanneer een procespartij de waarheidsplicht schendt of in strijd met een rechterlijk bevel nalaat stukken over te leggen, kan de rechter daaruit de gevolgtrekking maken die hem geraden voorkomt. Die (discretionaire) bevoegdheid tot toetsen en sanctioneren van de naleving van deze plichten heeft de rechter ambtshalve. Een verrassingsbeslissing levert het gebruik ervan niet op, tenzij partijen gezien het partijdebat met een dergelijke beslissing en de gevolgen daarvan geen rekening hoefden te houden. Rechters hebben dus veel vrijheid bij het sanctioneren van genoemde plichten. Deze vrijheid heeft de wetgever aan rechters toegekend omwille van het maatschappelijk belang dat rechterlijke beslissingen zo veel mogelijk berusten op de materiële waarheid. Wel moeten sancties op de voet van art. 21 en 22 Rv in overeenstemming zijn met de aard en de ernst van de schending. 5.21 Uit de gedingstukken in eerste aanleg laat zich in redelijkheid niets anders afleiden dan dat aan [geïntimeerde] ruimschoots en herhaaldelijk de gelegenheid is geboden om te voldoen aan het bevel van de rechtbank tot overlegging van de voor waardering van de aandelen benodigde bescheiden uit de bedrijfsadministratie van [naam3] en dat de rechtbank [geïntimeerde] nadrukkelijk heeft gewezen op de mogelijke consequenties van het niet voldoen aan dat bevel. Weliswaar heeft [geïntimeerde] ter mondelinge behandeling bij het hof tot zijn verdediging aangevoerd dat hij tijdens de procedure in eerste aanleg met ernstige gezondheidsklachten te kampen heeft gekregen, maar hij heeft niet duidelijk gemaakt dat en waarom deze klachten hem (over een langere periode) keer op keer redelijkerwijs verhinderden om te voldoen aan het herhaalde bevel tot overlegging van de door de rechtbank gevraagde informatie. [geïntimeerde] heeft ook niet op grond van een gewichtige reden geweigerd om de stukken over te leggen. Evenmin heeft [geïntimeerde] in hoger beroep de betreffende informatie alsnog in het geding gebracht, hetgeen wel in de rede had gelegen indien het [geïntimeerde] ernst zou zijn geweest met zijn wens om in hoger beroep een ‘tweede kans’ te mogen krijgen. Gelet op de eerdere waarschuwingen die [geïntimeerde] van de rechtbank heeft gekregen en de overige omstandigheden van het geval kan ook niet worden gezegd dat [geïntimeerde] is ‘overvallen’ door de beslissing van de rechtbank in dezen noch dat deze beslissing disproportioneel is in het licht van aard en ernst van [geïntimeerde] ’s schending van de plicht om stukken over te leggen. Het hof is het voorts met [appellant] eens dat de herstelfunctie van het hoger beroep in het algemeen niet zo ver behoort te gaan dat een in eerste aanleg terecht verbonden gevolgtrekking aan een schending van de in art. 21 en 22 neergelegde plichten eenvoudig in hoger beroep weer ongedaan zou kunnen worden gemaakt. Dat zou immers afbreuk doen aan de corrigerende werking (en dus effectiviteit) van genoemde wetsbepalingen. Proceskostenveroordeling en deskundigenkosten in eerste aanleg 5.22 De rechtbank heeft voorts in de proceshouding van [geïntimeerde] aanleiding gezien om hem in de proceskosten te veroordelen en om (zo begrijpt ook het hof in navolging van [geïntimeerde] ) haar ‘geraden gevolgtrekking’ zich ook mede tot de proceskosten te doen uitstrekken. Nu uit het voorgaande volgt dat [geïntimeerde] door de ingevolge art. 22 Rv op hem rustende plicht te schenden inderdaad van een laakbare proceshouding blijk heeft gegeven en bovendien het weliswaar gebruikelijk is, maar niet verplicht is om de proceskosten van partijen in geschillen tussen familieleden te compenseren, faalt [geïntimeerde] ’s betoog dat de rechtbank ten onrechte de proceskosten in eerste aanleg niet tussen partijen heeft gecompenseerd. Van een verrassings- of disproportionele beslissing is gelet op het voorgaande geen sprake. Daarnaast merkt het hof op dat het – anders dan [geïntimeerde] lijkt te denken - niet de inhoud van de over te leggen stukken is die bepaalt welke gevolgtrekking ‘geraden is’ maar de aard en ernst van de schending van art 22 Rv. 5.23 Naar het hof begrijpt is ook de beslissing van de rechtbank om de rekening van de deskundigenkosten voor het waarderen van de aandelen bij [geïntimeerde] neer te leggen ingegeven door de hiervoor weergegeven weigerachtigheid van [geïntimeerde] om in het kader van de waardering van de aandelen stukken over te leggen. Die gevolgtrekking ligt ook voor de hand, nu gezegd kan worden dat die kosten in zoverre vergeefs zijn geweest dat een correcte waardering van die aandelen door de stelselmatige weigerachtigheid van [geïntimeerde] om de gevraagde informatie over te leggen onmogelijk is gebleken In het licht van het bepaalde in art. 22 Rv (vgl. ook de slotzin van art. 237 lid 1 Rv) is ook deze beslissing niet verrassend en evenmin disproportioneel te noemen. Het hof ziet dan ook geen reden om op dit punt anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. 6De slotsom De slotsom is dat noch het principaal appel noch het incidenteel appel slaagt. De vonnissen waarvan beroep zullen worden bekrachtigd. Het hof zal [appellant] veroordelen in de kosten van het principaal appel (griffierecht € 332,- en 2 punten tarief 2) en [geïntimeerde] in de kosten van het incidenteel appel (de helft van het tarief van het principaal appel). 7De beslissing Het hof, rechtdoende in hoger beroep: - verklaart [appellant] niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep tegen het tussenvonnis van 25 september 2013; - bekrachtigt de overige vonnissen waarvan beroep; - veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in principaal hoger beroep, aan de zijde van [geïntimeerde] tot aan deze uitspraak vastgesteld op € 332,- aan griffierecht en € 2.228,- aan salaris advocaat; - veroordeelt [appellant] in de nakosten, begroot op € 157,- met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 82,- in het geval hij niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak heeft voldaan én betekening heeft plaatsgevonden; - veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het geding in incidenteel hoger beroep, aan de zijde van [appellant] tot aan deze uitspraak vastgesteld op € 1.114,- aan salaris advocaat; - veroordeelt [geïntimeerde] in de nakosten, begroot op € 157,- met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 82,- in het geval hij niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak heeft voldaan én betekening heeft plaatsgevonden; - verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad; - wijst het meer of anders gevorderde af. Dit arrest is gewezen door mrs. P.S. Bakker, O.E. Mulder en M. Weissink en is door de rolraadsheer, in aanwezigheid van de griffier, in het openbaar uitgesproken op 17 mei 2022.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.