← Nederland

ECLI:NL:GHARL:2022:4759

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN zittingsplaats Leeuwarden Zaaknummer : Wahv 200.290.999/01 CJIB-nummer : 221348910 Uitspraak d.d. : 10 juni 2022 Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Overijssel van 4 februari 2021, betreffende [de betrokkene] (hierna: de betrokkene), wonende te [woonplaats] . De gemachtigde van de betrokkene is F.R. Eggink, kantoorhoudende te Almelo. De beslissing van de kantonrechter De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaard, die beslissing vernietigd en het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen. Het verloop van de procedure De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding. De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt. De beoordeling

  1. De gemachtigde voert aan dat de kantonrechter op foutieve gronden de beslissing van de officier van justitie in stand heeft gehouden. Het hof stelt vast dat deze conclusie van de gemachtigde berust op een onjuiste lezing van de beslissing van de kantonrechter, nu de kantonrechter de beslissing van de officier van justitie heeft vernietigd.
  2. De gemachtigde voert voorts aan dat hij het niet eens is met de gang van zaken in deze procedure. Op 29 november 2019 werd de behandeling van de zaak voor 3 maanden aangehouden om de ambtenaar een aanvullend proces-verbaal te laten opstellen, vervolgens volgt dit proces-verbaal op 25 maart 2019, dus buiten die drie maanden. Daarna is de behandeling van de zaak nogmaals aangehouden om te wachten op het aanvullend proces-verbaal dat al was toegestuurd. De gemachtigde verzoekt onder verwijzing naar de algemene beginselen van behoorlijk bestuur om vernietiging van de beslissing van de kantonrechter, nu deze slecht is gemotiveerd en onzorgvuldig tot stand is gekomen.
  3. Met betrekking tot het verweer van de gemachtigde dat de kantonrechter in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur heeft gehandeld, overweegt het hof dat de kantonrechter geen bestuursorgaan is. Dat betekent dat voor de kantonrechter de door de gemachtigde genoemde algemene beginselen van behoorlijk bestuur niet gelden.
  4. Voor zover de gemachtigde klaagt over de motivering van de beslissing van de kantonrechter begrijpt het hof de klacht aldus dat de beslissing van de kantonrechter in strijd met artikel 13, tweede lid, van de Wahv niet met redenen is omkleed. De gemachtigde -professionele rechtsbijstandverlener- heeft niet aangegeven in welk opzicht de motivering van de beslissing van de kantonrechter te kort schiet. Deze klacht kan daarom niet leiden tot vernietiging van de beslissing van de kantonrechter.
  5. Het hof is voorts van oordeel dat - hoewel de procedure bij de kantonrechter, zoals door de gemachtigde geschetst, niet de schoonheidsprijs verdient - dit niet meebrengt dat de beslissing van de kantonrechter niet in stand kan blijven. Ook deze klacht treft geen doel.
  6. De bezwaren richten zich verder tegen de inleidende beschikking waarbij aan de betrokkene een sanctie is opgelegd van € 230,- voor: “niet stoppen voor rood licht: tweekleurig verkeerslicht”. Deze gedraging zou zijn verricht op 9 november 2018 om 15.39 uur op de Gramsbergerweg in Hardenberg met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
  7. De gemachtigde voert aan dat de betrokkene de gedraging niet heeft verricht. Het zaakoverzicht is niet onder ede geschreven, zodat niet kan worden uitgegaan van de juistheid van de constatering. Bovendien is er sprake van een tegenstrijdigheid in het zaakoverzicht. De ambtenaar geeft aan dat de betrokkene 5 meter verwijderd was van de stopstreep toen het verklikkerlicht (geel knipperend licht) aan ging. Op deze weg wordt 80 km per uur gereden, dus 22,22 meter per seconde. Het is dan, met een reactietijd van 1 seconde, onmogelijk om stil te staan voor het verkeerslicht. Om die reden is een verklikker aanwezig die aangeeft dat het rode licht na enkele seconden zal gaan branden. De betrokkene kon niet meer stoppen toen het gele licht begon te knipperen en is door het knipperende gele licht gereden. Verder is niet bekend waar de ambtenaar stond en hoe hij heeft gezien dat de betrokkene 5 meter was verwijderd van de stopstreep. Voorts klopt de plaats van de gedraging niet. De betrokkene kwam aanrijden vanuit Gramsbergen en vanuit die richting heet de weg niet de Gramsbergerweg maar de Hardenbergseweg. De ambtenaar stelt dat hij weet dat het verkeerslicht continu rood krijgt, maar dit kan hij niet weten. Uit jurisprudentie van het hof (onder meer de arresten van het hof van 9 oktober 2019, gepubliceerd op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2019:8302 en van 15 juli 2015, gepubliceerd op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHAR:2015:5337) blijkt dat de ambtenaar aan de hand van technische gegevens dient aan te tonen dat alle verkeerslichten tegelijk op rood gaan. Er dient naderhand onderzoek plaats te vinden. Verder kan de gemachtigde zich niet voorstellen dat de agent goed zicht had vanaf de Rodedijk op de (in zijn woorden) Gramsbergerweg, vanwege de hele rij grote bomen naast de weg. Gelet hierop is niet vast te stellen dat de betrokkene 5 meter van de stopstreep verwijderd zou zijn.
