← Nederland

ECLI:NL:GHARL:2022:4981

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.302.306 (zaaknummer rechtbank Gelderland 386529) beschikking van 16 juni 2022 inzake [verzoeker] , wonende in [woonplaats1] , verzoeker in het principaal hoger beroep, verweerder in het incidenteel hoger beroep, verder in noemen: de vader, advocaat: mr. P.C. Smit in Utrecht, [verweerder] , wonende in [woonplaats2] , verweerder in het principaal hoger beroep, verzoeker in het incidenteel hoger beroep, verder te noemen: de moeder, advocaat: mr. C.J.M. van Gruijthuijsen-van Gent in Zaltbommel, en de raad voor de kinderbescherming, gevestigd in Arnhem, verweerder in het principaal en het incidenteel hoger beroep, verder te noemen: de raad. Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt: de gecertificeerde instelling stichting Jeugdbescherming Gelderland, gevestigd in Arnhem, verder te noemen: de GI, [de pleegouders] , wonende op een geheim adres, hierna te noemen: de pleegouders. 1Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem, van 25 juni 2021, uitgesproken onder voormeld zaaknummer (verder ook te noemen: de bestreden beschikking). 2Het geding in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: het beroepschrift met producties van de vader, binnengekomen op 22 september 2021; het verweerschrift van de raad en het verweerschrift in hoger beroep, ook inhoudende incidenteel hoger beroep, van de moeder. 2.2 De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 29 april

