GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN locatie Arnhem nummer 20/01090 uitspraakdatum: 25 januari 2022 Uitspraak van de vijfde meervoudige belastingkamer op het hoger beroep van [belanghebbende] te [woonplaats] (Verenigd Koninkrijk) (hierna: belanghebbende) en het incidentele hoger beroep van de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Zwolle (hierna: de Inspecteur) tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 27 oktober 2020, nummer AWB 19/5627, ECLI:NL:RBGEL:2020:5695, in het geding tussen belanghebbende en de Inspecteur 1Ontstaan en loop van het geding 1.
(1980)(hierna: het Verdrag) geacht wordt inwoner van Nederland te zijn. 4.27. Artikel 4, lid 2, van het Verdrag bevat een tie-breaker bepaling teneinde de verdragswoonplaats van een natuurlijk persoon vast te stellen die volgens de wetgeving van beide staten inwoner is van beide verdragsluitende staten. Het tweede lid luidt: ‘Indien een natuurlijk persoon ingevolge de bepalingen van het eerste lid inwoner van beide Staten is, wordt zijn positie als volgt bepaald: hij wordt geacht inwoner te zijn van de Staat waar hij duurzaam een tehuis tot zijn beschikking heeft; indien hij in beide Staten een duurzaam tehuis tot zijn beschikking heeft, wordt hij geacht inwoner te zijn van de Staat waarmede zijn persoonlijke en economische betrekkingen het nauwst zijn (middelpunt van zijn levensbelangen); indien niet kan worden bepaald in welke Staat hij het middelpunt van zijn levensbelangen heeft, of indien in geen van de Staten een duurzaam tehuis tot zijn beschikking heeft, wordt hij geacht inwoner te zijn van de Staat waar hij gewoonlijk verblijft; indien hij in beide Staten of geen van beide gewoonlijk verblijft, wordt hij geacht inwoner te zijn van de Staat waarvan hij onderdaan is; indien hij onderdaan is van beide Staten of van geen van beide, regelen de bevoegde autoriteiten van de Staten de aangelegenheid in onderlinge overeenstemming.’ 4.28. Het Hof is van oordeel dat de Inspecteur ook op basis van de normale regels omtrent verdeling van de bewijslast aannemelijk heeft gemaakt dat belanghebbende voor de toepassing van het Verdrag geacht moet worden inwoner te zijn van Nederland op grond van het onder sub a genoemde criterium. Voor een geval als het onderhavige, waarin de belastingplichtige in beide Staten duurzaam een tehuis tot zijn beschikking heeft, dient voor het vaststellen van de woonplaats aan te worden gesloten bij de Staat waarmee zijn persoonlijke en economische betrekkingen het nauwst zijn. Uit de onder 4.24. genoemde omstandigheden volgt naar het oordeel van het Hof dat belanghebbende nauwe persoonlijke en economische betrekkingen met Nederland onderhield, terwijl over het bestaan van enige persoonlijke of economische betrekkingen met het Verenigd Koninkrijk niets anders is aangevoerd dan dat belanghebbende aldaar een woning tot zijn beschikking had en de blote stelling dat belanghebbende zijn sociale leefomgeving in het Verenigd Koninkrijk zou hebben. In het licht van hetgeen de Inspecteur heeft aangevoerd is dat onvoldoende om tot een ander oordeel te komen. 4.29. Het Hof merkt daarbij nog ten overvloede op dat, nu de beoordeling van de verdragswoonplaats van belang is voor de hoogte van het belastbare inkomen (als gevolg van verdeling van heffingsrechten), de sanctie van omkering en verzwaring van de bewijslast naar het oordeel van het Hof in beginsel wel van toepassing is op de beoordeling van de verdragswoonplaats. Aangezien hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd al ontoereikend is om onder de normale bewijslastverdeling tot een ander oordeel te komen, behoeft de vraag of belanghebbende is geslaagd in de op hem rustende verzwaarde bewijslast geen verdere behandeling. 3.f. Berusten de door de Inspecteur aangebrachte correcties op een redelijke schatting en zijn de correcties voldoende onderbouwd? 