GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN zittingsplaats Leeuwarden Zaaknummer : Wahv 200.295.501/01 CJIB-nummer : 232584748 Uitspraak d.d. : 28 juni 2022 Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Gelderland van 6 april 2021, betreffende [de betrokkene] (hierna: de betrokkene), wonende te [woonplaats] . De gemachtigde van de betrokkene is F.R. Eggink, kantoorhoudende te Almelo. De beslissing van de kantonrechter De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen. Het verloop van de procedure De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding. De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt. De beoordeling
- Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 240,- voor: “als bestuurder tijdens het rijden een mobiel elektronisch apparaat vasthouden.” Deze gedraging zou zijn verricht op 18 maart 2020 om 16:10 uur op de A50 (ter hoogte van 165.1 li) in Homoet met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
- De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de kantonrechter de beslissing van de officier van justitie ten onrechte in stand heeft gelaten. De gemachtigde herhaalt daartoe hetgeen in de procedure bij de kantonrechter is aangevoerd, te weten dat de officier van justitie het motiveringsbeginsel heeft geschonden en dat dit reden is voor het seponeren van de beschikking. Er staat als standaard stuk tekst in dat er een afweging is gemaakt tussen de argumenten en wat de verbalisant heeft verklaard. Er was ten tijde van die beslissing slechts een niet onder ede opgemaakt zaakoverzicht beschikbaar en geen aanvullend proces-verbaal.
- De beslissing van de officier van justitie is - voor zover voor de beoordeling van deze klacht van belang - als volgt gemotiveerd: “De officier van justitie heeft op basis van de beschikbare informatie, de inhoud van uw beroepschrift en het gesprek een beslissing genomen. Uit de beschikbare informatie blijkt dat de verbalisant geconstateerd heeft dat u tijdens het rijden een telefoon of een mobiel elektronisch apparaat heeft vastgehouden. Het is niet toegestaan tijdens het rijden een mobiele telefoon of een mobiel elektronisch apparaat vast te houden, ongeacht of het daadwerkelijk gebruikt is. De officier van justitie kent aan deze waarneming doorslaggevende betekenis toe. Omtrent de bewijsvoering verwijst de officier van justitie naar de u eerder toegestuurde stukken. (..) Alles overwegende verklaart de officier van justitie het beroep ongegrond.”
- Het hof is van oordeel dat de officier van justitie aldus afdoende is ingegaan op hetgeen in administratief beroep is aangevoerd met betrekking tot de vaststelling van de gedraging. De klacht treft geen doel.
- De gemachtigde voert verder aan dat de kantonrechter aan de gronden die zijn aangevoerd tegen de inleidende beschikking voorbij is gegaan. De gemachtigde herhaalt, zoals bij de kantonrechter is aangevoerd, dat het voertuig van de betrokkene nooit op de door de ambtenaar omschreven plek geweest, het voertuig stond die dag voor het huis van de betrokkene, dat in strijd met artikel 5 van de Wahv geen staandehouding heeft plaatsgevonden terwijl bij dit soort boetes sowieso niet op kenteken geschreven kan worden omdat gecontroleerd moet worden of er daadwerkelijk een werkend “elektrisch apparaat” is vastgehouden. De gemachtigde verwijst naar jurisprudentie van het hof en voert nog aan dat de omstandigheid dat de ambtenaar 10 seconden in het voertuig kon kijken, zoals de kantonrechter overwoog, de gemachtigde juist aanleiding geeft om te twijfelen aan de verklaring van de ambtenaar, nu volgens de ambtenaar geen staandehouding kon plaatsvinden vanwege verkeersdrukte. Die drukte is door de ambtenaar ook niet omschreven of onderbouwd. De redenen voor niet staandehouding zijn verschillend omschreven, eerst stelt de ambtenaar dat hij in vrije tijd was, daarna dat het druk was en tot slot dat hij in burger was.
- In het ter zitting van de kantonrechter overgelegd proces-verbaal van bevindingen van 2 april 2021 verklaart de ambtenaar: "Op de onder 1 genoemde dag en datum, tijdstip en locatie zag ik (..) dat de bestuurder van de bedrijfsauto, voorzien van het kenteken [kenteken] , (…) tijdens het besturen van zijn voertuig een mobiele telefoon vasthield in zijn rechterhand, tegen zijn rechteroor. Ik zag dat de mobiele telefoon zwartkleurig was en dat er een witkleurige laadkabel aan de onderzijde van de mobiele telefoon bevestigd was. Ik nam dit waar terwijl ik de bedrijfsauto passeerde en daarna mij liet passeren door de bedrijfsauto. Hierbij kon ik voor de duur van tien seconden de gedraging onbelemmerd en duidelijk waarnemen. Doordat ik de bestuurder en bedrijfsauto niet staande had kunnen houden, had ik merk en type van de mobiele telefoon niet vast kunnen stellen" (…) Verder verklaart de ambtenaar: “Ik was op dat moment in burger gekleed en reed op dat moment in mijn burgervoertuig. Mijn voertuig is niet van stopmiddelen voorzien. Hierdoor kan ik niet middels een transparant of op andere wijze mijzelf kenbaar maken als zijnde politieambtenaar. Zoals omschreven in mijn proces-verbaal liet de verkeersdrukte ook geen ruimte om mij op andere wijze kenbaar te maken. Hierdoor was het naar mijn inzien niet verantwoord of veilig om te trachten de aandacht van de bestuurder te trekken en tot stoppen te manen teneinde hem staande te houden.”
