GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden afdeling civiel recht, handel zaaknummer gerechtshof 200.301.827/01 (zaaknummer rechtbank Overijssel 9380112) arrest in kort geding van 14 juni 2022 in de zaak van [appellant] , wonende te [woonplaats1] , appellant,bij de kantonrechter: eiser, hierna: [appellant], advocaat: mr. M.P. Harten, die kantoor houdt te Rotterdam, tegen [geïntimeerde] Overslagbedrijf B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , geïntimeerde, bij de kantonrechter: gedaagde, hierna: [geïntimeerde] BV, advocaat: mr. J.W. Both, die kantoor houdt te Kampen. 1De verdere procedure bij het hof 1.1 Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 22 maart 2022 hier over. 1.2 Op grond van dat tussenarrest heeft op 11 mei 2022 een mondelinge plaatsgevonden. Het hiervan opgemaakte proces-verbaal bevindt zich in afschrift bij de stukken. 1.3 Aan het einde van de mondelinge behandeling heeft het hof een datum vastgesteld waarop arrest zal worden gewezen. 2Waar gaat het in deze zaak om? 2.1 [appellant] heeft enkele van [geïntimeerde] BV gehuurde containers en een eigen container met daarin onder meer glas in lood door [geïntimeerde] BV. laten opslaan. De containers staan op een terrein van [geïntimeerde] BV in [plaats1] . [appellant] heeft de overeenkomst opgezegd en wilde de containers met hun inhoud afvoeren naar een inmiddels door hem gehuurde bedrijfsruimte. Daarover is tussen partijen een conflict gerezen. [geïntimeerde] BV weigerde de (inhoud van) de containers aan [appellant] af te geven wanneer [appellant] niet eerst de laatste rekening voor huur en opslag van de containers zou voldoen. [appellant] stelt dat hij schade heeft geleden door toedoen van [geïntimeerde] BV. Die heeft de eigen container van [appellant] verplaatst, waardoor schade is ontstaan aan het in de container opgeslagen glas in lood. Verder heeft hij die andere bedrijfsruimte moeten gaan huren, omdat [geïntimeerde] BV beperkingen had gesteld aan zijn toegang tot de containers. Daardoor kon hij zijn bedrijfsactiviteiten niet meer vanuit zijn containers uitvoeren. [geïntimeerde] BV dient hem daarom de huurkosten van die andere bedrijfsruimte te vergoeden. Daarnaast lijdt hij schade in zijn bedrijfsuitoefening zolang [geïntimeerde] BV hem niet toelaat tot zijn spullen in de containers. 2.2 De kantonrechter te Zwolle heeft in het door [appellant] aanhangig gemaakte kort geding [geïntimeerde] BV in een vonnis van 13 september 2021 veroordeeld om [appellant] (en door [appellant] ingeschakelde schade-experts) vrije toegang te verlenen tot de containers op doordeweekse werktijden. De overige vorderingen, waaronder de vordering tot betaling van een voorschot op de door [appellant] gestelde schade door het verplaatsen van de eigen container, heeft de kantonrechter afgewezen. 2.3 Het hof zal het kort geding vonnis van de kantonrechter bekrachtigen. Dit oordeel zal het hof hierna motiveren, door eerst de relevante feiten te vermelden en door daarna in te gaan op de standpunten van partijen. Het hof zal in dat verband ook de bezwaren (‘grieven’) van [appellant] tegen het vonnis van de kantonrechter bespreken en bij zijn oordeel zo nodig ook de verweren van [geïntimeerde] BV betrekken, die door de kantonrechter zijn verworpen of buiten behandeling zijn gelaten. 3 3. De relevante feiten3.1 [geïntimeerde] BV houdt zich onder meer bezig met de verhuur van containers en van opslagplekken. Zij heeft een opslaglocatie aan de [adres] te [plaats1] . [geïntimeerde] had tot augustus 2018 opslagruimte op het Regionaal Overslag Centrum (ROC), dat gevestigd was op een terrein nabij de industriehaven van Kampen. 3.2 [appellant] heeft een eenmanszaak onder de naam “ [naam1] ”, gericht op de verkoop van glas in lood. Daarnaast houdt hij zich bezig met de recycling van bouwmaterialen. 