GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden afdeling civiel recht, handel zaaknummer gerechtshof 200.309.951/01 (zaaknummer rechtbank Noord-Nederland, Groningen 9556339) beschikking van 15 augustus 2022 in de zaak van [verzoekster] , die woont in [woonplaats1] , verzoekster in hoger beroep, bij de kantonrechter: verzoekster, hierna: [verzoekster], advocaat: mr. S. Aartsen, die kantoor houdt in Utrecht, tegen Stichting WIJ Groningen, die is gevestigd en kantoor houdt in Groningen, verweerster in hoger beroep, bij de kantonrechter: verweerster, hierna: WIJ Groningen, advocaat: mr. E.L. Zondervan, die kantoor houdt in Groningen. 1De procedure bij de kantonrechter Voor het verloop van het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de beschikking van 1 februari 2022 van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen. 2De procedure in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - het beroepschrift (met producties), door het hof ontvangen op 29 april 2022; - het verweerschrift (met producties), ontvangen op 11 juli 2022; - de mondelinge behandeling van 3 augustus 2022, waarvan proces-verbaal is opgemaakt. Mr. Aartsen heeft daarbij pleitaantekeningen overgelegd. 2.2 Beschikking is vervolgens bepaald op vandaag. 3Waar gaat deze procedure over? Deze zaak gaat over de vraag of het dienstverband van [verzoekster] na einde proeftijd niet is voortgezet omdat bij haar sprake is van een chronische ziekte. De kantonrechter heeft geoordeeld dat dit niet is komen vast te staan en dus van het maken van een verboden onderscheid door WIJ Groningen bij de beëindiging van het dienstverband geen sprake is. Ook het hof komt tot dat oordeel. Hierna wordt dit uitgelegd. 4De vaststaande feiten Het hof gaat uit van de volgende feiten. 4.1 [verzoekster] is op 1 september 2021 in dienst getreden bij WIJ Groningen in de functie van [functie] . De overeengekomen arbeidsduur bedroeg 16 uur per week, tegen een maandsalaris van € 1.167,44 bruto. Partijen zijn een arbeidsovereenkomst aangegaan voor bepaalde tijd, namelijk van 1 september 2021 tot en met 31 augustus 2022. 4.2 Artikel 10 van de arbeidsovereenkomst luidt als volgt: “Voor deze arbeidsovereenkomst geldt een proeftijd van een maand. De proeftijd begint bij aanvang van de arbeidsovereenkomst. Ieder der partijen is bevoegd zolang deze proeftijd niet verstreken is de arbeidsovereenkomst met onmiddellijke ingang op te zeggen.” 4.3 [verzoekster] heeft gezondheidsklachten en is onder meer bekend met de medische aandoening fibromyalgie, een complexe chronische aandoening die wijdverspreide pijn en ernstige vermoeidheid veroorzaakt. 4.4 Op 24 september 2021 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen WIJ Groningen en [verzoekster] . Tijdens dat gesprek is [verzoekster] meegedeeld dat de arbeidsovereenkomst in de proeftijd beëindigd zal worden. 4.5 Op 27 september 2021 heeft, met wederzijdse instemming, een telefoongesprek plaatsgevonden tussen [verzoekster] en WIJ Groningen. Tijdens dat gesprek, dat zonder daar melding van te maken door [verzoekster] is opgenomen, is uitvoerig ingegaan op de redenen van de opzegging van de arbeidsovereenkomst. 4.6 [verzoekster] heeft in een e-mail van 27 september 2021 gereageerd op het telefoongesprek dat eerder die dag plaats vond. In een Whatsappbericht van die datum heeft WIJ Groningen laten weten die e-mail te hebben gelezen. Ook staat daarin: “Wij zullen nog een reactie teruggeven, maar wil je vast laten dat ik je mail heel duidelijk vind”. 4.7 In een e-mail van 28 september 2021 heeft WIJ Groningen onder meer het volgende aan [verzoekster] bericht: “Hierbij laat ik je weten dat jouw arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd niet zal worden voortgezet. Je laatste werkdag is dus uiterlijk 30 september 2021.” 4.8 Toen de (hiervoor in overweging 4.6 opgenomen) aangekondigde reactie van WIJ Groningen uitbleef heeft [verzoekster] op 6 oktober 2021 gevraagd op korte termijn te reageren. WIJ Groningen heeft daarop laten weten bereid te zijn tot een tweede gesprek als [verzoekster] dat zou willen. Op 8 oktober 2021 liet [verzoekster] weten dat inderdaad te willen. 4.9 Op 8 november 2021 heeft vervolgens een gesprek plaatsgevonden tussen [verzoekster] en WIJ Groningen. Ook tijdens dit gesprek, dat eveneens zonder daar melding van te maken door [verzoekster] is opgenomen, is nader ingegaan op de redenen van de opzegging van de arbeidsovereenkomst. 