  1. Daarbij waren aanwezig: de vader met zijn advocaat; de moeder met haar advocaat; de pleegouders; een vertegenwoordiger van de raad, en een vertegenwoordiger van de GI. 3De feiten 3.1 Tijdens de relatie van de ouders zijn geboren: [de minderjarige1] , geboren [in] 2014, verder te noemen: [de minderjarige1] en [de minderjarige2] , geboren [in] 2017, verder te noemen: [de minderjarige2] . De vader heeft [de minderjarige1] erkend. De ouders hebben gezamenlijk het gezag over [de minderjarige1] en de moeder heeft alleen het gezag over [de minderjarige2] . 3.2 [de minderjarige1] is op 4 januari 2019 voorlopig onder toezicht gesteld van de GI en met een machtiging uithuisgeplaatst. Op 26 februari 2019 heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] uitgesproken en voor hen een machtiging uithuisplaatsing verleend. De ondertoezichtstelling en de machtiging uithuisplaatsing gelden tot 26 februari
  2. 3.3 [de minderjarige1] en [de minderjarige2] wonen sinds 4 januari 2019 bij de pleegouders. 4De omvang van het geschil 4.1 Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank op verzoek van de raad het gezag van de ouders over [de minderjarige1] en het gezag van de moeder over [de minderjarige2] beëindigd en de GI benoemd tot voogd over [de minderjarige1] en [de minderjarige2] . 4.2 De vader is met één grief in principaal hoger beroep gekomen. Deze grief ziet op de beëindiging van het gezag. De vader verzoekt het hof primair om de bestreden beschikking te vernietigen en, zoals het hof begrijpt, het verzoek van de raad alsnog af te wijzen, en subsidiair om een instelling, zoals het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie (verder te noemen: NIFP) onderzoek te laten doen naar de opvoedvaardigheden van de vader en advies uit te brengen over de (on)mogelijkheden tot plaatsing van de kinderen bij de vader. 4.3 De moeder voert verweer in het principaal hoger beroep. De moeder sluit zich aan bij het beroep van de vader tegen de gezagsbeëindiging, maar voert verweer tegen het verzoek van de vader om een (NIFP-)onderzoek te starten. Daarnaast is de moeder met één grief in incidenteel hoger beroep gekomen. Die grief ziet op de beëindiging van haar gezag over [de minderjarige1] en [de minderjarige2] en op de benoeming van de GI tot voogd. De moeder vraagt het hof om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het primaire verzoek van de vader toe te wijzen en zijn subsidiaire verzoek af te wijzen of de vader niet-ontvankelijk te verklaren in dat verzoek. Daarnaast verzoekt de moeder het hof om, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen en het gezag van de moeder over [de minderjarige1] en [de minderjarige2] te herstellen. 4.4 De raad voert verweer in het principaal en het incidenteel hoger beroep en vraagt het hof om de bestreden beschikking te bekrachtigen. 5De motivering van de beslissing Gezagsbeëindiging 5.1 Op grond van artikel 1:266 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter het gezag van een ouder beëindigen indien een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding in staat is te dragen binnen een voor het kind aanvaardbare termijn, of de ouder het gezag misbruikt. 5.2 Het hof is van oordeel dat de rechtbank het gezag van de ouders/moeder over [de minderjarige1] en [de minderjarige2] terecht heeft beëindigd en de GI terecht tot voogd heeft benoemd. Het hof neemt de overwegingen van de rechtbank over en voegt daar nog het volgende aan toe. 5.3 [de minderjarige1] en [de minderjarige2] zijn begin 2019 uithuisgeplaatst, omdat er grote zorgen over hen waren. In de afgelopen jaren heeft de GI onderzocht of de kinderen weer bij (één van) de ouders kunnen gaan wonen. De GI heeft echter geconstateerd dat dit – in elk geval op dit moment – niet mogelijk is. De moeder woont in een beschermde woonomgeving en heeft geen zelfstandige woonruimte. De vader is tijdens de uithuisplaatsing gedetineerd geweest. De GI heeft nog onvoldoende zicht op zijn opvoedvaardigheden. Voor beide ouders geldt dat hun leven niet stabiel genoeg is om [de minderjarige1] en [de minderjarige2] thuis op te voeden. 5.4 Het hof stelt vast dat de aanvaardbare termijn waarbinnen [de minderjarige1] en [de minderjarige2] nog naar huis hadden gekund, verstreken is. [de minderjarige1] en [de minderjarige2] verblijven inmiddels al bijna 3,5 jaar niet meer bij de ouders. De kinderen hebben zichtbaar last van de onduidelijkheid over hun perspectief. Zij stellen regelmatig vragen over waar zij gaan opgroeien. Daarom moeten zij nu de duidelijkheid krijgen dat zij bij de pleegouders zullen opgroeien. [de minderjarige1] en [de minderjarige2] hebben het fijn bij de pleegouders en zitten goed in hun vel. Het is voor hen het beste als zij daar verder opgroeien. Zij hebben recht op de continuering van de huidige situatie. Als [de minderjarige1] en [de minderjarige2] terug naar de ouders zouden gaan, kan dat leiden tot verdere hechtingsproblematiek. 5.5 Nu de aanvaardbare termijn is verstreken, is het nodig dat het gezag wordt beëindigd. De moeder heeft aangevoerd dat zij haar gezag kan behouden, omdat zij de plaatsing van de kinderen bij de pleegouders ondersteunt. Zolang de ouders het gezag behouden, zullen [de minderjarige1] en [de minderjarige2] echter geen definitieve duidelijkheid hebben over hun perspectief. Ook zullen de ondertoezichtstelling en de (machtiging tot) uithuisplaatsing dan ieder jaar verlengd moeten worden. Als [de minderjarige1] en [de minderjarige2] ouder worden, zullen zij daarbij meer betrokken worden. Het hof vindt dat niet in hun belang, omdat zij nu al laten merken dat ze behoefte hebben aan duidelijkheid over hun verblijfplaats. 5.6 Het hof is van oordeel dat het raadsonderzoek goed is uitgevoerd. De ouders vinden het moeilijk dat zij voor het raadsonderzoek alleen telefonisch gehoord zijn. De raad begrijpt dat, maar heeft benadrukt dat de raad in de gesprekken alles heeft besproken en onderzocht wat belangrijk is voor een raadsrapport. De inhoud van de gesprekken zou niet anders geweest zijn als de ouders persoonlijk gesproken waren. De raad heeft op de zitting gemeld dat er door de ouders niets is genoemd dat niet al bij het onderzoek door de raad bekend is geworden. Het hof is van oordeel dat de vorm van het raadsonderzoek geen invloed heeft gehad op de uitkomst ervan. 5.7 De verzoeken van de vader en de moeder om het gezag alsnog in stand te laten, zullen worden afgewezen. Onderzoek 5.8 Het hof is van oordeel dat geen nieuw onderzoek gedaan moet worden naar een thuisplaatsing van de kinderen. Zoals hierboven omschreven, is de aanvaardbare termijn verstreken. Een nieuw onderzoek zal daarom niet meer kunnen leiden tot een thuisplaatsing. Bovendien zal een nieuw onderzoek tijd kosten en opnieuw veel onzekerheid veroorzaken bij [de minderjarige1] en [de minderjarige2] . Dit is niet in hun belang, omdat zij juist zoveel behoefte hebben aan een duidelijk toekomstperspectief. 5.9 Het hof zal het subsidiaire verzoek van de vader dus ook afwijzen en de bestreden beslissing bekrachtigen. 6De beslissing Het hof: bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem, van 25 juni 2021; wijst het meer of anders verzochte af. Deze beschikking is gegeven door mrs. H. Phaff, J.B. de Groot en E. de Boer, bijgestaan door L.M. de Wit als griffier en is op 16 juni 2022 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.