GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN zittingsplaats Leeuwarden Zaaknummer : Wahv 200.293.335/01 CJIB-nummer : 230753079 Uitspraak d.d. : 7 juli 2022 Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 25 februari 2021, betreffende [de betrokkene] (hierna: de betrokkene), wonende te [woonplaats] . De gemachtigde van de betrokkene is mr. M. Lagas (Appjection B.V.), kantoorhoudende te Amsterdam. De beslissing van de kantonrechter De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gedeeltelijk gegrond verklaard en de inleidende beschikking voor wat betreft de feitcode, de omschrijving van de gedraging en het bedrag van de administratieve sanctie gewijzigd. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is toegewezen tot een bedrag van € 500,
- Het verloop van de procedure De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding. De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt. De beoordeling
- Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 140,- voor: “voertuig zodanig op de weg laten staan dat gevaar wordt/kan worden veroorzaakt of verkeer wordt/kan worden gehinderd (R395)”. Deze gedraging zou zijn verricht op 23 december 2019 om 16:38 uur op de Frederik Hendriklaan in Den Haag met het voertuig met het kenteken [kenteken] . De kantonrechter heeft de feitcode en omschrijving van de gedraging gewijzigd naar “als bestuurder een voertuig laten stilstaan op een voetgangersoversteekplaats of binnen een afstand van 5 meter daarvan (R396D)”. Het sanctiebedrag voor deze gedraging is € 95,-.
- De gemachtigde van de betrokkene voert ten eerste aan dat de gedraging niet is verricht, althans dat de omstandigheden van het geval het opleggen van een sanctie niet rechtvaardigen.
- Het hof overweegt dat de enkele, niet onderbouwde ontkenning van de gedraging onvoldoende is om aan de gegevens in het dossier te twijfelen. Op grond van deze gegevens kan worden vastgesteld dat de gedraging is verricht. Andere redenen om een sanctie achterwege te laten of het bedrag van de sanctie te matigen zijn niet gesteld, noch gebleken.
- Het hoger beroep richt zich vervolgens tegen de door de kantonrechter toegekende proceskostenvergoeding. De kantonrechter heeft geen punt voor het verschijnen ter zitting toegekend, omdat niet is gebleken dat [naam1] een zodanige juridische scholing heeft genoten dat hij geacht kan worden rechtsbijstand te verlenen. [naam1] heeft ter zitting van de kantonrechter verklaard dat hij stage loopt bij Appjection bv.
- Aangevoerd is dat [naam1] namens de betrokkene ter zitting bij de kantonrechter is verschenen. [naam1] is, evenals gemachtigde mr. M. Lagas, verbonden aan Appjection bv. De gemachtigde stelt dat de beslissing van de kantonrechter om het verzoek in zoverre af te wijzen onvoldoende is gemotiveerd en dat in dit opzicht sprake is van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
- Uit artikel 13a van de Wahv, gelezen in samenhang met artikel 1, aanhef en onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht, volgt dat een proceskostenvergoeding uitsluitend betrekking kan hebben op kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Voor het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand is van belang dat deze werkzaamheden een vast onderdeel vormen van een duurzame, op het vergaren van een inkomen gerichte taakuitoefening. Met het vereiste dat sprake moet zijn van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, wordt mede beoogd te waarborgen dat uitsluitend een vergoeding wordt toegekend voor kosten die de rechtzoekende daadwerkelijk heeft gemaakt voor rechtsbijstand door een professionele rechtshulpverlener. Om voor een vergoeding van kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in aanmerking te komen, dient degene die als derde beroepsmatig rechtsbijstand verleent voldoende deskundig te zijn. Daartoe dient hij over enige juridische scholing te beschikken. Bij de beoordeling daarvan kunnen onder meer de door hem ingediende processtukken worden betrokken. In dit geval is enkel een verklaring van inschrijving voor het studiejaar 2020/2021 voor de opleiding HBO-Rechten overgelegd. De verklaring van inschrijving voor een studiejaar HBO-Rechten is onvoldoende om vast te kunnen stellen dat [naam1] voldoende deskundig kan worden geacht in vorenbedoelde zin, nu niet aannemelijk is gemaakt dat [naam1] daadwerkelijk onderwijs heeft gevolgd en relevante resultaten heeft behaald. Naar aanleiding van de uitspraak van de kantonrechter mocht van de gemachtigde verwacht worden dat hij zijn stelling in hoger beroep voldoende zou onderbouwen. Daarenboven is, in aanmerking genomen de omstandigheid dat [naam1] stage liep bij Appjection bv, niet gebleken dat het verlenen van rechtsbijstand voor hem een vast onderdeel vormde van een duurzame, op het vergaren van inkomsten gerichte taakuitoefening. Het voorgaande betekent dat de beslissing van de kantonrechter kan worden bevestigd.
- Er is geen aanleiding voor het toekennen van een proceskostenvergoeding. De beslissing Het gerechtshof: bevestigt de beslissing van de kantonrechter; wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af. Dit arrest is gewezen door mr. De Witt, in tegenwoordigheid van mr. Pranger als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.