GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.278.417/01 (zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 174580) beschikking van 24 mei 2022 inzake [verzoekster] , wonende te [woonplaats1] , verzoekster in hoger beroep, verder te noemen: de vrouw, advocaat: mr. C.W. van Weert te Assen, en [verweerder] , wonende te [woonplaats2] , verweerder in hoger beroep, verder te noemen: de man, advocaat: mr. O.J.C. Toxopeus te Veendam. 1Het verloop van het geding in hoger beroep 1.1 Voor het verloop van het geding tot 2 februari 2021 verwijst het hof naar zijn tussenbeschikking van die datum. 1.2 Vervolgens heeft het hof ontvangen: - een journaalbericht namens de man van 1 maart 2021; - een journaalbericht namens de man van 25 mei 2021 met bijlage(n); twee journaalberichten namens de vrouw van 26 mei 2021, elk met bijlage(n); een journaalbericht namens de man van 26 mei 2021. 1.3 Ingevolge voormelde tussenbeschikking heeft op 10 juni 2021 een getuigenverhoor plaatsgevonden. Het hiervan opgemaakte proces-verbaal bevindt zich in afschrift bij de stukken. 1.4 Het verdere verloop blijkt uit: - een journaalbericht namens de vrouw van 1 juli 2021; een conclusie na enquête namens de man van 3 augustus 2021; een conclusie na enquête namens de vrouw van 3 augustus 2021; een brief van het hof aan partijen van 18 augustus 2021; een brief namens de man van 24 augustus 2021; een journaalbericht namens de vrouw van 31 augustus 2021; twee journaalberichten namens de man van 14 februari 2022, met bijlage(n); een journaalbericht namens de vrouw van 16 februari 2022 met bijlage(n). 1.5 Vervolgens heeft er op 1 maart 2022 opnieuw een mondelinge behandeling plaatsgevonden in een nieuwe samenstelling van het hof. Partijen zijn verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Mr. Van Weert heeft mede het woord gevoerd aan de hand van pleitaantekeningen. Het hof heeft, zoals ter zitting medegedeeld, de bij journaalberichten van 14 februari 2022 overgelegde brief (in twee versies) van de getuige niet toegelaten tot het dossier, gezien de bezwaren van de vrouw tegen het overleggen daarvan en het feit dat de brief van de getuige een inhoudelijke reactie is van de getuige waarop het hof geen acht kan slaan. 2De motivering van de beslissing 2.1 Het hof blijft bij hetgeen is overwogen en beslist in de (tussen)beschikking van 2 februari 2021, voor zover hierna niet anders wordt overwogen of beslist. 2.2 In die beschikking heeft het hof, voor zover hier van belang, de man toegelaten tot het bewijs van feiten en omstandigheden waaruit kan worden afgeleid dat (een deel van) het in die beschikking onder overweging 5.6 vermelde vermogen niet geheel of gedeeltelijk is gevormd uit overgespaard inkomen dat verrekend had moeten worden. Dit betreft: - de auto; - de inmiddels uitgekeerde kapitaalverzekering; - de aandelen van de man in [naam1] B.V.; - de voormalige echtelijke woning van partijen en de aflossingen op de hypotheekschuld van die woning en/of investeringen in verbouwingen van die woning; - overgespaard inkomen voor zover aanwezig in de onderneming van de man. Deze vermogensbestanddelen behoren ofwel tot het privévermogen van de man ofwel tot het te verrekenen vermogen. 2.3 De man stelt dat hij is geslaagd in zijn bewijsopdracht. Hij verwijst in dit verband naar de verklaring van zijn getuige-deskundige en het bij journaalbericht van 25 mei 2021 overgelegde rapport met bijlagen van de getuige-deskundige van diezelfde datum. Hij voert aan dat de getuige-deskundige onder ede verklaart als getuige en dat zij concludeert dat de huishoudelijke kosten van partijen een veelvoud zijn geweest van hetgeen in de onderneming is verdiend. Dit is mogelijk gemaakt door onder meer verkoop van vermogensbestanddelen van de eenmanszaak van de man en het aantrekken van leningen in diezelfde onderneming. Op basis daarvan concludeert de getuige-deskundige