3.3 Begin 2016 hebben [geïntimeerde] B.V. en [appellant] een overeenkomst gesloten, die inhield dat [appellant] vier containers plus gestapelde opslagplaats van [geïntimeerde] B.V. huurde voor de opslag van glas in lood. In de offerte die ten grondslag ligt aan deze overeenkomst is onder meer vermeld dat het “op de stapel zetten” van een container € 21,- kost en het “later weer uit de stapel halen” ook. De huur van de containers had als achtergrond dat [appellant] zijn activiteiten op het gebied van glas in lood tijdelijk wilde stoppen, de huur van zijn bedrijfsruimte had opgezegd en de inventaris daarvan moest opslaan. 3.4 [geïntimeerde] B.V. factureerde [appellant] tweemaal per jaar voor de huur en de opslag van de containers. Op de facturen wordt melding gemaakt van een betalingstermijn van 28 dagen. Uit deze facturen volgt dat [geïntimeerde] B.V. [appellant] vanaf 1 februari 2019 ook factureerde voor de opslag van een eigen container en vanaf 18 september 2019 ook voor de huur en opslag van een vijfde container. Die laatste container werd door [appellant] gebruikt als “werkcontainer”. Vanuit die container verrichtte hij werkzaamheden. Sinds eind 2020 is dat (ook) op het gebied van glas in lood. 3.5 [geïntimeerde] B.V. heeft de vier in eerste instantie gehuurde containers in augustus 2018, nadat zij geen gebruiksrecht meer had van het ROC, laten verplaatsen van het ROC naar haar opslaglocatie aan de [adres] te [plaats1] . De containers werden op de ‘begane grond’ geplaatst zodat [appellant] direct toegang had tot die containers. 3.6 Op 20 mei 2021 heeft [geïntimeerde] B.V. een factuur van € 2.994,75 (incl. btw) gestuurd naar [appellant] voor de huur en opslag van de vijf respectievelijk zes containers en de opslag van nog een stapelaar. De betalingsfactuur van (ook) deze factuur was 28 dagen. 3.7 Op 7 juni 2021 constateerde dhr. [naam2] , directeur van [geïntimeerde] BV, (hierna: [naam2] ) dat [appellant] de materialen en gereedschappen uit zijn werkcontainer had verwijderd. [appellant] gaf daarop mondeling te kennen dat hij de overeenkomst opzegde en dat hij de andere containers met hun inhoud wilde laten overbrengen naar een inmiddels door hem gehuurde bedrijfsruimte. Op 11 juni 2021 heeft een door hem ingeschakeld kraanbedrijf, Van der Vegt, vergeefs geprobeerd de containers te verplaatsen en te vervoeren. 3.8 In een mail van 12 juni 2021 aan [geïntimeerde] BV bevestigde [appellant] dat hij de huur van de werkcontainer per 7 juni 2021 had opgezegd en dat was afgesproken dat hij de andere containers op 11 juni zou laten verwijderen, maar dat dat niet was gelukt. Hij schreef dat het verwijderen volgens Van der Vegt alleen zou lukken met een kraan die € 2.000,- per dag kostte, dat hij de containers zo spoedig mogelijk wilde hebben en wilde weten wanneer dat op een goedkopere manier zou kunnen “en die containers 5 stuks wel op een veilige manier verplaats kunnen worden op dat een auto die kan afhalen wel een zelf lader dus die kan van een kant maar laden” . 3.9 [geïntimeerde] BV reageerde in een e-mail van 14 juni 2021 van 13.43 uur, waarin zij schreef dat zij nog van [appellant] zou horen op welke locatie hij de vier nog resterende gehuurde containers wilde neerzetten. [geïntimeerde] BV schreef verder: “Ervan uitgaande dat de inhoud goed is gestapeld, is de kans dat deze beschadigd tijdens het verplaatsen op mijn terrein vele malen kleiner dan tijdens het vervoer (rotondes van links naar rechts of andersom en optrekken en afremmen. Ik ben best bereid de containers proberen te verplaatsen, zodat ze door een vrachtauto met laadkraan of door een zijlader kunnen worden opgehaald. Ik wil wel van tevoren weten met welke van de 2 mogelijkheden je gaat werken, zodat ik ze op de juiste manier kan neerzetten”. Daarbij deed zij opgave van de kosten. 