GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem afdeling civiel recht, handel zaaknummer gerechtshof 200.307.830 (zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, 9485684) beschikking van 5 juli 2022 in de zaak van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid ING Bank Personeel B.V., gevestigd te Amsterdam, verzoekster in hoger beroep,in eerste aanleg: verzoekster, verweerster in het voorwaardelijk tegenverzoek hierna: ING, advocaat: mr. S. Wehl, tegen [verweerder] , wonende te [woonplaats1] , verweerder in hoger beroep,in eerste aanleg: verweerder, verzoeker in het voorwaardelijk tegenverzoek hierna: [verweerder] , advocaat: mr. H. Giard. 1Het geding in eerste aanleg Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de beschikking van 16 december 2021 van de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht. 2Het geding in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure is als volgt: - het beroepschrift van ING van 10 maart 2022 met producties, ter griffie ontvangen op 11 maart 2022; - het verweerschrift met producties van 26 april 2022; - de brief van ING van 3 mei 2022, met de productie 32 en 33, ter griffie ontvangen op 6 mei 2022;- de akte verduidelijking/toelichting en vermeerdering van eis van 17 mei 2022 van [verweerder] , ingekomen op 18 mei 2022; - de op 1 juni 2022 gehouden mondelinge behandeling, waarbij beide partijen pleitnotities hebben overgelegd en waarvan proces-verbaal is opgemaakt. 2.2 Na afloop van de mondelinge behandeling heeft het hof beschikking bepaald op 1 september 2022 of zoveel eerder als mogelijk is. 2.3 ING heeft in haar hoger beroepschrift verzocht de beschikking van de kantonrechter te vernietigen en bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat de arbeidsovereenkomst met [verweerder] op de kortst mogelijke termijn eindigt en hem te veroordelen in de kosten van beide instanties. 2.4 [verweerder] heeft bij verweerschrift in hoger beroep van 26 april 2022 verzocht het hoger beroep van ING te verwerpen, de bestreden beschikking te bekrachtigen en ING te veroordelen in de kosten van de procedure. 2.5 [verweerder] heeft bij akte verduidelijking/toelichting en vermeerdering van eis van 17 mei 2022 verzocht het bedrag aan billijke vergoeding te vermeerderen tot een bedrag van 8 jaar x € 94.391 bruto = € 755.128 bruto (productie 23) en de immateriële schadevergoeding te bepalen op een bedrag van € 100.000. 3De feiten In hoger beroep staan de door de kantonrechter onder 2 van de bestreden beschikking vastgestelde feiten vast, nu daartegen geen grieven of bezwaren zijn aangevoerd. 4Het verzoek aan de kantonrechter en de beoordeling daarvan 4.1 ING heeft de kantonrechter verzocht op grond van het bepaalde in artikel 7:671 b lid 1 onder a en artikel 7:669 lid 3 sub e (verwijtbaar handelen of nalaten), g (verstoorde arbeidsverhouding) of i (de combinatiegrond) van het Burgerlijk Wetboek (BW) om ontbinding van de arbeidsovereenkomst van partijen, met veroordeling van [verweerder] in de proceskosten. Zij heeft verzocht bij het bepalen van de einddatum geen rekening te houden met de opzegtermijn van vier maanden en de arbeidsovereenkomst dadelijk te ontbinden nu de ontbinding het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [verweerder] . 4.2 [verweerder] heeft afwijzing van het verzoek bepleit. [verweerder] heeft op zijn beurt, voor het geval de arbeidsovereenkomst zou worden ontbonden, de kantonrechter subsidiair verzocht om: I. toekenning van een transitievergoeding van € 65.161,24 bruto (bij een ontbinding op de e-grond of de g-grond) dan wel € 97.741,86 bruto (bij een ontbinding op de i-grond); II. toekenning van een billijke vergoeding van € 450.000,- dan wel een door de kantonrechter te bepalen bedrag; III. bij het bepalen van de einddatum rekening te houden met de voor hem geldende opzegtermijn zonder aftrek van de periode die gelegen is tussen de ontvangst van het verzoekschrift en de datum van de dagtekening van de beschikking, dan wel een door de kantonrechter te bepalen datum; [verweerder] heeft voorts zowel primair als subsidiair verzocht ING te veroordelen tot betaling aan hem van de wettelijke rente vanaf het tijdstip van opeisbaarheid van de hiervoor genoemde vergoedingen tot aan de dag van algehele voldoening en ING te veroordelen in de proceskosten. 4.3 De kantonrechter heeft in de bestreden beschikking het verzoek van ING afgewezen, met haar veroordeling in de proceskosten. 