5De beoordeling van de verzoeken door de kantonrechter 5.1 [verzoekster] heeft verzocht WIJ Groningen te veroordelen tot betaling van de navolgende bedragen: Een billijke vergoeding van € 75.000,- bruto; Een schadevergoeding van € 7.500,- netto; De transitievergoeding van € 37,93. 5.2 De kantonrechter heeft deze verzoeken afgewezen en [verzoekster] in de kosten van de procedure veroordeeld. 6De beoordeling van de verzoeken en grieven in hoger beroep Inleiding 6.1 [verzoekster] heeft in hoger beroep elf bezwaren aangevoerd tegen de beschikking van de kantonrechter. Op basis daarvan heeft zij verzocht haar vorderingen alsnog toe te wijzen met dien verstande dat de transitievergoeding € 39,73 bedraagt en daarover ook wettelijke rente moet worden betaald. 6.2 WIJ Groningen heeft verweer gevoerd en daarin, onder andere, aangevoerd dat het hof geen acht mag slaan op de inhoud van de heimelijk opgenomen gesprekken van 27 september 2021 en 8 november 2021. 6.3 De bezwaren van [verzoekster] en het verweer van WIJ Groningen zullen worden behandeld op basis van de volgende thema’s: De vaststelling van de feiten De schriftelijke opgave van de ontslagreden Het gebruik van de heimelijk opgenomen telefoongesprekken De beëindiging van het dienstverband tijdens de proeftijd De billijke vergoeding en schadevergoeding De transitievergoeding De proceskostenveroordeling De vaststelling van de feiten 6.4 Het eerste bezwaar van [verzoekster] is dat de contacten (e-mail en WhatsApp) tussen partijen in de periode van 27 september tot en met 8 oktober 2021 door de kantonrechter niet in de beoordeling zijn betrokken. De e-mails en het Whatsappbericht waarop [verzoekster] het oog heeft zijn door haar eerst in hoger beroep overgelegd. De kantonrechter kon die dus nog niet in de beoordeling betrekken. In hoger beroep zal dat echter alsnog gebeuren. De inhoud van die contacten is om die reden hiervoor opgenomen bij de vaststaande feiten (overwegingen 4.6 en 4.8). Bij verdere beoordeling van dit bezwaar heeft [verzoekster] daarom geen belang. De schriftelijke opgave van de ontslagreden 6.5 Het dienstverband met [verzoekster] is door WIJ Groningen tijdens de proeftijd opgezegd. Dat dit zou gebeuren is op 24 september 2021 mondeling aan [verzoekster] meegedeeld. Op 28 september 2021 volgde de schriftelijke bevestiging. 6.6 In artikel 7:676 lid 2 BW is voor het geval van opzegging van het dienstverband tijdens de proeftijd bepaald: “De werkgever die de arbeidsovereenkomst opzegt, geeft de werknemer op diens verzoek schriftelijk opgave van de reden van opzegging.” 6.7 De kantonrechter heeft (ambtshalve) overwogen dat [verzoekster] niet om een schriftelijke opgave van de opzeggingsreden heeft gevraagd, maar om een mondelinge, dat zij daarmee niet de door artikel 7:676 lid 2 BW “voorgeschreven weg” heeft bewandeld, dat zij daardoor in de hand heeft gewerkt dat tussen partijen discussie is ontstaan over de reden van opzegging van de arbeidsovereenkomst en die handelwijze al tot afwijzing van het verzoek zou kunnen leiden omdat de gevolgen van die handelwijze voor rekening en risico van [verzoekster] komen. 6.8 De kantonrechter heeft vervolgens overwogen dat zij de zaak “(ook) inhoudelijk” zal beoordelen omdat beide partijen dat willen. Niet duidelijk is of die inhoudelijke beoordeling ten overvloede is gegeven of dat deze toch de dragende overweging onder de afwijzing van het verzoek is. Voor zover dat laatste niet het geval is en dus moet worden aangenomen dat de in overweging 6.7 genoemde overweging de afwijzingsgrond is geldt het volgende. 6.9 [verzoekster] stelt in hoger beroep wel degelijk om een schriftelijke opgave van de opzeggingsreden te hebben gevraagd. WIJ Groningen heeft die echter niet gegeven. Om die reden kan de discussie die is ontstaan over de opzeggingsreden niet voor haar rekening en risico komen, aldus [verzoekster] . 6.10 Artikel 7:676 lid 2 BW verplicht de werkgever tot schriftelijke opgave van de opzeggingsreden als de werknemer daarom verzoekt. Van een ‘voorgeschreven weg’ is daarmee geen sprake. Het artikel geeft de werknemer een mogelijkheid de opzeggingsreden op schrift te krijgen, maar sluit niet uit dat de opzeggingsreden mondeling, tijdens een (telefoon)gesprek, wordt meegedeeld en toegelicht. Dat is precies wat hier gebeurd is. Na mondelinge aanzegging van de opzegging op 24 september 2021 is afgesproken dat WIJ Groningen nader telefonisch contact zou opnemen. Dat is gebeurd op 27 september 2021. Dit telefoongesprek heeft op 8 november 2021 op verzoek van [verzoekster] een vervolg gehad met een tweede gesprek. Van een (duidelijk) verzoek van [verzoekster] om de opzeggingsreden schriftelijk te bevestigen is geen sprake geweest. [verzoekster] heeft op 6 oktober 2021 nog wel gevraagd om de op 27 september 2021 door WIJ Groningen aangekondigde reactie op haar e-mail van die datum, maar vervolgens is met wederzijdse instemming besloten tot een vervolggesprek op 8 november 2021. Dat [verzoekster] desondanks (ook) een schriftelijke reactie wilde blijkt niet uit de van haar afkomstige stukken. 