Afdeling strafrecht Parketnummer: 21-003716-20 Uitspraak d.d.: 30 juni 2022 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Overijssel van 6 oktober 2020 met parketnummer 08-770085-19 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging, parketnummer 21-005090-17, in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990, Zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande, thans verblijvende in [P.I.] . Het hoger beroep De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 16 juni 2022 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. M.H.H. Meulemeesters, naar voren is gebracht. Het vonnis waarvan beroep De rechtbank heeft verdachte ter zake van feit 1 en 2 veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaar met aftrek van voorarrest. Daarnaast is de vordering van de benadeelde partij toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Tot slot is de vordering tenuitvoerlegging toegewezen. Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewezenverklaring en strafoplegging komt. Het hof zal daarom opnieuw rechtdoen. De tenlastelegging Aan verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg – ten laste gelegd dat: 1. hij op of omstreeks 22 december 2019 te [plaats] , met [slachtoffer] , van wie hij, verdachte, wist dat deze in staat van bewusteloosheid, verminderd bewustzijn of lichamelijke onmacht verkeerde, een of meer handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , te weten - het brengen/duwen van zijn penis in haar vagina; 2. hij op één of meer tijdstip(pen) op of omstreeks 22 december 2019 te [plaats] , ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om (telkens) door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid [slachtoffer] te dwingen tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(
- en)en/of die bedreiging met geweld en/of die andere feitelijkhe(i)d(
- en)hierin dat verdachte (telkens): (nadat hij, verdachte, eerder bij haar op de kamer was geweest en seksuele handelingen had verricht die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , waardoor zij wakker was geworden en hem van zich af had geduwd) - (wederom) naar haar kamer is gegaan en/of - op haar lichaam is gaan liggen en/of - haar broek en/of onderbroek (string) heeft vastgepakt en/of naar beneden heeft proberen te trekken en/of - haar armen en/of benen heeft vastgepakt en/of vastgehouden en/of - zijn penis in de richting van het hoofd van die [slachtoffer] heeft gebracht/geduwd en/of - haar in de nek heeft gekust en/of - haar borsten en/of lichaam heeft betast en/of - misbruik heeft gemaakt van zijn fysieke overwicht ten opzichte van die [slachtoffer] en/of - (meermalen) voorbij is gegaan aan de verbale en/of non-verbale signalen van verzet/weerstand van die [slachtoffer] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; en/of hij op één of meer tijdstip(pen) op of omstreeks 22 december 2019 te [plaats] , [slachtoffer] (telkens) door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handelingen, door meermalen, althans eenmaal: - naar de kamer van die [slachtoffer] te gaan en/of - misbruik te maken van zijn fysieke overwicht ten opzichte van die [slachtoffer] en/of - voorbij te gaan aan de door die [slachtoffer] geuite verbale en/of fysieke signalen dat zij genoemde handelingen niet wilde ondergaan en/of - (vervolgens) de armen en/of benen van die [slachtoffer] vast te pakken en/of vast te houden en/of - de broek en/of onderbroek van die [slachtoffer] naar beneden te trekken en/of - zijn penis in de richting van het hoofd van die [slachtoffer] te brengen/duwen en/of - die [slachtoffer] in de nek te kussen en/of - de borsten en/of het lichaam van die [slachtoffer] te betasten. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Overwegingen met betrekking tot het bewijs Standpunt van het openbaar ministerie De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bevestiging van het vonnis, met uitzondering van het gebruik van de 112-melding voor het bewijs. Het is niet zeker of wat de getuige heeft gehoord, betrekking heeft op het tenlastegelegde. De bewezenverklaring wordt gedragen door de overige bewijsmiddelen in het vonnis. Standpunt van de verdediging De raadsman heeft integrale vrijspraak bepleit. Er is niet betwist dat de onder 1 tenlastegelegde seksuele handelingen tussen verdachte en aangeefster hebben plaatsgevonden. Volgens de raadsman kan ten aanzien van feit 1 het bestanddeel ‘verminderd bewustzijn’ echter niet worden bewezen. Anders dan de verklaring van aangeefster is er geen bewijsmiddel waaruit volgt dat zij sliep op het moment dat verdachte bij haar binnendrong. Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsman betoogd dat er onvoldoende bewijs is dat de ten laste gelegde handelingen hebben plaatsgevonden. Er is een aangifte, maar onvoldoende steunbewijs. Oordeel van het hof Bewijsmiddelen Aangeefster [slachtoffer] – op dat moment zestien jaar – heeft tijdens het informatief gesprek zeden onder meer het volgende verklaard. Op zaterdagavond 21 december 2019 was zij op een feestje van een vriendin. Op dit feestje heeft zij een paar glazen wijn, een glaasje champagne en twee glazen gemixt gedronken. Zij voelde zich eerst nog goed, maar later niet meer. Ze zag niet meer recht en voelde zich niet goed genoeg om nog in de stad rond te gaan lopen. [naam] (hierna: [naam] ), een vriend van haar, heeft haar bij hem thuis in zijn bed gelegd. Verdachte, de stiefvader van [naam] , was thuis, evenals het jongere zusje van [naam] . Aangeefster is meteen in slaap gevallen. Ze werd wakker met de penis van verdachte in haar vagina. Ze duwde hem weg. Verdachte kwam terug en toen lag aangeefster op haar rug en verdachte lag op haar. Hij probeerde haar broek uit te doen. Aangeefster zei: “Ik wil dit niet” en heeft hem een trap gegeven en weggeduwd. Verdachte ging weg en kwam daarna nog een keer terug. Hij gaf haar kusjes in de nek. Ze heeft hem nog een keer weggeduwd en weggetrapt. Hij heeft haar ook bij de borsten gevoeld en geprobeerd haar broek naar beneden te trekken. Tijdens haar aangifte heeft aangeefster verder onder meer verklaard dat verdachte degene is die haar verkracht heeft. Aangeefster voelde zich niet lekker. Ze had voor het feestje niet veel gegeten en de alcohol kwam heel snel. De eerste keer heeft ze verdachte weggeduwd. Ze zei tegen verdachte dat hij van haar af moest gaan. Ze zei ook: “Waar ben je mee bezig, ga weg!” Toen hij was weggegaan, heeft ze haar broek en string omhoog gedaan. Toen kwam hij terug. Hij ging met zijn beide knieën over het bed heen. Aangeefster hield de deken over zich heen. Toen ging hij met zijn hand naar haar broek en hij wilde haar broek naar beneden trekken. Ze sloeg zijn hand weg en zei: “Stop!” Hij bleef proberen haar broek naar beneden te trekken en gaf kusjes in haar nek. Ze duwde hem weg, maar hij kwam terug en boog zich naar hem toe. Ze gaf hem een trap in zijn zij toen hij over haar heen boog en heeft hem ook nog een klap in zijn gezicht gegeven. Ze weet nog dat hij met zijn knieën op het bed lag, aan weerszijden van haar lichaam. Hij duwde toen zijn penis in de richting van haar hoofd. Toen heeft ze hem van haar afgeduwd en geslagen in zijn gezicht. Uiteindelijk heeft verdachte de kamer verlaten en hoorde aangeefster [naam] binnen komen. Vervolgens heeft zij [naam] kort verteld wat er gebeurd was en hadden [naam] en verdachte een aanvaring. De tweede keer dat verdachte de kamer in kwam probeerde hij aangeefster op de plek te houden door haar bij haar armen en benen te pakken. Hij deed dat constant. Verder heeft verdachte aan haar borsten gevoeld, over de trui heen. Aangeefster heeft verklaard dat zij heel bang was voor verdachte tijdens het gebeurde. Getuige [naam] heeft verklaard dat hij samen met aangeefster op het feestje was en dat ze daarna nog naar de stad wilden fietsen, maar aangeefster was toen een beetje dronken. Aangeefster wilde niet mee naar de stad en toen heeft [naam] voorgesteld dat ze bij hem thuis in zijn bed mocht slapen. [naam] woont aan [adres] . Hij heeft haar in zijn bed gelegd en een bak en een glas water naast het bed gezet. Verder heeft hij tegen verdachte gezegd dat aangeefster zich niet goed voelde en op zijn bed sliep. Daarna is [naam] weggegaan. Toen hij thuis kwam, zag hij dat verdachte klaar was om weg te gaan. Hij zag aangeefster die met een huilend gezicht uit zijn kamer kwam lopen. Toen hij haar vroeg wat er aan de hand was, vertelde