5De beoordeling in hoger beroep 5.1 De zaak gaat over het volgende. ING heeft, na signalen van fraude, intern onderzoek en monitoring van het e-mailgebruik van werknemer/hypotheekadviseur [verweerder] , verzocht om ontbinding van de arbeidsovereenkomst met [verweerder] vanwege - kort gezegd - het door hem vermeend verrichten van langdurig niet gemelde nevenactiviteiten en het structureel gebruiken van onder andere zijn werk-e-mail en -laptop voor privédoeleinden. 5.2 De kantonrechter heeft dit verzoek afgewezen omdat onduidelijk is of ING bij de monitoring van het e-mailgebruik van [verweerder] heeft voldaan aan de voorwaarden die het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) in de zaak Bărbulescu (zie hierna 5.6) heeft gesteld. De kantonrechter heeft, verkort samengevat, overwogen dat daarom niet kan worden vastgesteld of ING een rechtvaardiging had voor de monitoring van de zakelijke e-mails van [verweerder] en dat voorts niet kan worden vastgesteld of deze monitoring legitiem en proportioneel is. De kantonrechter was van oordeel dat daarom de beoordeling van het ontbindingsverzoek niet goed mogelijk is en wees deze af. 5.3 Met de in hoger beroep geformuleerde bezwaren van ING, aangeduid als grieven, ligt in hoger beroep, zo begrijpt het hof, de zaak in volle omvang ter beoordeling aan het hof voor. De e-grond 5.4 Het hof ziet aanleiding om allereerst het meest verstrekkende verwijt van ING aan [verweerder] , te weten dat sprake is van verwijtbare gedragingen aan zijn zijde die dienen te leiden tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst, te beoordelen (de zogenoemde e-grond). Zo nodig zal in een later stadium worden ingegaan op de overige aangevoerde gronden waarop het ontbindingsverzoek is gebaseerd en waarover de kantonrechter zich niet concreet heeft uitgelaten. 5.5 ING heeft een onderzoek gestart naar de gedragingen en activiteiten van [verweerder] . Reden voor dit onderzoek was, zo heeft zij aangevoerd, een anonieme melding in april 2021 over [verweerder] betrokkenheid bij witwassen, afromen van geld bij supermarkten waarvan [verweerder] mede-eigenaar zou zijn en hypotheekfraude. De afdeling Corporate Security & Investigations van ING (hierna: CSI) heeft in april 2021 naar aanleiding van deze melding gecontroleerd bij ING of [verweerder] in het ING Incidentenregister voorkwam. Dat bleek het geval te zijn. Het Openbaar Ministerie (OM) en een niet nader genoemde overheidsinstantie hebben eerder, reeds in 2018 en 2019, aan ING een bevel gegeven om informatie over [verweerder] te verstrekken. Op deze bevelen rustte een geheimhoudingsverplichting en ING mocht niet onthullen van wie zij signalen had ontvangen dat [verweerder] mogelijk betrokken was bij strafbare feiten. Voormelde overheidsinstantie houdt, anders dan het OM, nog steeds vast aan anonimiteit. Normaal behoren dergelijke vorderingen als die om medewerkers van ING gaan, doorgezet te worden naar CSI voor verder onderzoek. In deze zaak was dat niet gebeurd, hetgeen dus wel had gemoeten, aldus ING. Gezien de inhoud van de anonieme melding en de bevelen om verstrekking van informatie was er aanleiding o.a. het zakelijk e-mailaccount die aan [verweerder] , voor de uitoefening van zijn werkzaamheden, ter beschikking was gesteld te bekijken. Uit het onderzoek van de zakelijke e-mails is naar voren gekomen dat [verweerder] langdurig diverse niet gemelde nevenactiviteiten verrichtte; ook onder werktijd. [verweerder] bleek meerdere (bedrijfs)panden te hebben die hij verhuurde. Evenmin had [verweerder] gemeld dat hij compagnon was van twee Poolse supermarkten Malinka Noordwijkerhout en Malinka Amersfoort en dat hij betrokken was bij een Engelse en een Duitse onderneming. Waarbij bovendien sprake is van langdurig en structureel niet ING gerelateerd gebruik van het door ING aan hem beschikbaar gestelde ING e-mailadres, zijn ING handtekening, de ING laptop en het ING-logo, aldus ING. Voorts werd uit het onderzoek duidelijk dat [verweerder] actief betrokken is geweest bij een hypotheekaanvraag van mevrouw [naam1] , de partner van zijn compagnon in de voornoemde supermarkten en tevens een goede vriend. Ook heeft [verweerder] meerdere keren zonder een zakelijk reden, via de ING-raadpleegsystemen de gegevens van ING klanten geraadpleegd. Daarbij komt dat [verweerder] functioneren over 2018 en 2020 als onvoldoende werd beoordeeld, aldus nog steeds ING. 5.6 Voor het antwoord op de vraag of de werkgever vrije toegang heeft tot de e-mailbox van de werknemer, zoekt het hof, met [verweerder] en de