GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem afdeling civiel recht, handel zaaknummer gerechtshof: 200.296.540 (zaaknummer rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo: 255329) arrest van 7 juni 2022 in de zaak van [appellant] , wonende te [woonplaats1] , appellant, bij de rechtbank: eiser in conventie, verwerende partij in reconventie, hierna: [appellant] , advocaat: mr. E.T.J.A.M. Nijkamp, tegen: [geïntimeerde] , wonende te [woonplaats2] , geïntimeerde, bij de rechtbank: gedaagde in conventie, eisende partij in reconventie, hierna: [geïntimeerde] , advocaat: mr. A.J. Morsink. 1Het verdere verloop van het geding in hoger beroep Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 5 april 2022 hier over. Het verdere verloop blijkt uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling op 21 april 2022, waaraan de spreekaantekeningen van mr. Morsink zijn gehecht. Vervolgens heeft het hof arrest bepaald. 2De vaststaande feiten Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in de rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.9 van het bestreden eindvonnis van 9 juni 2021 van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo. 3Het geschil en de beslissing bij de rechtbank 3.1. [appellant] heeft bij de rechtbank – samengevat en voor zover nu nog van belang – gevorderd dat Restart Your Energy B.V. (hierna: RYE) en [geïntimeerde] hoofdelijk worden veroordeeld tot betaling van € 147.921,13 aan [appellant] , te vermeerderen met de wettelijke (handels)rente en tot betaling van de proceskosten, inclusief de beslagkosten. 3.2. Bij vonnis van 9 juni 2021 heeft de rechtbank [appellant] niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering tegen RYE en de vordering ten aanzien van [geïntimeerde] afgewezen, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten. 4De motivering van de beslissing in hoger beroep Waar het in deze zaak om gaat 4.1. [appellant] heeft een quinta in Portugal en heeft in het najaar van 2018 gereageerd op een oproep van [geïntimeerde] , die een locatie in het buitenland zocht om een resort te beginnen voor life-style retraites. Na een eerste ontmoeting tussen [geïntimeerde] en [appellant] in Portugal, is [appellant] eind oktober 2018 naar Nederland gekomen. Partijen hebben toen in aanwezigheid van de ex-echtgenoot van [geïntimeerde] afspraken gemaakt. Deze afspraken zijn door [appellant] vastgelegd in een document met het opschrift ‘Samenvatting van onze afspraken’. Naast afspraken over door [appellant] aan de quinta te verrichten werkzaamheden is daarin opgenomen dat uitgangspunt is dat [geïntimeerde] de quinta uiteindelijk zal kopen en in het eerste jaar in totaal € 20.000 betaalt. Onder het kopje ‘Worst case scenario’ worden de risico’s voor partijen geschetst. [geïntimeerde] heeft vervolgens voor het project RYE opgericht, met [geïntimeerde] als enig bestuurder. Op 23 april 2019 is door [appellant] als huurder en RYE (vertegenwoordigd door [geïntimeerde] ) als huurder een ‘concept overeenkomst huurcontract’ getekend. Daarin is onder meer opgenomen dat de huur voor een periode van 6 maanden ingaat op 1 mei 2019 tegen een huurprijs van € 10.000,-. De optie van koop van de quinta is ook in deze overeenkomst opgenomen. Daarnaast is bepaald dat bij ontbinding van het huurcontract alle eigendommen van huurder in het pand en op het buitenterrein aan verhuurder vervallen. [appellant] heeft de quinta op 7 mei 2019 aan [geïntimeerde] ter beschikking gesteld en RYE heeft op 10 mei 2019 de eerste gasten in de quinta ontvangen. Omdat verdere boekingen uitbleven en er wrijvingen tussen partijen ontstonden hebben RYE en [geïntimeerde] de quinta op 19 juli 2019 verlaten. Daarmee is het gebruik van de quinta door RYE geëindigd. RYE is met ingang van 28 augustus 2020 ontbonden en op 2 september 2020 uitgeschreven uit het handelsregister, omdat er geen bekende baten meer aanwezig waren. Door [appellant] zijn diverse conservatoire beslagen ten laste van [geïntimeerde] gelegd. 