aangeefster hem dat zij wakker werd met een penis in haar vagina. Toen [naam] verdachte vertelde dat aangeefster verkracht was, reageerde verdachte gelijk alsof [naam] hem beschuldigde. Hij werd boos, agressief, ging met deuren slaan, gooide de kattenbak om en begon te dreigen. Uiteindelijk zei verdachte tegen [naam] : “Jij bent toch diegene die een dronken vriendin hier achter laat.” Getuige [naam] heeft verklaard dat zij samen met aangeefster op het feestje was. Aangeefster dronk alcohol op dat feestje en [naam] merkte aan haar dat zij niet nuchter was. De volgende ochtend heeft aangeefster getuige [naam] gebeld en verteld dat verdachte in haar probeerde te komen of in haar zat en dat hij probeerde haar broek naar beneden te trekken en daar probeerde aangeefster tegen in te gaan. Er is een DNA-onderzoek verricht, en de uitslag daarvan is dat uit de bemonstering van de zedenset van aangeefster op verschillende plekken matches zijn gevonden met het DNA-profiel van verdachte: zo is er in de onderbroek van aangeefster een spermafractie aangetroffen, evenals op haar binnenste en buitenste schaamlippen en diep vaginaal. Bij verdachte is een match gevonden met het DNA van aangeefster, namelijk op zijn liezen, schaamstreek en penis epitheelfractie. Bewijsoverwegingen Juridisch kader Het bewijs dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, kan niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van de aangeefster. Er kan niet tot een bewezenverklaring worden gekomen indien de door de aangeefster verklaarde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. Niet is vereist dat elk onderdeel van de tenlastelegging in ander bewijsmateriaal steun vindt. Dat betekent dat het hof moet beoordelen of enerzijds de verklaringen van aangeefster betrouwbaar is en anderzijds of haar verklaringen voldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. Het feit dat de verklaringen van de aangeefster betrouwbaar worden geacht, kan niet op zichzelf als voldoende steunbewijs dienen. Het steunbewijs dient verder te zien op feiten en omstandigheden die niet in een te ver verwijderd verband staan tot de aan verdachte verweten gedragingen. Betrouwbaarheid en geloofwaardigheid verklaringen aangeefster Het hof acht de verklaring van aangeefster betrouwbaar en geloofwaardig en bruikbaar voor het bewijs, ook voor wat betreft het onder 2 tenlastegelegde. Het hof overweegt hiertoe als volgt. De verklaring van aangeefster tijdens het informatief gesprek zeden op 22 december 2019 stemt op essentiële onderdelen overeen met de inhoud van haar aangifte op 23 december 2019. Zij heeft een uitgebreide en gedetailleerde verklaring afgelegd. Zij is standvastig gebleken in haar verklaring dat verdachte – ook nadat zij wakker was geworden met de penis van verdachte in zich – ondanks aangeefsters weigering, toch probeerde seks met haar te hebben en dat zij zich tegen verdachte probeerde te verzetten en verweren. De verklaringen van aangeefster worden in belangrijke mate ondersteund door de getuigen [naam] en [naam] en verder door de verklaring van verdachte en de resultaten van het DNA-onderzoek. [naam] heeft aangeefster huilend aangetroffen in zijn huis en aangeefster vertelde hem direct dat zij wakker was geworden met een penis in haar vagina. Toen [naam] verdachte daarmee confronteerde, reageerde hij boos en agressief. Verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij zich nog kan herinneren dat hij een discussie met [naam] heeft gehad. De getuigenverklaring van [naam] is in grote lijnen en op cruciale onderdelen gelijkluidend aan de verklaring van aangeefster. Daarnaast vindt de verklaring van aangeefster steun in het aangetroffen DNA van verdachte bij aangeefster en het aangetroffen DNA van aangeefster bij verdachte. Verdachte heeft verklaard zich, afgezien van de discussie met [naam] , niets te kunnen herinneren van wat zich rondom en tijdens het tenlastegelegde heeft afgespeeld. Over de door aangeefster vermelde seksuele handelingen heeft hij verklaard dat hij er niet aan twijfelt dat ze zijn gebeurd. Verminderde staat van bewustzijn Het hof moet vervolgens beoordelen of bewezen kan worden dat aangeefster op het moment van het verrichten van de