4.30. Het Hof heeft in overweging 4.18 overwogen dat de sanctie van omkering en verzwaring van de bewijslast van toepassing is ten aanzien van de door de Inspecteur aangebrachte correcties, nu deze betrekking hebben op bestanddelen van het inkomen ter zake waarvan de Inspecteur een onherroepelijk geworden informatiebeschikking heeft afgegeven en belanghebbende deze informatie niet heeft verstrekt. Uit vaste jurisprudentie volgt evenwel dat de aangebrachte correcties niet naar willekeur mogen worden vastgesteld en dat het aan de Inspecteur is de schatting van het inkomen zodanig met feitelijke stellingen te onderbouwen dat die schatting de redelijkheidstoets kan doorstaan. 4.31. De Inspecteur heeft het belastbare inkomen uit werk en woning na vermindering bij uitspraak op bezwaar vastgesteld op € 587.121. De Inspecteur heeft daarbij rekening gehouden met de volgende inkomsten: - Een loon van GBP 540.000, oftewel € 557.453; - Een gebruikelijk loon in de zin van artikel 12a, van de Wet op de loonbelasting 1964 van € 250.000; - Het eigenwoningforfait van de woning ‘ [naam huis] ’ van € 9.150; - Betaalde hypotheekrente van € 229.482. Ter onderbouwing van de correctie van het loon met GBP 540.000 heeft de Inspecteur als bijlage 66 bij het verweerschrift in beroep drie overeenkomsten van opdracht overgelegd. Ter onderbouwing van de correctie van het gebruikelijk loon van € 250.000 heeft de Inspecteur het ‘Memorandum of Execution on the consolidation sheet version 15.6’ van [naam4] B.V. overgelegd. 4.32. De Inspecteur heeft het belastbare inkomen uit aanmerkelijk belang na vermindering vastgesteld op € 64.542.889 (€ 28.165.966 + € 36.376.923). Daarbij heeft de Inspecteur de volgende opbrengsten in aanmerking genomen: - De verkoopopbrengst van de aandelen [naam13] AG: € 104.542.889 minus de verkrijgingsprijs van die aandelen van € 76.376.923, zijnde een vervreemdingsvoordeel van € 28.165.966; - Een bedrag van € 36.376.923 aan reguliere voordelen uit aanmerkelijk belang (verkapt dividend). Ter onderbouwing van deze correcties bevindt zich in het dossier onderdeel 5 (‘Gevolgen aandelentransactie [naam13] AG’ van het p-v ‘Winst uit aanmerkelijk belang en dividend’). Daarin is, voor zover relevant, het volgende vermeld: “ [belanghebbende] : • verkrijgt de aandelen [naam13] AG in 2006 voor een prijs van € 40.000.000 (hoofdstuk 2 [blz. 1200 e.v.]) • verkoopt de aandelen [naam13] AG in 2007 voor een prijs van € 104.542.889 (hoofdstuk 3 [blz. 1207 e. v.]) • maakt met deze aandelentransactie een winst van € 64.542.889 Voorafgaand aan de verkoop van de aandelen [naam13] AG is er nog een aantal gebeurtenissen die de hoogte van de verkrijgingsprijs van de aandelen beïnvloeden (hoofdstuk 4): Door [naam15] inclusief [naam18] te onttrekken aan het vermogen van [naam16] Ltd en [naam24] Ltd voor een lagere waarde dan de werkelijke waarde van de grond, doet [belanghebbende] een onttrekking aan het vermogen van beide vennootschappen ter grootte van het verschil tussen de verkoopwaarde en de werkelijke waarde. De vennootschappen [naam16] Lid en [naam24] Ltd worden hierdoor benadeeld. Tegenover de onttrekkingen aan de vermogens van beide vennootschappen staat een informele kapitaalstorting (infokap) die [belanghebbende] op hetzelfde moment doet in de vennootschap waarin de grond ingebracht wordt: [naam25] Ltd. Indirect wordt de informele kapitaalstorting gedaan in [naam13] AG de moedermaatschappij van [naam25] Ltd. [naam15] (…) Door [naam15] te verkopen van [naam16] aan [naam25] Ltd. voor $ 3.500.000 [€ 2.700.000] doet [belanghebbende] een onttrekking aan het vermogen van [naam16] ter grootte van € 32.300.000. De grond [naam15] is immers € 35.000.000 waard. Hiertegenover staat een informele kapitaalstorting in het vermogen van [naam25] Ltd. De informele kapitaalstorting verhoogt de verkrijgingsprijs van de aandelen [naam13] AG (moeder [naam25] Ltd) met het bedrag van € 32.300.000. [naam18] (…) Door [naam15] inclusief [naam18] in te brengen in [naam25] Ltd, doet [belanghebbende] een onttrekking aan het vermogen van [naam24] Ltd. De grond [naam18] is opgegaan in de grondstukken AN-9 en AN-10 en er is geen tegenprestatie bedongen. [naam26] krijgt geen vergoeding voor de onttrekking van [naam18] . De grond wordt ingebracht tegen € 0. Hiertegenover staat een informele kapitaalstorting in het vermogen van [naam25] Ltd. De informele kapitaalstorting verhoogt de verkrijgingsprijs van de aandelen [naam13] AG (als moeder van [naam25] Ltd) met het bedrag van US$ 5.300.000 [€ 4.076,923]. (…) Door het uitvoeren van de aandelentransactie maakt [belanghebbende] een winst van € 28.165.966 en ontvangt hij een dividendvoordeel van € 36.376.923. *) Verkrijgingsprijs 2006: € 40.000.000 (De verkrijgingsprijs van € 40.000.000 is tot stand gekomen na aanpassing van de prijs, door bespreking met [naam12] op 12 december 2006. Anders zou de verkrijgingsprijs van de aandelen US $1 zijn. En dan had [belanghebbende] in verband met het terugdraaien van de verkoop van [naam27] en [naam28] eind 2006 indirect (via aandelen [naam25] Ltd.) voor US $1 verkregen, zie hiervoor paragraaf 2.3.2.1. In dat geval was de winst € 39.999.999 hoger geweest.)" 4.33. Het belastbare inkomen uit sparen en beleggen heeft de Inspecteur bij uitspraak op bezwaar nader vastgesteld op € 833.000, rekening houdend met: - Het door belanghebbende aangegeven saldo van de rendementsgrondslag van € 630.158; - Een Zwitsers banktegoed van € 18.928.000 (€ 17.500.000 * 1,04 * 1,04); - Een effectenportefeuille met een waarde van € 787.000 (€ 550.900 / 70%); - Een tweede effectenportefeuille met een waarde van € 1.100.000. 4.34. Naar het oordeel van het Hof heeft de Inspecteur de schatting van de belastbare inkomsten van belanghebbende voldoende onderbouwd met feitelijke stellingen die zijn gebaseerd op de tot de gedingstukken behorende informatie verkregen uit het uitgevoerde FIOD-onderzoek zodat zij de redelijkheidstoets kunnen doorstaan. 4.35. Gelet op het bepaalde in artikel 27e, lid 1, van de AWR en het onder 4.18 overwogene, rust op belanghebbende de last om te doen blijken dat en in hoeverre de aangebrachte correcties onjuist zijn. In dat kader merkt het Hof op dat belanghebbende zich in beroep alsmede in hoger beroep heeft beperkt tot het stellen dat hij in privé nooit over het bedrag van € 17,5 miljoen heeft beschikt en dat hij door het tijdsverloop en het faillissement verder niet over informatie beschikt om de onjuistheid van de correcties te onderbouwen. Het Hof is dan ook van oordeel dat belanghebbende met hetgeen hij heeft aangevoerd niet is geslaagd in de op hem rustende bewijslast zodat de correcties in stand blijven. Onderdeel 4 – Misbruik van bevoegdheid en overlegging op de zaak betrekking hebbende stukken 4.a. Heeft de Inspecteur alle op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd? 4.36. Belanghebbende stelt dat de Inspecteur niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd en dat daarmee sprake is van schending van artikel 29, van de AWR, in samenhang gelezen met artikel 8:42, van de Awb. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft belanghebbende verwezen naar de uitspraak van gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 23 april 2020, nr. 18/00512, ECLI:NL:GHSHE:2020:1398, en het tegen die uitspraak gerichte beroepschrift in cassatie. 4.37. Ten aanzien van de schending van de verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken te overleggen, heeft het gerechtshof ’s-Hertogenbosch in voornoemde uitspraak, in de overwegingen 4.1.1 tot en met 4.1.14 uiteengezet dat de stukken die zijn ingezien door de twee belastingambtenaren die bijstand hebben verleend aan het FIOD-onderzoek, tot de op de zaak betrekking hebbende stukken als bedoeld in artikel 8:42, van de Awb moeten worden gerekend. Door die stukken niet in het geding te brengen heeft de Inspecteur in zoverre niet aan zijn verplichting voldaan om alle op de zaak betrekking hebbende stukken in te brengen. In overweging 4.1.15 van die uitspraak heeft het gerechtshof ’s-Hertogenbosch evenwel overwogen: “Ten aanzien van artikel 8:31 van de Awb 4.1.15. Het hof komt daarom toe aan de vraag welk(