- Hetgeen de gemachtigde aanvoert geeft het hof geen aanleiding eraan te twijfelen dat de gedraging is verricht. De ambtenaar heeft doordat beide voertuigen elkaar twee keer gepasseerd zijn, de gedraging, namelijk dat de bestuurder van het voertuig tijdens het rijden een mobiele telefoon heeft vastgehouden, goed kunnen waarnemen. Dat voor het opleggen van een sanctie voor de onderhavige gedraging te allen tijde een staandehouding moet plaatsvinden ter controle van het voorwerp dat is vastgehouden, vindt geen steun in het recht. De ambtenaar heeft ook kunnen waarnemen dat het het voertuig van de betrokkene betrof. Dat het voertuig ten tijde van de gedraging elders was, is slechts gesteld maar niet aannemelijk gemaakt.
- Uit de verklaring van de ambtenaar volgt dat hij de bestuurder niet heeft staande gehouden, omdat hij de gedraging heeft geconstateerd terwijl hij in burger gekleed in een privévoertuig reed dat niet is uitgerust met middelen tot staandehouding, zoals een stoptransparant, terwijl er gelet op de verkeersdrukte geen mogelijkheid was om de trachten de bestuurder van het voertuig staande te houden. Aldus was er geen reële mogelijkheid om de bestuurder staande te houden en kon worden volstaan met het opleggen van de sanctie aan de kentekenhouder.
- Gelet op het voorgaande heeft de kantonrechter die -anders dan de gemachtigde stelt de aangevoerde gronden wel heeft behandeld- een juiste beslissing genomen door het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond te verklaren.
- De gemachtigde is verder van mening dat hem een vergoeding voor proceskosten van 1 punt moet worden toegekend voor de zitting van de kantonrechter op 6 april
- De gemachtigde was door het uitlopen van werkzaamheden in Amsterdam verlaat voor de zitting van de kantonrechter in Nijmegen. Toen hij dat telefonisch aankondigde, is hem door de griffier nadrukkelijk meegedeeld dat de rechter op hem zou wachten. De gemachtigde mocht daarop vertrouwen. Nog voor hij in Nijmegen arriveerde werd hem echter meegedeeld dat de rechter was vertrokken. Ter onderbouwing is een brief van een lid van het gerechtsbestuur van 11 mei 2021 gericht aan de gemachtigde overgelegd.
- Nu de inleidende beschikking niet is vernietigd of gewijzigd, is de betrokkene niet in het gelijk gesteld in de zin van de arresten van het hof van 28 april 2020 en 1 april 2021 (vindplaatsen op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336 en 2021:1786). In een dergelijk geval dient toekenning van een proceskostenvergoeding in beginsel achterwege te blijven. Er kunnen omstandigheden zijn waaronder het redelijk is om een proceskostenvergoeding toe te kennen (vgl. de arresten van het hof van 15 juni 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:4520 en 6 april 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:3244). Het hof acht de door de door de gemachtigde naar voren gebrachte gang van zaken aannemelijk gelet op de overgelegde brief en stelt vast dat de gemachtigde, door de toezegging van de griffier, zich heeft begeven naar Nijmegen om daar ter zitting van de kantonrechter zijn standpunt toe te lichten, maar daartoe niet de gelegenheid heeft gekregen. Het hof is van oordeel dat onder deze omstandigheden het niet redelijk is dat de daarmee gemoeide kosten voor rekening van de betrokkene blijven.
- De kantonrechter heeft het verzoek om proceskostenvergoeding daarom en onrechte afgewezen. Het hof zal doen wat de kantonrechter had behoren te doen en een vergoeding toekennen voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand bestaande uit de zitting bij de kantonrechter (1 punt). Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak is licht) toegepast. Onder verwijzing naar het arrest van het hof van 1 april 2021, www.rechtspraak.nl ECLI:NL:GHARL:2021:1786, wordt ook een proceskostenvergoeding toegekend voor rechtsbijstand in hoger beroep. Aan het indienen van een hoger beroepschrift wordt een punt toegekend. De wegingsfactor in hoger beroep bedraagt 0,25 (gewicht van de zaak is zeer licht, het geschil heeft betrekking op de toekenning van proceskostenvergoeding). De waarde per punt bedraagt € 759,-.
- Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 569,25 (1 x 0,5 x € 759,- + 1 x 0,25 x € 759,-). De beslissing Het gerechtshof: vernietigt de beslissing van de kantonrechter, voor zover daarbij het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen; bevestigt de beslissing van de kantonrechter voor het overige; veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 569,
- Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Smeitink als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.