kantonrechter, naast de wet en AVG aansluiting bij de rechtspraak, in het bijzonder de uitspraak van het EHRM van 5 september 2017 in de zaak Bărbulescu (ECLI:CE:ECHR:2017:0905JUD006149608). Het EHRM beantwoordde deze vraag aan de hand van de volgende richtsnoeren, die ook door de kantonrechter worden aangehaald (zie rechtsoverweging 4.12 van de bestreden beschikking): i. Is de werknemer vooraf geïnformeerd over (de aard van) de mogelijke monitoring van correspondentie en andere communicatie door de werkgever? ii. Wat is de omvang van de monitoring en hoe ernstig is de inbreuk op de privacy van de werknemer (ofwel: proportionaliteit)? iii. Heeft de werkgever legitieme gronden die de toegepaste monitoring rechtvaardigen? iv. Was monitoring met minder indringende methoden en maatregelen mogelijk geweest? v. Welke gevolgen heeft de monitoring voor de werknemer gehad? vi. Zijn de werknemer adequate waarborgen geboden, in het bijzonder bij indringende vormen van monitoring? 5.7 Het hof stelt voorop dat, waar de kantonrechter de richtsnoeren uit het Bărbulescu-arrest aanduidt als ‘voorwaarden’, hetgeen kennelijk impliceert dat aan alle richtsnoeren een-op-een voldaan moet zijn, hier geen sprake is van voorwaarden, maar van relevante factoren die bij de toetsing een rol spelen. Het EHRM leidt de richtsnoeren immers in met de zin: ‘In this context, the domestic authorities should treat the following factors as relevant’ (Bărbulescu-arrest, r.o. 121). Het zijn derhalve factoren die alle van belang zijn, maar waarbij niet één enkele factor – als daar niet of niet volledig aan voldaan is – in negatieve zin de doorslag kan geven. De factoren moeten in onderlinge samenhang bezien worden, vergelijkbaar met hoe de zogeheten Spijkers-criteria worden gewogen in zaken over overgang van onderneming: relevante factoren mogen niet afzonderlijk worden beoordeeld en het gewicht dat wordt toegekend aan de verschillende mee te wegen factoren is afhankelijk van de omstandigheden van het geval (HvJ EG 18 maart 1986 (Spijkers), NJ 1987/502), dan wel de gezichtspunten die een rol spelen bij de doorbreking van de 20-jarige verjaringstermijn in asbestzaken (HR 28 april 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5635 (Van Hese/De Schelde, NJ 2000/430). Hoe het ook zij, van de rechter wordt een weging van de genoemde factoren/richtsnoeren verwacht. Daartoe dient de rechter wel in de gelegenheid te worden gesteld. 5.8 Het staat naar het oordeel van het hof vast dat de werknemer vooraf niet geïnformeerd is over (de aard van) de mogelijke monitoring van correspondentie en andere communicatie door de werkgever (richtsnoer sub i). De beginselen omtrent proportionaliteit en subsidiariteit zijn verweven in de richtsnoeren. Uit met name richtsnoer i vloeit een, ook in het kader van de AVG (gerechtvaardigd belang van de verwerkingsverantwoordelijke), belangrijk gezichtspunt voort: wat was de reasonable expectation of privacy van [verweerder] als werknemer? Had hij moeten of kunnen weten dat en in welke situaties er gemonitord kon worden en wat die monitoring dan kon inhouden? 5.9 ING heeft aangevoerd dat zij een gerechtvaardigd belang had de zakelijke e-mails van [verweerder] te bekijken, namelijk het voorkomen/bestrijden van fraude, witwassen en afromen van geld. Het voorkomen van illegale praktijken is een legitieme reden voor ING om de signalen over strafbare feiten, die de financiële sector raken te controleren. ING heeft een belangrijke poortwachtersfunctie bij de bestrijding van allerlei vormen en soorten van financieel economische criminaliteit. De wetgever heeft die taak ook nadrukkelijk bij instellingen zoals ING neergelegd, aldus ING. 5.10 Gelijk de kantonrechter heeft overwogen (rechtsoverweging 4.13 van de bestreden beschikking) kan zonder kennis van de aard van de eerder genoemde signalen - en daarmee van een concrete legitieme grond ter rechtvaardiging van deze monitoring - niet goed worden vastgesteld of de monitoring aan de vereisten van proportionaliteit heeft voldaan. Ook kan niet worden vastgesteld of de verwijten die ING [verweerder] maakt en die zij aan het ontbindingsverzoek ten grondslag heeft gelegd, direct verband houden met deze signalen of dat sprake is van "bijvangst". Voor de beoordeling van de grieven 1 en 2 van ING, die zich richten tegen deze rechtsoverweging in de bestreden beschikking, is daarom vereist dat het hof daarover duidelijkheid wordt verschaft. Bewijslevering
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.