- e)gevolg(
- en)het moet verbinden aan het verzuim van de inspecteur. Het hof slaat acht op het volgende. De twee belastingambtenaren hebben verklaard dat zij in beslag genomen stukken hebben bestudeerd. Door de FIOD in beslag genomen stukken zijn, naar de inspecteur onweersproken heeft gesteld, op 30 april 2018 teruggegeven aan de strafadvocaat van belanghebbende. Voor zover belanghebbende heeft bedoeld te stellen dat de twee belastingambtenaren ook andere stukken (moeten) hebben ingezien, verwerpt het hof die stelling als speculatief en weerlegd door de geloofwaardige verklaringen van de twee belastingambtenaren. Een grote hoeveelheid stukken uit het strafrechtelijke onderzoek is door de inspecteur wél in het geding gebracht, namelijk alles waar de inspecteur als zodanig daadwerkelijk over (heeft) beschikt. Het is feitelijk onmogelijk voor de inspecteur om de stukken alsnog in het geding te brengen; de stukken zijn niet (in afschrift) aan de inspecteur verstrekt en de FIOD beschikt niet meer over die stukken, gezien de voornoemde teruggave van 30 april 2018. Gesteld noch gebleken is dat de niet-inbreng van de hier bedoelde stukken uit het onderzoeksdossier voortkomt uit een oogmerk of strategie van de inspecteur om relevante stukken achter te houden. Ter bestrijding van de navorderingsaanslag kon belanghebbende zelf zonodig putten uit de door de FIOD in beslag genomen stukken, aangezien die stukken inmiddels aan hem teruggegeven zijn. Gelet op het opgesomde, in onderlinge samenhang bezien, acht het hof geen termen aanwezig voor het verbinden van enig gevolg aan het verzuim van de inspecteur.” De Hoge Raad heeft het daartegen gerichte middel in cassatie bij uitspraak van 19 maart 2021 zonder nadere motivering ongegrond verklaard. 4.38. Het Hof leest in hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd geen andere gronden dan hetgeen is aangevoerd in het kader van de procedure over de aan belanghebbende opgelegde navorderingsaanslag in de IB/PVV over het jaar 2005. Het Hof neemt de hiervoor genoemde overwegingen 4.1.1 tot en met 4.1.15 uit de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch over en maakt deze tot de zijne. Het Hof verbindt geen gevolgen aan het verzuim van de Inspecteur. 4.b. Is sprake van misbruik van bevoegdheid door de Inspecteur? 4.39. Belanghebbende stelt dat sprake is van misbruik van bevoegdheid door de Inspecteur nu de strafrechtelijke vervolging van belanghebbende slechts zou zijn ingestoken om informatie te verkrijgen ten behoeve van de aanslagregeling. Het Hof begrijpt deze stelling aldus dat belanghebbende stelt dat sprake is van détournement de pouvoir, dan wel dat het door de Inspecteur overgelegde bewijs anderszins onrechtmatig is verkregen. Het Hof volgt belanghebbende niet in deze stelling en overweegt daartoe als volgt. 4.40. De stukken van het geding bieden geen enkele aanwijzing dat de medewerkers [naam29] en [naam22] in het kader van hun bijstand aan de FIOD op onrechtmatige wijze bewijsmateriaal voor de Inspecteur hebben verzameld dan wel dat zij daarbij misbruik van hun bevoegdheden zouden hebben gemaakt. Het Hof overweegt daarbij dat tegen belanghebbende weliswaar uiteindelijk geen fiscale strafzaak aanhangig is gemaakt, maar dat tegen hem weldegelijk strafrechtelijke verdenkingen zijn gerezen op basis van de artikelen 336, 225, 343 en 420bis Wetboek van Strafrecht en het indienen van een onjuiste belastingaangifte overeenkomstig artikel 69, lid 2, van de AWR. Onderdeel 5 - Is de Inspecteur terecht veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade, proceskosten en het griffierecht? 