GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN zittingsplaats Leeuwarden Zaaknummer : Wahv 200.277.999/01 CJIB-nummer : 228922503 Uitspraak d.d. : 27 januari 2022 Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Midden-Nederland van 9 april 2020, betreffende [de betrokkene] (hierna: de betrokkene), wonende te [woonplaats] . De gemachtigde van de betrokkene is mr. J. Cortet, advocaat te Utrecht. De beslissing van de kantonrechter De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard. Het verloop van de procedure De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend. De gemachtigde van de betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt. De beoordeling
- Artikel 11 van de Wahv verplicht de betrokkene om in de procedure bij de kantonrechter zekerheid te stellen voor de betaling van de sanctie en de administratiekosten. Er is niet (tijdig) zekerheid gesteld. De kantonrechter heeft het beroep daarom niet-ontvankelijk verklaard.
- De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de betrokkene niet in staat is zekerheid te stellen en dit ook kenbaar te hebben gemaakt in het beroepschrift aan de kantonrechter. Voorts stelt de gemachtigde van de betrokkene dat aan de betrokkene nooit kenbaar is gemaakt dat hij in verzuim zou verkeren. Na het indienen van het beroepschrift bij de kantonrechter op 16 januari 2020 heeft hij tot ontvangst van de uitspraak van de kantonrechter, verzonden op 9 april 2020, niets vernomen.
- Bij brieven van 23 januari 2020, geadresseerd aan de betrokkene en de gemachtigde, is de betrokkene gewezen op de wettelijke verplichting om vóór de behandeling van het beroepschrift door de kantonrechter zekerheid te stellen voor het bedrag van de sanctie en de administratiekosten. Bij brieven van 9 februari 2020 is de betrokkene opnieuw in de gelegenheid gesteld om zekerheid te stellen. Op deze brieven staat het CJIB-nummer vermeld. Op geen van beide brieven heeft (de gemachtigde van) de betrokkene gereageerd.
- Het is vaste rechtspraak dat het bestuursorgaan (in dit geval de officier van justitie) aannemelijk moet maken dat een beslissing of ander relevant document is verstuurd. Als dat aannemelijk is gemaakt, is het aan de geadresseerde om op een niet ongeloofwaardige manier te betwisten dat het document is ontvangen. Slaagt dat, dan is het aan de officier van justitie om aannemelijk te maken dat het document wel is ontvangen.
- Zekerheidsbrieven worden namens de officier van justitie verzonden door de CVOM. In het arrest van 28 januari 2013 (gepubliceerd op rechtspraak.nl met vindplaats ECLI:NL:GHARL:2013:BZ1110) heeft het hof vastgesteld dat het verzendproces zo is ingericht, dat de kans op fouten vrijwel is uitgesloten. Daarom mag worden aangenomen dat deze brieven daadwerkelijk zijn verstuurd.
- De gemachtigde van de betrokkene heeft ontkend dat de zekerheidsbrieven zijn ontvangen. Dat is onvoldoende om de ontvangst te weerleggen. Uit de stukken blijkt ook niet dat de zekerheidsbrieven als onbestelbaar retour zijn gekomen. Daarom wordt ervan uitgegaan dat de gemachtigde deze wel heeft ontvangen.
- Met betrekking tot de stelling van de gemachtigde dat in het beroepschrift bij de kantonrechter kenbaar is gemaakt dat de betrokkene niet in staat is zekerheid te stellen, overweegt het hof dat in het beroepschrift bij de kantonrechter uitgebreid verweer is gevoerd tegen de inhoud van de sanctie en dat in de laatste alinea van de deze brief is aangevoerd: “Tot slot verzoek ik u namens eiser om hem hangende het beroep uitstel van betaling te verlenen van de opgelegde boete en bij gegrondverklaring van het beroep tevens de door eiser gemaakte noodzakelijke kosten in verband met dit beroep te vergoeden.” Het hof stelt vast dat deze opmerking niet kan worden aangemerkt als een draagkrachtverweer, nu niet is aangegeven dat het verzoek om uitstel van betaling verband houdt met onvoldoende financiële draagkracht.
- De (gemachtigde van de) betrokkene heeft niet binnen de gestelde termijn zekerheid gesteld en ook niet in reactie op de toegezonden brieven gemeld dat wegens onvoldoende financiële draagkracht geen zekerheid kon worden gesteld. Het is in strijd met een goede procesorde om pas in hoger beroep aan te voeren dat zekerheidstelling niet kan plaatsvinden op grond van te geringe draagkracht. Van bijzondere omstandigheden die tot een ander oordeel zouden moeten leiden, is niet gebleken. Van een procespartij mag worden verwacht dat op de toegezonden brieven wordt gereageerd door ofwel zekerheid te stellen, ofwel uit te leggen waarom niet aan de verplichting om zekerheid te stellen kan worden voldaan.
- De kantonrechter heeft het beroep daarom terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het hof bevestigt de beslissing van de kantonrechter. Net als de kantonrechter kan het hof de bezwaren van de betrokkene tegen de opgelegde sanctie daarom niet behandelen. De beslissing Het gerechtshof: bevestigt de beslissing van de kantonrechter. Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Landstra als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.