GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem afdeling civiel recht, handel zaaknummer gerechtshof 200.290.640/01 (zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, C/05/363130 / HA ZA 19-210) arrest van 5 juli 2022 in de zaak van [appellant] , wonende te [woonplaats] , appellant, hierna aan te duiden als: [appellant], advocaat: mr. Th.J.H.M. Linssen, tegen: VGZ Zorgverzekeraar N.V., gevestigd te Arnhem, geïntimeerde, hierna aan te duiden als: VGZ, procesadvocaat: mr. I.M.C.A. Reinders-Folmer, behandelend advocaat: mr. M.H.P. Claassen. 1Kern van de zaak 1.1. Deze zaak gaat in de kern om de vraag of VGZ op grond van de met [appellant] gesloten zorgverzekering (dan wel op grond van de redelijkheid en billijkheid) al dan niet gehouden is tot vergoeding van aan [appellant] in Duitsland verleende medische zorg en bijkomende kosten. 2Het verdere verloop van het geding in hoger beroep 2.1. Het hof verwijst naar de inhoud van het tussenarrest van 8 februari 2022, waarbij een (digitale) mondelinge behandeling is bepaald. 2.2. Het verdere verloop blijkt uit het proces-verbaal van mondelinge behandeling van 20 april 2022, met de daaraan gehechte spreekaantekeningen van de advocaten van beide partijen alsook de spreekaantekeningen van [appellant] . 2.3. Na afloop van de mondelinge behandeling heeft het hof arrest bepaald. 3De vaststaande feiten 3.1. [appellant] is bij VGZ tegen ziektekosten verzekerd op grond van een basiszorgverzekering. 3.2. [appellant] is vanaf begin 2017 in een Nederlands ziekenhuis behandeld voor prostaatcarcinoom (prostaatkanker). De behandeling bestond onder meer uit state-of the-art fotonentherapie in combinatie met hormoontherapie. Bij [appellant] zijn uitzaaiingen ontdekt. In september 2018 heeft de behandelend radiotherapeut aan [appellant] laten weten dat vanwege de ligging van de uitzaaiingen en de daarmee verband houdende kans op radiatieschade behandeling van de uitzaaiingen met fotonentherapie niet mogelijk was en dat operatief ingrijpen evenmin een optie was. 3.3. [appellant] is vervolgens op zoek gegaan naar alternatieven en heeft contact opgenomen met het Rinecker Proton Therapy Center (RPTC) in Duitsland voor behandeling met protonentherapie. Op 10, 11 en 12 oktober 2018 heeft [appellant] een medische beoordeling ondergaan in het RPTC, waarna hij akkoord is bevonden voor behandeling met protonentherapie. 3.4. Op 9 oktober 2018 heeft [appellant] bij VGZ een aanvraag ingediend voor vergoeding van de behandeling met protonentherapie bij het RPTC. Bij brief van 10 oktober 2018 heeft VGZ de aanvraag afgewezen. [appellant] heeft daarop in oktober 2018 nog twee aanvragen voor vergoeding van voormelde behandeling bij VGZ ingediend. Ook deze aanvragen zijn door VGZ afgewezen. 3.5. In de periode van 23 oktober tot en met 19 november 2018 heeft [appellant] bij het RPTC protonentherapie ondergaan. De kosten van deze behandeling van in totaal € 29.550,00 alsook de bijkomende kosten heeft [appellant] zelf betaald. 3.6. Ondanks sommatie van de zijde van [appellant] is vergoeding van kosten door VGZ uitgebleven. 4Het geschil en de beslissing in eerste aanleg 4.1. [appellant] heeft in eerste aanleg, samengevat, gevorderd VGZ te veroordelen tot betaling van € 37.741,14 ter vergoeding van kosten en € 1.152,41 aan buitengerechtelijke kosten, telkens te vermeerderen met de wettelijke rente. Een en ander met veroordeling van VGZ in de proces- en nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente. 4.2. VGZ heeft verweer gevoerd. 4.3. Bij het bestreden eindvonnis van 11 november 2020 heeft de rechtbank de vorderingen van [appellant] afgewezen, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten. 5De motivering van de beslissing in hoger beroep vordering 5.1. [appellant] heeft bij memorie van grieven gevorderd het bestreden vonnis te vernietigen en, opnieuw recht doende, zijn vorderingen toe te wijzen, met veroordeling van VGZ in de proceskosten van beide instanties, te vermeerderen met de nakosten en de wettelijke rente over de proces- en nakosten. 5.2. [appellant] komt met zes grieven op tegen het oordeel van de rechtbank dat VGZ niet gehouden is tot vergoeding van de kosten die [appellant] heeft gemaakt voor de protonenbehandeling in Duitsland. De grieven stellen de toewijsbaarheid van de vorderingen van [appellant] in hoger beroep opnieuw aan de orde, en lenen zich voor gezamenlijke bespreking. relevante regelgeving 5.3. Ter inleiding schetst het hof de voor de beoordeling in hoger beroep relevante regelgeving. 