seksuele handelingen in staat van bewusteloosheid, verminderd bewustzijn of lichamelijke onmacht verkeerde en dat verdachte dit wist. Bij de invulling van het begrip “verminderd bewustzijn” kan men denken aan situaties waarin de persoon zich bevindt in een roes als gevolg van het innemen van alcohol of drugs. Het gaat niet om de situatie dat iemand geheel weg is. Het gaat om situaties tussen waakzaamheid en geheel van de wereld zijn, waarbij van de persoon in redelijkheid niet kan worden verwacht dat hij weerstand biedt aan seksuele verlangens van een ander. Aangeefster heeft bij de politie verklaard dat zij aangeschoten was en ook getuigen [naam] en [naam] hebben verklaard dat aangeefster gedronken had en aangeschoten was. Getuige [naam] heeft verklaard dat hij tegen verdachte heeft gezegd dat aangeefster zich niet goed voelde en op zijn bed sliep. Daarnaast heeft getuige [naam] verklaard dat hij aangeefster in zijn bed heeft gelegd en een bak en een glas water naast het bed heeft gezet. Aangeefster heeft verder verklaard dat zij sliep en wakker werd met een penis in haar vagina. Anders dan de raadsman heeft betoogd kan, gelet op het bovenstaande, naar het oordeel van het hof worden vastgesteld dat aangeefster in staat van verminderd bewustzijn verkeerde en dat verdachte daarvan weet had, temeer omdat verdachte later tegen [naam] heeft gezegd: “Jij bent toch diegene die een dronken vriendin hier achterlaat”. Het verweer van de raadsman wordt daarom verworpen. Conclusie Uit het voorgaande blijkt dat verdachte bij aangeefster seksuele handelingen heeft verricht, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van haar lichaam, terwijl aangeefster – slapend en onder invloed van alcohol – in een staat van verminderd bewustzijn verkeerde. Uit de aangifte en de hiervoor geschetste context komt daarnaast voldoende naar voren dat verdachte nog tweemaal naar haar kamer is gekomen en heeft gepoogd nogmaals bij aangeefster binnen te dringen en aangeefster gedwongen heeft andere ontuchtige handelingen te dulden en haar heeft betast. Nu verdachte eerder seksueel bij aangeefster binnen is gedrongen, is het hof van oordeel dat de uiterlijke verschijningsvorm er blijk van geeft dat de plannen van verdachte gericht waren op het wederom binnendringen van het lichaam van aangeefster. Uit de verklaring van aangeefster volgt dat hierbij sprake was van dwang door het vastpakken en vasthouden van aangeefster en door het blijven te proberen ook nadat zij meerdere keren in woord en gebaar duidelijk te kennen had gegeven er niet van gediend te zijn, wat werd versterkt door het fysieke overwicht dat verdachte – destijds 29 jaar – op het zestienjarige slachtoffer had. Bewezenverklaring Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel – ook in onderdelen – slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat ten laste gelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat: 1. hij op of omstreeks 22 december 2019 te [plaats] , met [slachtoffer] , van wie hij, verdachte, wist dat deze in staat van bewusteloosheid, verminderd bewustzijn of lichamelijke onmacht verkeerde, een of meer handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , te weten - het brengen/duwen van zijn penis in haar vagina; 2. hij op één of meer tijdstip ( pen ) op of omstreeks 22 december 2019 te [plaats] , ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om (telkens) door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid [slachtoffer] te dwingen tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe (
- i)d ( en ) en/of die bedreiging met geweld en/of die andere feitelijkhe(i)d(