4.2. [appellant] stelt een vordering van € 147.921,13 op RYE te hebben uit hoofde van een huurovereenkomst (€ 10.000,-), overeenkomsten van geldlening (€ 15.467,-) en overeenkomsten van opdracht (€122.454,13). Volgens [appellant] is [geïntimeerde] als bestuurder aansprakelijk voor dit bedrag. Zij is als bestuurder namens RYE verplichtingen aangegaan, terwijl zij op dat moment wist, of redelijkerwijs behoorde te begrijpen, dat RYE niet of niet binnen een redelijke termijn aan die verplichtingen zou kunnen voldoen jegens [appellant] en geen verhaal zou bieden voor de schade ten gevolge van die tekortkoming in de nakoming van haar verplichtingen. 4.3. De rechtbank heeft [appellant] niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering jegens RYE, omdat RYE is opgehouden te bestaan. De rechtbank oordeelde verder dat sprake is geweest van een huurovereenkomst tussen [appellant] en RYE. Dat ook sprake is geweest van overeenkomsten van geldlening of opdracht is volgens de rechtbank door [appellant] onvoldoende onderbouwd. Dat betekent dat [appellant] alleen uit hoofde van de huurovereenkomst een vordering op RYE had. [appellant] heeft naar het oordeel van de rechtbank evenwel onvoldoende gesteld om te kunnen oordelen dat [geïntimeerde] ten tijde van het aangaan van de huurovereenkomst door RYE wist, of redelijkerwijs behoorde te begrijpen dat de vennootschap niet aan haar verplichtingen uit hoofde daarvan zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden. Daarbij heeft de rechtbank betekenis toegekend aan onder meer het toenmalige banksaldo van RYE. Op die grond is de vordering ten aanzien van [geïntimeerde] afgewezen. 4.4. [appellant] is het met dit oordeel niet eens en heeft daartegen verschillende grieven aangevoerd, die het hof gezamenlijk zal bespreken en beoordelen. Het hoger beroep betreft alleen de partijen [appellant] en [geïntimeerde] . [appellant] komt in hoger beroep niet op tegen de niet-ontvankelijkheidverklaring ten aanzien van RYE. Bevoegdheid en toepasselijk recht 4.5. Het hof moet de vraag of de Nederlandse rechter bevoegdheid toekomt in hoger beroep ambtshalve beoordelen. Omdat [geïntimeerde] woonplaats heeft in Nederland, is de Nederlandse rechter op grond van art. 4 lid 1 Herschikte EEX-Vo bevoegd om kennis te nemen van de vordering. 4.6. Het toepasselijk recht moet worden vastgesteld aan de hand van Rome II omdat de vordering een niet-contractuele verbintenis betreft. Partijen kunnen overeenkomen om niet-contractuele verbintenissen aan het door hen gekozen recht te onderwerpen bij overeenkomst die zij sluiten nadat de schadeveroorzakende gebeurtenis zich heeft voorgedaan (art. 14 lid 1 aanhef en onder a Rome II). Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling hebben partijen uitdrukkelijk gekozen voor toepassing van Nederlands recht. Het hof sluit zich bij die keuze van partijen aan. Bestuurdersaansprakelijkheid 4.7. Voor persoonlijke aansprakelijkheid van een bestuurder van een vennootschap, naast die vennootschap, geldt als maatstaf dat aan de bestuurder een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt. Het antwoord op de vraag of de bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt, is afhankelijk van de aard en ernst van de normschending en de overige omstandigheden van het geval. Een bestuurder kan op grond van onrechtmatige daad persoonlijk aansprakelijk worden gehouden als: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.