Afdeling strafrecht Parketnummer: 21-000828-21 Uitspraak d.d.: 14 april 2022 TEGENSPRAAK Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof ArnhemLeeuwarden, zittingsplaats Arnhem, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, van 15 februari 2021 met parketnummer 08-150072-20 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] , thans verblijvende in PI [PI] . Het hoger beroep De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 31 maart 2022 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. J.A.W. Knoester, naar voren is gebracht. Het vonnis waarvan beroep De rechtbank heeft verdachte ter zake van poging tot doodslag veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren, met aftrek van de tijd die hij reeds in voorarrest heeft doorgebracht. Daarnaast heeft de rechtbank aan verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: TBS) met verpleging van overheidswege opgelegd. Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere strafoplegging komt en daarom opnieuw rechtdoen. De tenlastelegging Aan verdachte is tenlastegelegd dat: primairhij op of omstreeks 7 juni 2020 te [plaats 1] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] , al dan niet met voorbedachten rade van het leven te beroven, met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, (met kracht) meermalen (ongeveer 44 keer) met een mes, althans met een scherp voorwerp, in het gezicht/hoofd en/of de hals/nek en/of de borst en/of de buik en/of het bovenlichaam en/of de handen en/of de armen en/of de benen, althans in het lichaam van die [slachtoffer] heeft gestoken en/of gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; subsidiairhij op of omstreeks 7 juni 2020 te [plaats 1] aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten meerdere (ongeveer 44) steek- en/of snijwonden in het gezicht/hoofd en/of de hals/nek en/of de borst en/of de buik en/of het bovenlichaam (waarbij de long en/of longvlies is geraakt) en/of de handen en/of armen (waarbij zenuwen en pezen in de arm en/of hand zijn doorgesneden) en/of de benen en/of een klaplong en/of (ander) inwendig letsel en/of blijvende en/of ontsierende littekens heeft toegebracht door (met kracht) meermalen (ongeveer 44 keer) met een mes, althans met een scherp voorwerp, in/op voornoemde plekken in/op het lichaam van die [slachtoffer] te steken en/of te snijden; meer subsidiairhij op of omstreeks 7 juni 2020 te [plaats 1] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen (met kracht) meermalen (ongeveer 44 keer) met een mes, althans met een scherp voorwerp, in het gezicht/hoofd en/of de hals/nek en/of de borst en/of de buik en/of het bovenlichaam en/of de handen en/of armen en/of de benen, althans in het lichaam van die [slachtoffer] heeft gestoken en/of gesneden terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Overweging met betrekking tot het bewijs De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep geen bewijsverweer gevoerd. Evenals de rechtbank, en met de advocaat-generaal en de verdediging, is het hof van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan poging tot doodslag van zijn vriendin, [slachtoffer] . Het dossier bevat onvoldoende bewijs waaruit volgt dat verdachte met voorbedachten rade heeft gehandeld. Het hof zal verdachte daarom vrijspreken van dat bestanddeel. De door het hof gebezigde bewijsmiddelen zullen worden opgenomen in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest. Het hof heeft geen reden om te twijfelen aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen. Bewezenverklaring Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: primairhij op of omstreeks 7 juni 2020 te [plaats 1] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] , al dan niet met voorbedachten rade van het leven te beroven, met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, (met kracht) meermalen (ongeveer 44 keer) met een mes, althans met een scherp voorwerp, in het gezicht/hoofd en/of de hals/nek en/of de borst en/of de buik en/of het bovenlichaam en/of de handen en/of de armen en/of de benen, althans in het lichaam van die [slachtoffer] heeft gestoken en/of gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid. Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het primair bewezenverklaarde levert op: poging tot doodslag. Strafbaarheid van de verdachte Ter beoordeling van de strafbaarheid van verdachte ten tijde van het ten laste gelegde heeft het hof acht geslagen op de Pro Justitia rapportages van 9 december 2020, 15 december 2020 en 29 juli 2021, opgemaakt door de gedragsdeskundigen J. Hamel, GZ-psycholoog, dr. H.A. de Haan en drs. J.J.M.G. van den Boogaard, psychiaters, en M.L. Sikkens, GZpsycholoog. Uit de rapportages van 9 december 2020 en 15 december 2020 volgt dat bij verdachte ten tijde van het gepleegde feit sprake was van een persoonlijkheidsstoornis. Uit de rapportage van deskundige Sikkens volgt dat bij verdachte ten tijde van het gepleegde feit sprake was een autismespectrumstoornis. De deskundigen concluderen allen dat de door hen gestelde stoornis invloed heeft gehad op het tenlastegelegde feit en dat daarom het ten laste gelegde feit, indien bewezen, in verminderde mate aan verdachte kan worden toegerekend. Het hof neemt de conclusie van de gedragsdeskundigen ten aanzien van de toerekenbaarheid over en maakt die tot de zijne. Het hof is daarom van oordeel dat het bewezenverklaarde feit aan verdachte kan worden toegerekend, zij het in verminderde mate. Nu er voorts ook geen andere omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van de verdachte geheel uitsluit, is verdachte strafbaar. Oplegging van straf en maatregel De vordering van de advocaat-generaal De advocaat-generaal heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren, alsmede tot een TBS met voorwaarden en de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking. De advocaat-generaal heeft daarbij verzocht de TBS met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft ter terechtzitting verzocht om een zodanige straf in combinatie met TBS met voorwaarden op te leggen dat verdachte op 20 april 2022 geplaatst kan worden in FPK [plaats 2] . Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat de behandeling zo snel mogelijk gestart dient te worden, mede in het belang van het slachtoffer en haar kinderen. Strafoplegging Naar het oordeel van het hof is de hierna te melden strafoplegging in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. Verdachte heeft zich op 7 juni 2020 schuldig gemaakt aan poging doodslag door zijn partner 44 keer in het lichaam te steken en snijden. Met name de letsels aan de hals en de borstkas van het slachtoffer zijn potentieel levensbedreigend geweest. De kinderen van het slachtoffer, destijds twaalf en acht jaar oud, zijn deels getuige geweest van de steekpartij op hun moeder door de man die zij als vader zagen. Verdachte heeft hen vervolgens hulpeloos achter gelaten door het huis te verlaten. Ook andere familieleden en buurtgenoten die het slachtoffer en haar kinderen te hulp zijn geschoten, zijn met het handelen van verdachte geconfronteerd. Dat het slachtoffer de steekpartij heeft overleefd is geenszins aan verdachte te danken, maar aan de snelle en adequate hulpverlening van buurtgenoten en hulpdiensten. Het slachtoffer is met spoed naar het ziekenhuis gebracht, waar zij is behandeld en gedurende een tijd moest verblijven. Voorgaande rekent het hof de verdachte zwaar aan. Het hof heeft acht geslagen op een verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 25 februari 2022, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor enig strafbaar feit. Naar het oordeel van het hof is het bewezenverklaarde te ernstig om te volstaan met een andere of mildere straf dan een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Alles afwegende, waaronder ook de hiervoor al vastgestelde verminderde toerekenbaarheid van verdachte, acht het hof een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier jaren passend en geboden. De straf wordt opgelegd met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht. Een gevangenisstraf die zou inhouden dat verdachte op 20 april 2022 geplaatst zou kunnen worden in FPK [plaats 2] zou naar het oordeel van het hof geen recht doen aan de ernst van het handelen van verdachte. Het hof realiseert zich dat verdachte door de op te leggen straf niet per 20 april 2022 opgenomen kan worden in FPK [plaats 2] . Het hof gaat er echter van uit dat ook na ommekomst van de op te leggen gevangenisstraf een geschikte behandelplek voor verdachte gevonden zal worden en dat de op te leggen gevangenisstraf geen afbreuk zal doen aan de mogelijke werkbaarheid en effectiviteit van de behandeling. Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is. Oplegging van maatregel Het hof ziet zich voor de vraag gesteld of, en zo ja in welke vorm, een TBS-maatregel moet worden opgelegd. Vooropgesteld dient te worden dat aan vier voorwaarden moet zijn voldaan, wil aan verdachte op grond van de artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) de maatregel van TBS kunnen worden opgelegd. In de eerste plaats dient bij verdachte ten tijde van het begaan van het strafbare feit sprake te zijn van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens. Het betreffende feit dient in de tweede plaats een misdrijf te betreffen waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld, dan wel behoren tot een der misdrijven zoals specifiek in de wet (artikel 37a eerste lid, onder 2 Sr) vermeld. In de derde plaats dient de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel te eisen. Ten slotte kan een dergelijke maatregel enkel worden opgelegd nadat de strafrechter zich een met redenen omkleed, gedagtekend en ondertekend advies heeft doen overleggen van ten minste twee gedragsdeskundigen van verschillende disciplines, waaronder een psychiater, die verdachte hebben onderzocht. Het hof stelt vast dat het bewezenverklaarde feit een misdrijf betreft waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld. Voorts is gebleken, zoals hiervoor reeds overwogen, dat bij verdachte ten tijde van het bewezen verklaarde feit sprake was van een ziekelijke stoornis en/of een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens. De deskundigen concluderen dan ook in hun rapportages dat het ten laste gelegde feit, indien bewezen, in verminderde mate aan verdachte dient te worden toegerekend. Daarnaast is er – naar het oordeel van het hof – sprake van een recidiverisico, zodat de veiligheid van anderen in het geding is. Het hof ontleent de inschatting van dat risico aan de inhoud van de Pro Justitia rapportages van 9 december 2020, 15 december 2020 en 29 juli
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.