5.4. De verzekeringsovereenkomst tussen [appellant] en VGZ is een zorgverzekering (naturaverzekering) in de zin van de Zorgverzekeringswet (Zvw). De dekking van de zorgverzekering is dwingendrechtelijk geregeld bij en krachtens de Zvw. Op grond van artikel 11 lid 1 Zvw heeft de verzekerde recht op prestaties bestaande uit (vergoeding van de kosten van) de zorg of de overige diensten waaraan hij behoefte heeft. De inhoud en omvang van deze prestaties zijn op grond van artikel 11 leden 3 en 4 Zvw nader geregeld bij het Besluit zorgverzekering (Bzv). De daarin omschreven prestaties vormen tezamen het verzekerde pakket waarop bij de zorgverzekering recht bestaat. Dit zogenaamde basispakket begrenst op welke prestaties de verzekerde recht heeft; een zorgverzekeraar mag niet minder, maar ook niet meer prestaties verzekeren in de zorgverzekeringen die hij aanbiedt. Het is zorgverzekeraars dus niet toegestaan om onder de zorgverzekering meer of andere zorg te vergoeden. Wie meer of andere zorg wenst, dient de kosten daarvan zelf te dragen of een aanvullende verzekering af te sluiten. 5.5. In artikel 2.1 lid 2 Bzv is bepaald dat de inhoud en omvang van de zorg en diensten mede worden bepaald door de stand van de wetenschap en praktijk en, bij ontbreken van een zodanige maatstaf, door hetgeen in het betrokken vakgebied geldt als verantwoorde en adequate zorg en diensten. Met het criterium ‘stand van de wetenschap en praktijk’ is beoogd om die zorg tot onderdeel van het verzekerde pakket te maken, die de betrokken beroepsgroep rekent tot het aanvaarde arsenaal van medische onderzoeks- en behandelingsmogelijkheden. Daarbij zijn zowel de stand van de medische wetenschap als de mate van acceptatie in de medische praktijk belangrijke graadmeters. Met dit criterium is tevens bedoeld te voldoen aan de door het Hof van Justitie gestelde eisen aan vrij verkeer van diensten, zodat met dit criterium verwezen wordt naar hetgeen door de internationale medische wetenschap (en praktijk) voldoende beproefd en deugdelijk is bevonden. Bij de beoordeling of dit het geval is, dienen alle beschikbare relevante gegevens in aanmerking te worden genomen, waaronder met name de literatuur en de bestaande wetenschappelijke onderzoeken, gezaghebbende meningen van specialisten en de vraag of de betrokken behandeling al dan niet wordt gedekt door het stelsel van ziektekostenverzekering van de lidstaat waarin de behandeling plaatsvindt. Het criterium ‘stand van de wetenschap en praktijk’ kan slechts internationaal worden uitgelegd. (Hoge Raad 30 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:469 (Menzis), HvJEU 12 juli 2001, ECLI:EU:C:2001:404, NJ 2002/3 (Smits en Peerbooms), Nota van toelichting bij het Besluit zorgverzekering, Stb. 2005, 389, p. 35/36). 5.6. In artikel 2.1 lid 3 Bzv is bepaald dat een verzekerde slechts recht heeft op een vorm van zorg of een dienst voor zover hij daarop naar inhoud en omvang redelijkerwijs is aangewezen (het indicatievereiste). 5.7. Het Zorginstituut Nederland (ZiN, voorheen: College voor Zorgverzekeringen (CvZ)) is een onafhankelijke en uit deskundigen samengestelde instantie. Het ZiN is ingevolge artikel 64 lid 1 Zvw onder meer belast met de bevordering van de eenduidige uitleg van de aard, inhoud en omvang van de prestaties, bedoeld in artikel 11 Zvw. Blijkens de op de Zvw gegeven toelichting dient het voortdurend het hiervoor genoemde verzekerde basispakket te toetsen (Kamerstukken II 2003-2004, 29 763, nr. 3, p. 40). In dat kader dient het onder meer te beoordelen of een bepaalde vorm van zorg voldoet aan het criterium ‘stand van de wetenschap en praktijk’. Het kan in dat verband standpunten publiceren en het kan ter bevordering van de eenduidige uitleg van de aard, inhoud en omvang van de zorg richtlijnen geven aan zorgverzekeraars (artikel 64 lid 2 Zvw). 