4.41. Bij incidenteel hoger beroep komt de Inspecteur op tegen de beslissing van de Rechtbank om de Inspecteur te veroordelen tot vergoeding van € 1.000 aan immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn, de proceskosten en het griffierecht. Niet in geschil is dat de redelijke termijn voor de eerste fase (behandeling van bezwaar en beroep) afgerond 33 maanden heeft geduurd, waarmee de redelijke termijn met negen maanden is overschreden. Evenmin is in geschil dat de behandeling van het bezwaar 13 maanden langer heeft geduurd dan de daarvoor geldende termijn van 6 maanden. Volgens de Inspecteur heeft de Rechtbank bij die beslissing evenwel ten onrechte geen rekening gehouden met de bijzondere omstandigheid dat in dit geval de lange behandelduur van het bezwaarschrift grotendeels aan belanghebbende is toe te rekenen. 4.42. Bij de beoordeling van dit onderdeel stelt het Hof voorop dat, gelet op de herkansingsfunctie van het hoger beroep, het de Inspecteur in beginsel vrij staat om zich in hoger beroep te verweren met alle gronden die hij dienstig acht. Dit is slechts anders voor zover het desbetreffende standpunt ondubbelzinnig zou zijn prijsgegeven, dan wel wordt aangevoerd onder zodanige omstandigheden, dat behandeling ervan zou leiden tot inbreuk op een goede procesorde dan wel de beginselen van behoorlijk bestuur. Het maakt daarbij geen verschil of een nieuw standpunt in hoger beroep wordt aangevoerd bij wijze van verweer of bij wege van incidenteel hoger beroep. De uitspraak van de Rechtbank noch de stukken van het geding bieden een aanknopingspunt voor de aanwezigheid van een van deze uitzonderingsgevallen. De enkele omstandigheid dat de Inspecteur in beroep geen verweer heeft gevoerd op dit onderdeel is daartoe onvoldoende, nu daaruit niet zonder meer volgt dat de Inspecteur (hij bij belanghebbende het vertrouwen heeft gewekt dat hij) dit standpunt ondubbelzinnig heeft prijsgegeven. Van een inbreuk op de goede procesorde is naar het oordeel van het Hof evenmin sprake nu belanghebbende voldoende gelegenheid is geboden om verweer te voeren op het incidenteel hoger beroep en hij dat ook gemotiveerd heeft gedaan. 4.43. Wat betreft de overschrijding van de redelijke termijn geldt op basis van vaste jurisprudentie van de Hoge Raad als uitgangspunt dat de termijn van twee jaar voor de eerste fase (behandeling van het bezwaar en beroep) als uitgangspunt geldt, behoudens bijzondere omstandigheden. Uit deze jurisprudentie volgt dat gedragingen van de belanghebbende en/of diens gemachtigde die van invloed zijn op de duur van de procedure, bijvoorbeeld het doen van herhaalde verzoeken om verlenging van gestelde termijnen of om uitstel voor (het voldoen aan) uitnodigingen of oproepingen, tot de bijzondere omstandigheden kunnen worden gerekend. Opgemerkt wordt daarbij het gunnen van een termijn van vier weken om een verzuim te herstellen niet wordt aangemerkt als een bijzondere omstandigheid. 4.44. Naar het oordeel van het Hof heeft de Inspecteur met het overleggen van het chronologisch overzicht van de correspondentie inzake het bezwaar tegen de navorderingsaanslag IB/PVV over 2007 niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van bijzondere omstandigheden die verlenging van de termijn van twee jaar rechtvaardigen. Weliswaar heeft belanghebbende in de nadere motivering van het bezwaarschrift (door de Inspecteur ontvangen op 9 mei 2018) verzocht om aanhouding van de behandeling van het bezwaar (hoorrecht en inzage), maar uit niets blijkt dat de Inspecteur aan dit verzoek is tegemoetgekomen. Uit het overzicht kan enkel worden afgeleid dat de Inspecteur belanghebbende bij brief van 16 mei 2018 nogmaals vier weken heeft geboden om het bezwaarschrift nader te motiveren, maar daaruit volgt niet dat de Inspecteur heeft ingestemd met uitstel van de verdere behandeling van het bezwaarschrift. Nu belanghebbende het bezwaarschrift reeds op 9 mei 2018 nader had gemotiveerd, was het verlenen van extra uitstel voor het motiveren van het bezwaarschrift bovendien niet noodzakelijk. Het dossier biedt verder geen enkel inzicht in de werkzaamheden die de Inspecteur heeft verricht tussen het ontvangen van de nadere motivering van belanghebbende op 9 mei 2018 en de e-mail van de Inspecteur waarin hij verzoekt om een toezendadres voor toezending van de voorlopige zienswijze, op 27 februari 2019. Het Hof ziet ook in de overige aangevoerde elementen bij afwezigheid van nadere onderbouwing, die ontbreekt, geen aanleiding om te oordelen dat sprake is van bijzondere omstandigheden die een langere behandelduur zouden rechtvaardigen. 