  8. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Een ambtsedige verklaring is daarvoor niet vereist. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
  9. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens: “Gedragingsgegevens: ik zag dat het op het verkeerslicht aangebrachte verklikkerlicht aangaf dat het verkeerslicht rood licht ging stralen. Betrokkene was op dat moment ongeveer 5 meter verwijderd van de stopstreep. Betrokkene negeerde dit verkeerslicht en vervolgde zijn weg. Plaatsaanduiding verkeerslicht: kruispunt met de Rodedijk en Westeindigerdijk. Ter plaatse bleek mij bij controle dat het verklikkerlicht tegelijkertijd met het rode verkeerslicht in werking trad. (…) Rijrichting van: GramsbergenRijrichting naar: centrum Hardenberg (…)Verklaring betrokkene: ik dacht dat het nog geel was.”
  10. In het dossier bevindt zich voorts een aanvullend proces-verbaal van 11 maart 2020, waarin de ambtenaar op ambtsbelofte onder meer verklaart: “Op 9 november 2018 omstreeks 15.39 uur bevond ik mij, verbalisant, op de Rodedijk te Hardenberg en belast met de roodlichtnegatie. De Rodedijk vormt samen met de Westeindigerdijk en de Gramsbergerweg een kruispunt in Hardenberg. Dit kruispunt is ongeveer 15 (vijftien) meter verwijderd van de spoorwegovergang van het traject Emmen-Zwolle waarbij de Gramsbergerweg parallel aan deze spoorlijn loopt. (…) Ter beveiliging van deze spoorwegovergang zijn er op dit kruispunt tweekleurige verkeerslichten geplaatst die alleen in werking zijn bij naderende treinen. Deze verkeerslichten zijn alleen geplaatst op de Gramsbergerweg en Rodedijk. Komende vanaf de Westeindigerdijk in de richting van dit kruispunt gaat men eerst deze spoorwegovergang over om bij dit kruispunt aan te komen. Vanaf deze zijde is er ook geen verkeerslicht geplaatst. Op het moment dat er een trein of treinen (dubbelspoor) naderen gaan de drie verkeerslichten tegelijkertijd eerst drie keer geel knipperen en direct daarna gaan deze over in vijf seconden continu geel licht om dan continu rood licht uit te stralen. Dit gebeurt bij alle drie de verkeerslichten op hetzelfde moment omdat deze in de schakelkast op hetzelfde relais zitten. Dat aan de zijde van de Westeindigerdijk geen verkeerslichten zijn geplaatst is gedaan voor voertuigen waar al dan niet aanhangwagens of opleggers zijn gekoppeld. (…) Op het moment dat de overige drie richtingen rood licht uitstralen en het verkeer daarvoor stopt, kan het verkeer op de Westeindigerdijk van de spoorlijn af om het kruispunt op te rijden. Zoals hierboven omschreven stond ik op de Rodedijk en had zeer goed zicht op de stopstreep voor het verkeer dat over de Gramsbergerweg vanuit de richting Gramsbergen komt. Ook betrokkene kwam op 9 november 2018, omstreeks 15.39 uur, vanuit die richting. Op dat tijdstip zag ik dat het verkeerslicht op de Rodedijk, zoals boven omschreven staat, eerst geel ging knipperen om vervolgens op continu geel te gaan en dan continu rood. Omdat alle drie de verkeerslichten op hetzelfde moment, zoals boven omschreven, tegelijkertijd hetzelfde licht uitstralen, weet ik ook wanneer het verkeerslicht op de Gramsbergerweg, komende uit de richting Gramsbergen, continu rood licht krijgt. Op het moment dat het rood werd zag ik dat betrokkene zich nog ongeveer vijf meter voor zijn stopstreep bevond. Ik, verbalisant, zag dat betrokkene met een bepaalde snelheid vanuit de richting Gramsbergen naderde. Ik zag dat betrokkene met dezelfde snelheid of nagenoeg dezelfde snelheid dit rode verkeerslicht negeerde. Omdat ik vanuit mijn positie tegen de achterzijde van de verkeerslichten kijk die op de Gramsbergerweg staan en omdat ik weet dat ze tegelijkertijd werken, heb ik de enige optie in MEOS die in de buurt komt de term verklikkerlicht gebruikt. (…)”