5.8. De richtlijnen en standpunten van het ZiN zijn niet bindend. Of op grond van de Zvw aanspraak bestaat op (vergoeding van) een bepaalde prestatie, dient (rechtstreeks) te worden bepaald aan de hand van de hiervoor bedoelde regelgeving. Gelet op de wettelijke taak van het ZiN ligt het echter voor de hand om daarbij in beginsel uit te gaan van de door deze gegeven standpunten of richtlijnen, in die zin dat een zorgverzekeraar die daarvan afwijkt, die afwijking van een deugdelijke motivering dient te voorzien. Dit volgt ook uit de op artikel 64 Zvw gegeven toelichting (Kamerstukken II 2003-2004, 29 763, nr. 3, p. 161). Evenzeer dient de rechter die tot een ander oordeel komt dan is vervat in een dergelijk standpunt of in een dergelijke richtlijn, dit deugdelijk te motiveren. (ECLI:NL:HR:2018:469 (Menzis)) polisvoorwaarden 5.9. Niet in geschil is dat de dekkingsomschrijving in de van toepassing zijnde polisvoorwaarden overeenkomt met het bepaalde in de Zvw en het Bzv. In de polisvoorwaarden staat verder dat indien zorg wordt geleverd door een zorgaanbieder waarmee VGZ geen overeenkomst heeft gesloten maximaal 80% van de gemiddelde tarieven van de zorgaanbieders waarmee VGZ een contract heeft wordt vergoed, of, als daarover geen afspraken zijn met zorgaanbieders maximaal 80% van de ‘Wmg-tarieven’ (artikel 1.4). Indien de behandeling in het buitenland plaatsvindt, niet onverwacht is, niet redelijkerwijs niet is uit te stellen én daarvoor een of meer nachten opname in een instelling plaatsvindt, is voorafgaande toestemming van VGZ vereist (artikel 9.3). Voor medische specialistische zorg is een verwijsbrief nodig van bijvoorbeeld een huisarts of een medisch specialist (artikel 14). toestemming, verwijzing 5.10. Het hof ziet aanleiding om - voordat het hof overgaat tot toetsing van de door [appellant] ondergane protonentherapie aan de hiervoor onder 5.3. en verder weergegeven regelgeving - allereerst in te gaan op het verweer van VGZ dat [appellant] op grond van het bepaalde in de polisvoorwaarden voor vergoeding van kosten gemaakt in het buitenland voorafgaande toestemming van VGZ nodig had en dat [appellant] bovendien diende te beschikken over een verwijzing van een Nederlandse arts. 5.11. Niet in geschil is dat [appellant] een verwijsbrief van een Nederlandse huisarts van 6 september 2018 in het geding heeft gebracht. Artikel 14 van de polisvoorwaarden stelt geen nadere vereisten aan de verwijsbrief benodigd voor medisch specialistische zorg, zodat de stelling van VGZ dat deze verwijsbrief niet voldoet niet opgaat. Met deze verwijzing is naar het oordeel van het hof voldaan aan de polisvoorwaarden. 5.12. Ten aanzien van het in de polisvoorwaarden opgenomen vereiste van voorafgaande toestemming voor behandeling in het buitenland overweegt het hof als volgt. Uit de hiervoor onder 5.5 vermelde uitspraak van het Hof van Justitie van 12 juli 2001 volgt dat het criterium ‘stand van de wetenschap en praktijk’ aldus moet worden uitgelegd, dat de toestemming voor de behandeling door de verzekeraar niet uit dien hoofde kan worden geweigerd wanneer blijkt dat de betrokken behandeling door de internationale medische wetenschap voldoende is beproefd en deugdelijk is bevonden. Dit betekent dat als de protonenbehandeling ten tijde van het uitvoeren van die behandeling bij [appellant] in Nederland of een andere lidstaat overeenkomstig de stand van de wetenschap en praktijk was, VGZ de vereiste toestemming niet kon weigeren. In dat geval faalt dat verweer dus ook. stand van de wetenschap en praktijk 5.13. Daarmee komt het hof toe aan de beantwoording van de vraag of de door [appellant] ondergane protonentherapie ten tijde van die behandeling eind 2018 overeenkomstig de stand van de wetenschap en praktijk was als bedoeld in artikel 2.1 lid 2 Bzv. 5.14. Uit het rapport (“Indicaties voor protonentherapie (deel 2): Model-based indicaties”) dat het ZiN op 22 augustus 2011 heeft uitgebracht en de brief (“Protonentherapie: wanneer vergoed ten laste van basisverzekering?”) van het ZiN van 12 april 2018 maakt het hof op dat protonentherapie op zichzelf zorg betreft en ook eind 2018 zorg was conform de stand van de wetenschap en praktijk voor het indicatiegebied prostaatcarcinoom en dat protonentherapie bij het indicatiegebied prostaatcarcinoom een te verzekeren prestatie ingevolge de Zvw is. 5.15. In antwoord op een e-mail van de advocaat van [appellant] heeft het ZiN bij e-mail van 7 mei 2021 medegedeeld: “(…) Het Zorginstituut heeft geconcludeerd dat protonentherapie bij een aantal indicatiegebieden onderdeel is van het basispakket (…). Hieronder valt ook het prostaatcarcinoom. Het betreft in alle gevallen het stadium van ziekte waarin sprake is van curatieve ziekte: in het geval van (multipele) uitzaaiingen is er echter sprake van ziekte die niet meer curabel is (niet meer te genezen). (…) In een enkele geval is een of enkele uitzaaiing(-
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.