GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN locatie Arnhem nummers 20/00955, 20/00956, 20/00957, 20/00958 en 20/00959 uitspraakdatum 1 februari 2022 Uitspraak van de tweede enkelvoudige belastingkamer op het hoger beroep van [belanghebbende] B.V. te [plaats] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de rechtbank Midden Nederland van 9 september 2020, nummers UTR 19/3602, UTR 19/3803, UTR 19/3805, UTR 19/3806, UTR 19/3807 in het geding tussen belanghebbende en de heffingsambtenaar van Belastingsamenwerking gemeenten & hoogheemraadschap Utrecht (hierna: de heffingsambtenaar) 1Ontstaan en loop van het geding 1.
- De heffingsambtenaar heeft bij beschikkingen van 28 februari 2019 de waarde van de volgende onroerende zaken in Utrecht voor het kalenderjaar 2019, naar waardepeildatum 1 januari 2018, als volgt vastgesteld: Onroerende zaak Kenmerk Hof Kenmerk Rechtbank Vastgestelde waarde [adres1] 34 (leegstand) 20/00955 UTR 19/3602 € 423.000 [adres1] 34B 20/00956 UTR 19/3803 € 291.000 [adres2] 18 20/00957 UTR 19/3805 € 3.297.000 [adres1] 34A 20/00958 UTR 19/3806 € 705.000 [adres1] 34 20/00959 UTR 19/3807 € 413.000 Tegelijk met deze beschikkingen zijn voor het jaar 2019 aanslagen onroerendezaakbelasting (OZB) Eigenaar en aanslagen Watersysteemheffing (WSH) Gebouwd vastgesteld. 1.
- De heffingsambtenaar heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 1 augustus 2019 de in 1.
- vermelde beschikkingen en aanslagen gehandhaafd. 1.
- Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen. De rechtbank Midden-Nederland (hierna: de Rechtbank) heeft bij uitspraak van 9 september 2020 de beroepen gegrond verklaard en de vastgestelde waarden in goede justitie als volgt verminderd: Onroerende zaak Vastgestelde waarde Waarde na beroep [adres1] 34 (leegstand) € 423.000 € 400.000 [adres1] 34B € 291.000 € 275.000 [adres2] 18 € 3.297.000 € 3.130.000 [adres1] 34A € 705.000 € 670.000 [adres1] 34 € 413.000 € 390.000 1.
- Belanghebbende heeft op 23 oktober 2020 tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. Daarvoor is een griffierecht betaald van €
- 1.
- De heffingsambtenaar heeft op 17 mei 2021 een verweerschrift ingediend. 1.
- Belanghebbende en de heffingsambtenaar hebben nadere stukken ingediend. 1.
- Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 oktober
- De zaken zijn ter zitting gezamenlijk behandeld. Namens belanghebbende is verschenen mr. D.A.N. Bartels. Namens de heffingsambtenaar zijn verschenen [naam1] en de taxateurs [de taxateur1] en [de taxateur2] . 2Feiten Belanghebbende is eigenaar van de onroerende zaken. De objecten betreffen bedrijfspanden (grootschalige winkelruimten) en maken onderdeel uit van één pand, gelegen op de kadastrale percelen [nummer1] , [nummer2] en [nummer3] . De objecten zijn gebouwd in de periode 2011-
- 3Geschil 3.
- In geschil is de hoogte van de door de Rechtbank toegekende proceskostenvergoeding voor de bezwaar en -beroepsfase. 3.
- Belanghebbende stelt dat factor 1,5 had moeten worden toegepast omdat sprake is van vijf samenhangende zaken en dat het totaal niet op elkaar lijkende objecten betreft. 3.
- De heffingsambtenaar stelt dat het gaat om één complex met vijf objecten die alleen verschillen in oppervlakte en die in dezelfde range per m2 worden verhuurd. 3.
- De gemachtigde van belanghebbende heeft ter zitting van het Hof uitdrukkelijk en ondubbelzinnig alle inhoudelijke grieven ingetrokken evenals het beroep op betalingsonmacht, het verzoek om een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn en het verzoek om een digitale zitting. 4Beoordeling van het geschil 4.
- Voor de toepassing van artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht en het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) is sprake van één bezwaar indien dit is gericht tegen meerdere op één aanslagbiljet vermelde besluiten. Een andersluidende uitleg van deze bepaling en het Bpb zou te veel afbreuk doen aan de door de wetgever in dit verband beoogde eenvoud. Wel kan de omstandigheid dat het bezwaar op meer dan één besluit betrekking heeft een rol spelen bij het bepalen van de wegingsfactor voor het gewicht van de zaak (HR 12 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ6822 en HR 9 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:19). 1.
- Het bezwaar is gericht tegen de op één aanslagbiljet verenigde waardebeschikkingen en aanslagen OZB Eigenaar en WSH Gebouwd. De gegrondbevinding van het beroep heeft tot gevolg dat de waardebeschikkingen betreffende de vijf objecten zijn herzien. Het Hof ziet hierin echter geen aanleiding om een meer dan gemiddelde wegingsfactor (factor 1) toe te passen. Het aantal besluiten, als ook de aard en omvang van de bezwaren, acht het Hof daarvoor te beperkt. Slotsom Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep van belanghebbende ongegrond. 5Griffierecht en proceskosten Het Hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten. 6Beslissing Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank. Deze uitspraak is gedaan door mr. R.A.V. Boxem, in tegenwoordigheid van mr. A. Vellema als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 februari
- De griffier, De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen. (A. Vellema) Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 1 februari
- Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl. Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
- bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd; 2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn; 3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. de dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; d. de gronden van het beroep in cassatie. Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.