  11. De verwijzing van de gemachtigde naar de jurisprudentie van het hof aangaande de visuele waarneming van een ambtenaar van een rood licht gedraging, gaat in dit geval niet op. In de door de gemachtigde genoemde arresten van het hof was sprake van een situatie, waarin een ambtenaar groen licht waarneemt op het moment dat hij uit een conflicterende rijrichting een voertuig de kruising op ziet rijden, terwijl hij geen zicht heeft op het voor die bestuurder geldende licht. In een dergelijk geval dient een ambtenaar vast te stellen dat de verkeerslichtinstallatie zo is afgesteld dat de conflicterende rijrichtingen niet tegelijkertijd groen licht kunnen krijgen en dat dat ten tijde van de gedraging ook het geval was. Van een dergelijke situatie is hier geen sprake. Het betreft hier geen driekleurig maar een tweekleurig verkeerslicht. Uit de verklaring van de ambtenaar blijkt dat in dit geval sprake is van verkeerslichten die gelijktijdig verspringen in verband met de beveiliging van de naastgelegen spoorwegovergang. De verkeerslichten verspringen op hetzelfde moment omdat deze in de schakelkast op hetzelfde relais zitten. Onder die omstandigheden bestond er voor de ambtenaar geen nadere onderzoeksplicht naar de werking van de verkeersregelinstallatie ten tijde van de gedraging.
  12. Anders dan de gemachtigde stelt, blijkt uit de verklaring van de ambtenaar niet dat de betrokkene 5 meter was verwijderd van de stopstreep toen het licht geel begon te knipperen, maar dat de betrokkene nog 5 meter van de stopstreep was verwijderd toen het verkeerslicht rood licht ging uitstralen.
  13. Het hof ziet in hetgeen de gemachtigde heeft aangevoerd geen reden om te twijfelen aan de verklaring van de ambtenaar inhoudende dat de betrokkene niet is gestopt voor een rood licht uitstralend verkeerslicht. Gelet op hetgeen verder is aangevoerd dient het hof vervolgens te beoordelen of er desondanks redenen zijn om de sanctie achterwege te laten.
  14. Het bepaalde in artikel 69, eerste lid, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 in aanmerking genomen, mag in het algemeen worden verwacht dat een bestuurder te allen tijde in staat is het voertuig tijdig en op verantwoorde wijze voor een verkeerslicht tot stilstand te brengen. Van een bestuurder mag men immers verwachten dat hij anticipeert op een verkeerslicht dat hij nadert en zijn snelheid zodanig aanpast dat tijdig kan worden gestopt. Indien een tweekleurig verkeerslicht geel licht uitstraalt, houdt dit in beginsel in dat moet worden gestopt. Slechts indien men op dat moment het verkeerslicht zo dicht genaderd is dat stoppen niet meer mogelijk is, mag men doorrijden.
  15. Het voorgaande in aanmerking genomen, is voor de beoordeling van het hof slechts relevant of de betrokkene onder de gegeven omstandigheden tijdig heeft kunnen stoppen voor het verkeerslicht. Uit de verklaring van de ambtenaar blijkt dat ter plaatse de geelfase vijf seconden bedroeg.
  16. De vraag of de geellichtfase in de gegeven omstandigheden lang genoeg was om op verantwoorde wijze voor het rode verkeerslicht te stoppen, moet worden beantwoord aan de hand van de stopafstand van het betreffende voertuig. De stopafstand bestaat uit de remweg van het voertuig, plus de afstand die nog wordt afgelegd in de reactietijd van één seconde voordat na het signaleren van het gele licht begonnen wordt met remmen. Het is het hof ambtshalve bekend dat de remweg wordt bepaald door toepassing van de formule S=V²/2xA. Daarbij staat S voor de remweg, V voor de beginsnelheid en A voor de remvertraging.
