← Nederland

ECLI:NL:GHARL:2022:526

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.296.077/01 (zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 205216) arrest in kort geding van 25 januari 2022 in de zaak van [appellant] , wonende te [woonplaats] , appellant in het hoger beroep, in eerste aanleg: eiser, hierna: de vader, advocaat: mr. E. Gürcan te Arnhem, tegen: de gecertificeerde instelling Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming en & Reclassering, gevestigd te Amsterdam, mede kantoorhoudend te Groningen, geïntimeerde in het hoger beroep, in eerste aanleg: gedaagde, hierna: de GI, advocaat: mr. M. Kramer te Amsterdam. 1Het geding in eerste aanleg Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het vonnis van 17 mei 2021 dat de voorzieningenrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen heeft gewezen (hierna: het bestreden vonnis). 2Het geding in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding in hoger beroep van 14 juni 2021 (met grieven), - de memorie van antwoord (met producties), - een akte namens de vader van 12 oktober 2021 (met producties), - een antwoordakte namens de GI van 26 oktober

  1. 2.2 Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald. 2.3 De vader vordert in het hoger beroep - kort samengevat – dat het hof het bestreden vonnis vernietigt en opnieuw rechtdoende de vorderingen in eerste aanleg van de vader alsnog toewijst, met veroordeling van de GI in de proceskosten van beide instanties. 2.4 De GI heeft in de memorie van antwoord geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen van de vader in hoger beroep en tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met veroordeling van de vader in de proceskosten van beide instanties, vermeerderd met de wettelijke rente. 3De vaststaande feiten 3.1 Het hof gaat in hoger beroep uit van de volgende feiten. 3.2 De vader en zijn ex-echtgenote zijn de ouders van [de minderjarige] (hierna: [de minderjarige] ), geboren [in]
  2. 3.3 Bij beschikking van 17 mei 2017 is de ondertoezichtstelling uitgesproken van de toen nog ongeboren [de minderjarige] . [de minderjarige] is in juni 2017 met een (spoed)machtiging uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg geplaatst. De maatregelen van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing zijn daarna steeds verlengd. 3.4 Het ouderlijk gezag van de ouders over [de minderjarige] is in 2020 beëindigd. De GI is toen tot voogd benoemd. 3.5 Bij vonnis van 24 november 2020 heeft de voorzieningenrechter in kort geding een omgangsregeling vastgesteld tussen de vader en [de minderjarige] , inhoudende dat de vader en [de minderjarige] één keer in de vier weken gedurende één uur (begeleide) omgang met elkaar hebben. 4Het geschil en de beslissing in eerste aanleg 4.1 De vader heeft in eerste aanleg -kort samengevat- gevorderd de GI te veroordelen om mee te werken en uitvoering te geven aan de in het vonnis van 24 november 2020 vastgelegde omgangsregeling, op straffe van een dwangsom, als ook om de vader het recht te verlenen tot het aan hem doen afgeven van [de minderjarige] op de momenten waarop de omgang plaats behoort te vinden, zo nodig met behulp van de sterke arm van politie en justitie, een en ander met veroordeling van de GI in de proceskosten van de vader. De GI heeft verweer gevoerd en verzocht de proceskosten te compenseren. 4.2 De voorzieningenrechter heeft bij vonnis van 17 mei 2021 de vorderingen van de vader afgewezen en de proceskosten gecompenseerd. 5De motivering van de beslissing in hoger beroep 5.1 Het hof stelt voorop dat bij beantwoording van de vraag of een in kort geding verlangde voorziening, hetzij na toewijzing, hetzij na weigering daarvan, in hoger beroep voor toewijzing in aanmerking komt, zo nodig ambtshalve, mede dient te worden beoordeeld of de eisende partij ten tijde van het arrest van het hof bij die voorziening een spoedeisend belang heeft (HR 31 mei 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE3437). 5.2 Het hof is van oordeel dat de voorzieningenrechter de vordering van de vader op goede gronden heeft afgewezen en dat ook in hoger beroep geen (spoedeisende) reden is om voorzieningen te treffen zoals de vader wenst. Het hof overweegt hiertoe als volgt. 5.3 Het hof leidt uit de stukken af dat al voor het vonnis van 24 november 2020 omgang plaatsvond tussen de vader en [de minderjarige] en dat ook na dit vonnis, namelijk op 26 november en 17 december 2020, omgang heeft plaatsgevonden. Een daarop volgend gepland omgangsmoment op 14 januari 2021 heeft geen doorgang gevonden en ook in de maanden daarna (tot en met april 2021) is er geen omgang geweest tussen de vader en [de minderjarige] . De visie van de vader en de GI over de reden van het uitblijven van omgangsmomenten loopt uiteen. Volgens de vader heeft dit -kort gezegd- met onwil aan de kant van de GI te maken en de GI stelt dat zij van de vader had begrepen dat hij geen omgang meer wilde. Het hof overweegt dat wat daar ook van zij, uit de stukken volgt dat na het bestreden vonnis van 17 mei 2021 de omgang (weer) conform de regeling in het vonnis van 24 november 2020 wordt uitgevoerd. Bij de stukken bevinden zich overzichten met de geplande omgangsmomenten (inmiddels tot en met januari 2022) en uit de stellingen van de vader volgt niet dat hier geen uitvoering aan is of wordt gegeven. Wel klaagt de vader over het optreden van de (vertegenwoordiger van de) GI tijdens omgangsmomenten, het uitblijven van een bemiddelingsgesprek en/of over aanpassingen in de planning van de omgangsmomenten, bijvoorbeeld vanwege vakantieplannen van het pleeggezin, maar dat vormt naar het oordeel van het hof onvoldoende (spoedeisend) belang -nog daargelaten dat de GI de stellingen van de vader op dit punt weerspreekt- om dwangmiddelen ter verzekering van de nakoming van de omgangsregeling op te leggen aan de GI zoals gevorderd. 6De slotsom 6.1 De grieven falen. Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd. 6.2 Nu de vader in het ongelijk wordt gesteld is een proceskostenveroordeling van de GI niet aan de orde. Vanwege de aard van het geschil, ziet het hof ook geen aanleiding om de vader in de proceskosten van de GI (in beide instanties) te veroordelen, zoals gevorderd. Het hof zal daarom de proceskosten van het hoger beroep compenseren zoals hierna vermeld en het bestreden vonnis ook voor wat betreft de beslissing over de proceskosten bekrachtigen. 7De beslissing Het hof, recht doende in hoger beroep in kort geding: bekrachtigt het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen van 17 mei 2021; compenseert de proceskosten in hoger beroep, in die zin dat partijen de eigen kosten dragen; wijst het meer of anders gevorderde af. Dit arrest is gewezen door mrs. I.M. Dölle, M.P. den Hollander en J.G. Idsardi en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 25 januari 2022.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.