dat er geen overgespaard inkomen aanwezig is, aldus de man. 2.4 De vrouw stelt dat niet in geschil is dat er nimmer periodiek is verrekend. Evenmin is in geschil dat in verband hiermee alsnog verrekend dient te worden: - de banktegoeden, - de inboedel en - de motoren (m.u.v. de Moto Guzzi V7 sport), omdat deze goederen/tegoeden zijn verkregen met overgespaard inkomen. Verder stelt zij dat al het inkomen dat is verkregen valt onder het inkomensbegrip als bedoeld in de Wet Inkomstenbelasting 1964. Daarbij wordt geen uitzondering gemaakt voor bepaalde 0inkomsten. Daarom vallen de bijzondere baten onder het inkomensbegrip, temeer omdat de belastingdienst deze als winst uit onderneming, dus als inkomsten aanmerkt. Er is geen sprake van inkomen dat niet valt onder het inkomstenbegrip uit artikel 5.2 van de huwelijkse voorwaarden, zodat geen sprake is van privébestanddelen van de man die niet vallen onder de verrekening, uitgezonderd de Moto Guzzi die op de staat van aanbrengsten staat vermeld. De man heeft niet met feiten en omstandigheden aangetoond dat de auto is gevormd uit inkomen dat niet valt onder het inkomensbegrip van artikel 5.2. van de huwelijkse voorwaarden, aldus de vrouw, en is verder niet geslaagd in zijn bewijsopdracht. 2.5 Het hof stelt voorop dat vast staat dat ten tijde van het huwelijk geen jaarlijkse verrekening heeft plaatsgevonden, zodat het op de peildatum aanwezige vermogen geacht wordt te verrekenen vermogen te zijn, tenzij het tegendeel wordt bewezen. In dat kader heeft de man een bewijsopdracht gekregen. Hierna zal het hof bespreken of de onder 2.2 vermelde vermogensbestanddelen, die vallen onder de bewijsopdracht van de man, te verrekenen vermogensbestanddelen zijn. de auto 2.6 Aan het rapport van de getuige-deskundige zijn stukken gehecht waaruit blijkt dat in 2010 de aanschaf van de auto is betaald door middel van inruil van een andere auto (tegen een inruilwaarde van € 1.000,-) en de betaling van een bedrag van € 13.950,- vanaf de rekening-courant van de man (de zakelijke rekening van de man). De vrouw heeft niet betwist dat de bij aanschaf van de auto ingeruilde auto eveneens was betaald van de zakelijke rekening van de man, zoals de getuige-deskundige heeft geconcludeerd. Naar het oordeel van het hof is de auto, anders dan de man heeft geconcludeerd, geen bedrijfsvermogen, maar privévermogen, omdat de auto niet staat vermeld op de bedrijfsbalans. Daaruit volgt echter niet (zoals de vrouw stelt) dat de auto tot het te verrekenen vermogen behoort, omdat de man heeft aangetoond dat de auto niet is betaald met verrekenbare inkomsten, maar vanuit een opname van de zakelijke rekening. De vrouw heeft haar ter zitting geformuleerde stelling, dat de auto wel is betaald uit verrekenbare inkomsten, te weten een grote belastingteruggave, niet nader onderbouwd. Daarom zal het hof hieraan voorbij gaan. Uit het voorgaande volgt dat naar het oordeel van het hof de auto geen te verrekenen vermogensbestanddeel is. de inmiddels uitgekeerde kapitaalverzekering 2.7 Uit het rapport van de getuige-deskundige en de daarbij overgelegde stukken blijkt dat op de peildatum de kapitaalverzekering niet meer als vermogensbestanddeel aanwezig was, omdat die al in 2008 is afgekocht en uitgekeerd. Dit heeft de vrouw niet betwist. Voor de beoordeling van de vraag of de waarde van de polis behoort tot het te verrekenen vermogen is niet relevant of de premies voor deze verzekering destijds al dan niet zijn betaald uit te verrekenen inkomen, omdat vaststaat dat partijen nimmer hebben verrekend en dientengevolge het op de peildatum aanwezige vermogen, tenzij anders blijkt, verrekend dient te worden. Uit het feit dat het uitgekeerde bedrag op de peildatum niet meer beschikbaar was en de kapitaalverzekering toen niet meer bestond, volgt dat de uitgekeerde (aanspraken op
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.