  17. Blijkens de RDW-voertuiggegevens behorende bij het kenteken [kenteken] gaat het in het onderhavige geval om een personenauto die in gebruik is genomen op 12 januari
  18. Artikel 5.2.38, eerste lid, van de Regeling Voertuigen bepaalt dat personenauto's, in gebruik genomen na 31 december 2011, moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 5,8 m/ s² bedraagt.
  19. Uitgaande van een beginsnelheid van 80 kilometer per uur (22,22 m/s), de ter plaatse geldende maximumsnelheid, en een remvertraging van 5,8 m/s² levert de remwegformule een remweg op van 42,56 meter. Wanneer daar een reactieafstand van 22,22 meter bij opgeteld wordt, blijkt dat de totale stopafstand van het voertuig 64,78 meter is. Het hof merkt hierbij op dat bij verreweg de meeste voertuigen de remvertraging een stuk groter is dan minimaal vereist, zodat de remweg en dus ook de stopafstand feitelijk nog korter is.
  20. Als ervan wordt uitgegaan dat de betrokkene op het moment dat het verkeerslicht geel licht begon uit te stralen, reed met de maximaal toegestane snelheid van 80 km/h (22,22 m/s), was de betrokkene op dat moment ongeveer 111 meter (22,22 meter x 5 seconden geel licht) van de stopstreep verwijderd. Derhalve is de stopafstand van 64,78 meter voldoende geweest om tijdig voor de stopstreep te kunnen stoppen.
  21. Gelet op het voorgaande is niet gebleken dat de betrokkene niet tijdig en op verantwoorde wijze heeft kunnen stoppen voor het verkeerslicht.
  22. Met betrekking tot de plaats van de gedraging overweegt het hof als volgt. Uit de verklaring van de ambtenaar in combinatie met de door de gemachtigde overgelegde uitdraai uit Google Maps, volgt dat de betrokkene reed op de voorrangsweg, komende uit de richting van Gramsbergen en dat de voorrangsweg op de kruising van naam verandert. De weg, komende uit de richting Hardenberg, heet de Gramsbergerweg, terwijl de weg komende uit de richting Gramsbergen de Hardenbergseweg heet. Nu de betrokkene kwam uit de richting Gramsbergen, is de gedraging dus niet verricht op de Gramsbergerweg, zoals in de inleidende beschikking is vermeld, maar op de Hardenbergseweg.
  23. Het is vaste rechtspraak van het hof dat een betrokkene moet kunnen nagaan voor welke gedraging de sanctie is opgelegd. Is dat het geval, dan hoeven eventuele fouten in de vermelde gegevens niet te leiden tot vernietiging van de inleidende beschikking waarbij de sanctie is opgelegd.
  24. Naar het oordeel van het hof hoeft deze onjuiste vermelding niet te leiden tot vernietiging van de inleidende beschikking, maar kan de pleeglocatie in die beschikking worden gewijzigd. De betrokkene is staandegehouden en weet dus waar de gedraging heeft plaatsgevonden en tegen welk verwijt hij zich dient te verdedigen. Bovendien staat in het zaakoverzicht dat het betreffende verkeerslicht zich bevindt op het kruispunt met de Rodedijk en Westeindigerdijk en dat de betrokkene kwam uit de richting van Gramsbergen en reed in de rijrichting naar het centrum van Hardenberg. De betrokkene wordt door deze wijziging dus niet in zijn verdedigingsbelangen geschaad.
  25. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de pleeglocatie in de inleidende beschikking wijzigen. Dit brengt mee dat de beslissing van de kantonrechter niet in stand kan blijven voor zover daarbij het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond is verklaard. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter dan ook in zoverre vernietigen en doen hetgeen de kantonrechter had behoren te doen.
  26. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. de arresten van het hof van 28 april 2020 en 1 april 2021, vindplaatsen op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336 en 2021:1786). De beslissing Het gerechtshof: vernietigt de beslissing van de kantonrechter voor zover daarbij het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond is verklaard; verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking gedeeltelijk gegrond; wijzigt de inleidende beschikking in zoverre dat de locatie van de gedraging wordt gewijzigd in “Hardenbergseweg”; wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af. Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Landstra als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.