- en)hierin dat verdachte (telkens): (nadat hij, verdachte, eerder bij haar op de kamer was geweest en seksuele handelingen had verricht die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , waardoor zij wakker was geworden en hem van zich af had geduwd) - (wederom) naar haar kamer is gegaan en/of - op haar lichaam is gaan liggen en/of - haar broek en/of onderbroek (string) heeft vastgepakt en/of naar beneden heeft proberen te trekken en/of - haar armen en/of benen heeft vastgepakt en/of vastgehouden en/of - zijn penis in de richting van het hoofd van die [slachtoffer] heeft gebracht/geduwd en/of - haar in de nek heeft gekust en/of - haar borsten en/of lichaam heeft betast en/of - misbruik heeft gemaakt van zijn fysieke overwicht ten opzichte van die [slachtoffer] en/of - (meermalen) voorbij is gegaan aan de verbale en/of non-verbale signalen van verzet/weerstand van die [slachtoffer] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; en /of hij op één of meer tijdstip ( pen ) op of omstreeks 22 december 2019 te [plaats] , [slachtoffer] (telkens) door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid , heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handelingen, door meermalen, althans eenmaal: - naar de kamer van die [slachtoffer] te gaan en/of - misbruik te maken van zijn fysieke overwicht ten opzichte van die [slachtoffer] en/of - voorbij te gaan aan de door die [slachtoffer] geuite verbale en/of fysieke signalen dat zij genoemde handelingen niet wilde ondergaan en/of - (vervolgens) de armen en/of benen van die [slachtoffer] vast te pakken en/of vast te houden en/of - de broek en/of onderbroek van die [slachtoffer] naar beneden te trekken en/of - zijn penis in de richting van het hoofd van die [slachtoffer] te brengen/duwen en/of - die [slachtoffer] in de nek te kussen en/of - de borsten en/of het lichaam van die [slachtoffer] te betasten. Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Samenloop Met de rechtbank is het hof van oordeel dat ten aanzien van feit 1 en feit 2 geen sprake is van één feit(encomplex). Bij deze feiten is daarom sprake van een meerdaadse samenloop, als bedoeld in artikel 57 van het Wetboek van Strafrecht (Sr), en niet van eendaadse samenloop of voortgezette handeling. De feiten 1 en 2 zijn verschillende feiten waaraan verschillende wilsbesluiten ten grondslag moeten hebben gelegen. Verdachte heeft immers, na het plegen van feit 1, de slaapkamer verlaten, is later weer teruggekomen en heeft toen de onder 2 ten laste gelegde feiten gepleegd. Ten aanzien van de (cumulatief) onder 2 ten laste gelegde feiten is het hof van oordeel dat sprake is van eendaadse samenloop als bedoeld in artikel 55 Sr. Deze feiten leveren immers zo’n samenhangend, zich op dezelfde tijd en plaats afspelend feitencomplex op dat deze als één strafrechtelijk verwijt kunnen worden gezien, terwijl de strekking (seksueel contact tegen iemands wil) en het beschermde belang (de lichamelijke en seksuele integriteit) van de onderliggende strafbepalingen nagenoeg hetzelfde zijn. Kwalificatie Het onder 1 bewezenverklaarde levert op: met iemand van wie hij weet dat hij in staat van verminderd bewustzijn verkeert, handelingen plegen die bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam. Het onder 2 bewezenverklaarde levert op: de eendaadse samenloop van poging tot verkrachting en feitelijke aanranding van de eerbaarheid. Strafbaarheid van de verdachte Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn. Oplegging van straf en/of maatregel Standpunt van het openbaar ministerie De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg is opgelegd. Standpunt van de verdediging De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de door de rechtbank opgelegde straf te hoog is. Op grond van drie soortgelijke zaken en de LOVS-oriëntatiepunten is, ook met inachtneming van de strafverhogende elementen, een gevangenisstraf tussen de twee en drie jaar passend bij een integrale bewezenverklaring. Anders dan in eerste aanleg het geval was, is verdachte inmiddels tot ongewenst vreemdeling verklaard. Dat betekent dat hij niet in aanmerking komt voor voorwaardelijke invrijheidstelling. Oordeel van het hof Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. Verdachte is seksueel binnengedrongen in het lichaam van het slachtoffer, terwijl zij in staat van verminderd bewustzijn verkeerde. Daarna heeft hij geprobeerd opnieuw seksueel bij haar binnen te dringen en ontuchtige handelingen met haar gepleegd. . Verdachte heeft ter bevrediging van zijn eigen lustgevoelens misbruik gemaakt van de onmachtige situatie waarin het slachtoffer verkeerde. Aangeefster kende verdachte als de stiefvader van haar goede vriend en had geen reden om zich onveilig te voelen in zijn huis. Verdachte heeft geen rekening gehouden met de gevoelens van een minderjarig meisje dat in een veilige omgeving meende te kunnen overnachten. Integendeel, hij is nadat aangeefster hem van zich af duwde en schopte tot twee maal toe teruggekomen om nogmaals te proberen seks te hebben met haar. Hij heeft hiermee een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van de aangeefster. Zij ondervindt daar nog altijd de gevolgen van, zoals ook blijkt uit de indrukwekkende door haar op zitting voorgelezen slachtofferverklaring. Verdachte heeft vervolgens geen enkele verantwoordelijkheid genomen voor het gebeurde. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft verdachte enkel verklaard dat hij zich (nagenoeg) niets meer van de bewuste nacht kan herinneren. Uit het uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 13 mei 2022 blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor een zedenfeit. De reclassering heeft in het rapport van 28 augustus 2020 geadviseerd de zaak zonder reclasseringsbemoeienis af te doen. Het LOVS-oriëntatiepunt voor verkrachting met een beperkte mate van dwang is gesteld op een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee jaar. Voor seksueel binnendringen bij iemand die in een staat van verminderd bewustzijn verkeerd, zijn geen oriëntatiepunten. Het hof neemt een gevangenisstraf van minimaal twee jaar als uitgangspunt. In strafverzwarende zin weegt het hof mee dat aangeefster destijds zestien jaar oud was en verbleef in een omgeving waar zij veilig had moeten zijn. Het hof houdt, anders dan de raadsman heeft verzocht, niet in straf verminderende zin rekening met het feit dat verdachte tot ongewenst vreemdeling is verklaard, alleen al omdat de gevolgen van die ongewenst-verklaring voor de executie van de op te leggen straf op dit moment niet duidelijk zijn. Die onduidelijkheid wordt versterkt door de verklaring van verdachte dat hij in Nederland wil blijven en een nieuwe asielaanvraag wil indienen. Alles afwegende acht het hof de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van drie jaar passend en geboden. De op te leggen straf is lager dan door de rechtbank is opgelegd en door de advocaat-generaal is gevorderd, maar deze staat, gelet op de oriëntatiepunten en straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd, naar het oordeel van het hof in verhouding tot de bewezen verklaarde feiten. Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet (Pbw), dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering (Sv), aan de orde is. Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] Vordering De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 25.000,-, bestaande uit immateriële schade. Ter onderbouwing is onder meer verwezen naar twee uitspraken. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep volledig toegewezen. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsvrouw van de benadeelde partij de vordering toegelicht. Zij heeft daarbij onder meer aangevoerd dat ook sprake is van opgelopen studievertraging (materiële schade) ten bedrage van€ 18.000,-. Deze schade is in eerste aanleg niet gevorderd. De raadsvrouw realiseert zich dat verhoging van de vordering niet kan, maar stelt, voor het geval het hof de gevorderde immateriële schadevergoeding niet volledig zou toewijzen, deze materiële schade indirect mee te nemen, zodat toch gekomen zou kunnen worden tot toewijzing van het volledige bedrag van de oorspronkelijke vordering (€ 25.000,-). Standpunt van het openbaar ministerie De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van € 25.000,- aan immateriële schadevergoeding volledig kan worden toegewezen. Standpunt van de verdediging De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat – in geval van een bewezenverklaring van beide feiten – een bedrag van € 5.000,- aan immateriële schade kan worden toegewezen. De ten laste gelegde feiten passen volgens hem in categorie 3 van de Letsellijst Schadefonds Geweldsmisdrijven van 1 januari 2019. De raadsman heeft daarbij eveneens verwezen naar drie uitspraken. Hij heeft verder betoogd dat in de fase van hoger beroep geen nieuwe posten kunnen worden opgevoerd en dat daarom de post studievertraging buiten beschouwing moet blijven. Oordeel van het hof Het hof gaat bij de beoordeling van de vordering uit van de originele vordering (€ 25.000,- aan immateriële schade). De ter terechtzitting in hoger beroep voor het eerst naar voren gebrachte studievertraging (materiële schade ad € 18.000,-) wordt niet meegenomen in de beoordeling. Het recht voorziet niet in de mogelijkheid om in de fase van hoger beroep schade te vorderen buiten de omvang en de posten van de originele vordering. Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Voor de bepaling van de hoogte van de schade heeft het hof gekeken naar vergelijkbare gevallen. Het hof heeft ook gekeken naar de zaken die door de raadsman zijn aangehaald en de zaken die als bijlage bij de vordering zijn gevoegd. Het hof is van oordeel dat voldoende gebleken is dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden tot in ieder geval een bedrag van € 10.000,-. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen. Beoordeling van het overige deel van de vordering zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De benadeelde partij zal daarom in dat deel van de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard. Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze. Vordering tenuitvoerlegging Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem, van 26 april 2018 met parketnummer 21-005090-17 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde. De advocaat-generaal heeft tot toewijzing van de vordering gerekwireerd en de raadsman heeft zich aan het oordeel van het hof gerefereerd. Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Daarom zal de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijk opgelegde straf worden gelast. Toepasselijke wettelijke voorschriften Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 45, 55, 57, 242, 243 en 246 van het Wetboek van Strafrecht. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart het onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar. Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) jaren. Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht. Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 10.000,00 (tienduizend euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening. Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen. Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 10.000,00 (tienduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening. Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 85 (vijfentachtig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op. Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt. Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 22 december 2019. Gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem, van 26 april 2018, parketnummer 21-005090-17, te weten van: gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden. Aldus gewezen door mr. M.L. Plas, voorzitter, mr. R.H. Koning en mr. R.J. Bokhorst, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. R.W.P. Soons, griffier, en op 30 juni 2022 ter openbare terechtzitting uitgesproken. Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de regiopolitie Oost-Nederland van 17 april 2020 met documentcode 20200113.1522.9168 (onderzoek BRERA/ONRBC19471). Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal. Proces-verbaal van bevindingen informatief gesprek zeden van 22 december 2019, p. 1-2. Proces-verbaal van aangifte van 23 december 2019, p. 6-14. Proces-verbaal van verhoor getuige [naam] van 23 december 2019, p. 25-29. Proces verbaal van verhoor getuige [naam] van 27 december 2019, p. 49-50. Proces-verbaal van bevindingen DNA-hit [verdachte] , p. 122-123. Deskundigenrapportage Forensisch DNA-onderzoek. p. 124-131. Kamerstukken II 2001/02, 27 745, nr. 6. Rechtbank Noord-Nederland 10 mei 2016 (ECLI:NL:RBNNE:2016:2258); rechtbank Midden-Nederland 13 maart 2018 (ECLI:NL:RBMNE:2018:960); rechtbank Rotterdam 15 maart 2019 (ECLI:NL:RBROT:2019:2372). Rechtbank Midden Nederland 12 juni 2016 (ECLI:NL:RBMNE:2016:700); rechtbank Den Haag 8 augustus 2019 (ECLI:NL:RBDHA:2019:8055). Rechtbank Noord-Nederland 10 mei 2016 (ECLI:NL:RBNNE:2016:2258); rechtbank Midden-Nederland 13 maart 2018 (ECLI:NL:RBMNE:2018:960); rechtbank Rotterdam 15 maart 2019 (ECLI:NL:RBROT:2019:2372).