4.45. Het hoger beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op het verzamelinkomen en de heffingsrente. Belanghebbende heeft hiertegen geen zelfstandige grieven aangevoerd. Het hoger beroep is ook in zoverre ongegrond. Slotsom Op grond van het vorenstaande is zowel het hoger beroep als het incidentele hoger beroep ongegrond. 5Griffierecht en proceskosten Het Hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten. 6Beslissing Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank. Deze uitspraak is gedaan door mr. T.H.J. Verhagen, voorzitter, mr. R.A.V. Boxem en mr. A.J. van Lint, in tegenwoordigheid van mr. P.W.L. van den Bersselaar als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 januari 2022. De griffier, De voorzitter, (P.W.L. van den Bersselaar) (T.H.J. Verhagen) Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 25 januari 2022. Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl. Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen: 1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd; 2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn; 3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. de dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; d. de gronden van het beroep in cassatie. Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten. DOC-0492 betreft de jaarrekening 2007 van [naam30] N.V., het moederbedrijf van onder meer [naam4] B.V. Op pagina vier van de jaarrekening staat vermeld: “The acquisition price of [naam13] AG has been € 104,542,889 which amount has been settled with Mr. [belanghebbende] in current account.” HR 29 januari 2016, nr. 15/02119, ECLI:NL:HR:2016:117 Vgl. HR 18 april 2014, nr. 13/04796, ECLI:NL:HR:2014:930, r.o. 3.3.2 en de aldaar aangehaalde jurisprudentie. Vgl. HR 12 juli 2019, nr. 18/03304, ECLI:NL:HR:2019:1175 Vgl. HR 25 mei 2018, nr. 17/02663, ECLI:NL:HR:2018:758 Vgl. arrest HR reeds aangehaald voetnoot 3 (arrest uit 2014), r.o. 3.3.5 en de aldaar aangehaalde jurisprudentie. Vgl. HR 17 november 1999, nr. 34 507, ECLI:NL:HR:1999:BI6886, BNB 2000/257, overweging 3.4 Vgl. HR 7 februari 2020, nr. 17/03159, ECLI:NL:HR:2020:202 Zie voetnoot 3 Vgl. HR 3 december 2010, nr. 09/00174, ECLI:NL:HR:2010:BO5975 en aldaar aangehaalde jurisprudentie. Vgl. HR 26 februari 2010, nr. 08/01917, ECLI:NL:HR:2010:BL5555 Vgl. HR 11 oktober 1985, nr. 12.504, ECLI:NL:HR:1985:AD3803, FED 1986/723 Vgl. HR 16 maart 2018, nr. 16/06097, ECLI:NL:HR:2018:359 en HR 20 november 2020, nr. 20/01138, ECLI:NL:HR:2020:1810 Zie daartoe de overwegingen 2.26 en 2.27 van de uitspraak van dit gerechtshof van 16 mei 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:4084. Het betrof een onderzoek naar de aanvaardbaarheid van de aangifte omzetbelasting van [naam31] B.V., en de aangiften vennootschapsbelasting van [naam32] N.V., [naam4] B.V. en [naam4] B.V. Vgl. HR 12 april 2013, nr. 12/02980, ECLI:NL:HR:2013:BZ6824 Vgl. HR 29 september 1993, nr. ECLI:NL:HR:1993:BH8552, BNB 1993/330 en HR 27 januari 2006, nr. 39872, ECLI:NL:HR:2006:AV0401 HR 19 maart 2021, nr. 20/01736, ECLI:NL:HR:2021:401 Vgl. HR 10 december 2010, nr. 09/05017, ECLI:NL:HR:2010:BO6786 en HR 15 november 2013, nr. 12/00606, ECLI:NL:HR:2013:1129 Vgl. HR 19 februari 2016, nr. 14/03907, ECLI:NL:HR:2016:252, r.o.3.5.1. en de aldaar aangehaalde jurisprudentie. Vgl. HR 7 november 2014, nr. 14/01595, ECLI:NL:HR:2014:3117