3.10 In een e-mail van 14 juni 2021 van 13.59 uur aan [geïntimeerde] BV reageerde [appellant] met het verzoek om ruimte te maken rond de door hem gehuurde containers door drie andere containers te verwijderen, omdat de gehuurde containers anders alleen via een dure oplossing verwijderd konden worden. Hij schreef onder meer: “(..) elke dag dat ik die containers niet kan afhalen zal ik een schadevergoeding eisen wegens het niet kunnenwerken met mijn daar in liggende materialen bij geen reaktie zal ik juridische stappen zetten.”[naam2] reageerde diezelfde dag met een e-mail van 14:28 uur, waarin hij aangaf dat [appellant] nog steeds het adres niet had gegeven waar de containers naar toe moesten. Als [appellant] zich formeel opstelt, zal hij dat ook doen en zal hij alleen doen waartoe hij verplicht is. Hij sluit af:“Nu we toch juridisch bezig zijn: Er staat nog een factuur open waarvan de vervaldatum 16 juni as is. Ik zie uw betaling graag voor of op die datum op mijn bankrekening, daar ik anders het recht van retentie inroep.” 3.11 In een e-mail aan [appellant] van 15 juni 2021 schreef [naam2] dat hij gezien het e-mailverkeer vreest dat [appellant] van plan is de openstaande facturen niet te betalen. Hij stelt daarin dat [appellant] zijn spullen pas kan ophalen nadat hij de rekeningen heeft betaald. Ook ontzegt hij [appellant] de toegang tot zijn terrein zonder zijn toestemming. Daarop liet [appellant] weten dat als [naam2] het hek gesloten zou houden, hij zich met een slijptol toegang zou verschaffen. 3.12 Op 15 of 16 juni 2021 heeft [geïntimeerde] BV de eigen container van [appellant] een aantal meter verplaatst om het vervoer van die container te vergemakkelijken. In een e-mail van 16 juni 2021 schreef [naam2] daarover aan [appellant] : “Uw container staat momenteel klaar om met een zijlader op te kunnen halen. Er daarna is er voldoende mogelijkheid om uw spullen uit de gehuurde containers te halen. Dit alles mag echter pas doen nadat u uw schulden aan mij hebt betaald.” 3.13 Naar aanleiding van die verplaatsing schreef [appellant] in een e-mail van 17 juni 2021:“U heeft zonder toestemming mijn container versleept waardoor schade is ontstaan waar ik u aansprakelijk voor stel (…)”. 3.14 Na het vonnis van 13 september 2021 heeft [appellant] inmiddels drie containers uitgeruimd en de inhoud daarvan overgebracht naar zijn nieuwe bedrijfsruimte. 4 4. De beoordeling van het geschil 4.1 De vordering van [appellant] in hoger beroep strekt ertoe dat de door hem bij de kantonrechter ingestelde vorderingen alsnog volledig zullen worden toegewezen. Het hof zal op basis van de door [appellant] aangevoerde grieven tegen het kortgedingvonnis opnieuw beoordelen of die vorderingen toewijsbaar zijn. 4.2 [appellant] heeft bij de kantonrechter de volgende vorderingen tegen [geïntimeerde] BV ingesteld, zakelijk weergegeven: a. om [appellant] , alsmede één of meer schade-experts, vrije toegang te verlenen tot de bij [appellant] in gebruik zijnde containers, zulks op verbeurte van een dwangsom; b. om de drie containers die in de weg staan zodanig verplaatst te hebben dat het takelbedrijf Jac. van der Vegt en Zonen goed bij de bij [appellant] in gebruik zijnde containers kan komen en die kan verplaatsen, zulks op verbeurte van een dwangsom; c. om [appellant] als voorschot op een schadevergoeding doordat [naam2] de container heeft verplaatst/versleept, te betalen een bedrag van € 6.000,--, vermeerderd met wettelijke rente daarover; d. om aan [appellant] € 450,- te voldoen als schadevergoeding voor de kosten van het huren van een andere loods over de maanden juni en juli 2021; e. om aan [appellant] te voldoen een bedrag van € 225,-- per maand tot en met 10 oktober 2021 en € 450,-- per maand vanaf 11 oktober 2021 tot de laatste dag waarop [appellant] niet bij de bij hem in gebruik zijnde containers toegelaten wordt; f. te bepalen dat [appellant] vanaf 1 juni 2021 tot het moment waarop hij vrije toegang tot de containers heeft en deze naar een ander terrein kan en mag verplaatsen geen opslagkosten en geen huur hoeft te betalen; g. tot betaling van de kosten van dit geding. 4.3 Ten aanzien van de vordering sub
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.