6.11 Indien een schriftelijke opgave van de opzeggingsreden beschikbaar zou zijn, zou deze ongetwijfeld vertrekpunt zijn bij de inhoudelijke beoordeling van de opzegging. Nu die er niet is zal op een andere manier duidelijkheid moeten worden verkregen over de opzeggingsreden. Dat zal volgens de normale regels van het procesrecht moeten geschieden (voldoende onderbouwd stellen, voldoende gemotiveerd verweren en eventueel bewijzen). Geen rechtsregel schrijft voor dat die weg niet meer gevolgd kan worden omdat [verzoekster] niet om een schriftelijke opgave van de opzeggingsreden heeft gevraagd. In dat niet vragen van een schriftelijke opgave kan dus ook geen reden gelegen zijn om het verzoek van [verzoekster] af te wijzen. Evenmin is er grond te oordelen dat eventuele onduidelijkheid over de opzeggingsreden voor rekening en risico van [verzoekster] moet komen enkel en alleen omdat zij de (ook mogelijke) weg van artikel 7:676 lid 2 BW niet heeft bewandeld. 6.12 Het op dit onderdeel door [verzoekster] geformuleerde bezwaar tegen de beslissing van de kantonrechter is dus terecht. Het gevolg daarvan is echter niet dat haar verzoeken toewijsbaar zijn, maar dat overgegaan moet worden tot inhoudelijke beoordeling van de gedane opzegging van de arbeidsovereenkomst. Het gebruik van de heimelijk opgenomen (telefoon)gesprekken 6.13 Op 27 september 2021 en 8 november 2021 heeft [verzoekster] een (telefoon)gesprek gevoerd met WIJ Groningen. Zij heeft van die gesprekken een opname gemaakt zonder dat vooraf te melden aan en zonder daarvoor toestemming te hebben van WIJ Groningen. 6.14 WIJ Groningen voert aan dat sprake is van onrechtmatig verkregen bewijs. Zij beargumenteert dat als volgt. Opname was niet nodig omdat [verzoekster] had kunnen vragen om schriftelijke opgave van de opzeggingsreden. Bovendien was dat opnemen niet proportioneel gegeven de grote schending van de privacy van de gespreksdeelnemers van WIJ Groningen. Het opnemen paste duidelijk in een vooropgezet plan om een dossier op te bouwen tegen WIJ Groningen en het onderbouwen van een claim. Dat blijkt uit de suggestieve vragen die [verzoekster] stelde en de onmiddellijke reactie (e-mail van 27 september 2021) naar aanleiding van het eerder op die dag gevoerde telefoongesprek. 6.15 Een inbreuk op het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer levert in beginsel een onrechtmatige daad op. De aanwezigheid van een rechtvaardigingsgrond kan aan een inbreuk het onrechtmatig karakter ontnemen. Of zo’n rechtvaardigingsgrond zich voordoet, kan slechts worden beoordeeld in het licht van de omstandigheden van het geval door tegen elkaar af te wegen enerzijds de ernst van de inbreuk op het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en anderzijds de belangen die met de inbreuk makende handelingen redelijkerwijs kunnen worden gediend. Ook indien wordt vastgesteld dat bewijsmateriaal door de partij die zich erop beroept onrechtmatig is verkregen, geldt, gelet op het bepaalde in artikel 152 Rv, niet als algemene regel dat de rechter daarop geen acht mag slaan. In beginsel wegen het algemene maatschappelijke belang dat de waarheid in rechte aan het licht komt, alsmede het belang dat partijen erbij hebben hun stellingen in rechte aannemelijk te kunnen maken, zwaarder dan het belang van uitsluiting van bewijs. Slechts indien sprake is van bijkomende omstandigheden, is uitsluiting van dat bewijs gerechtvaardigd. 6.16 Tegen de achtergrond van deze uitgangspunten geldt dat het zonder mededeling aan en toestemming van WIJ Groningen opnemen van de (telefoon)gesprekken van 27 september 2021 en 8 november 2021 meebracht een schending van de persoonlijke levenssfeer van (de gespreksdeelnemers van) WIJ Groningen. Dat opnemen was daarom onrechtmatig. Het opnemen destijds is, aldus [verzoekster] , uitsluitend gebeurd ter ondersteuning van het eigen geheugen. Dat doel kon eenvoudig bereikt worden door wel instemming met het opnemen te vragen. Het was niet nodig en daarom te ver gaand om zonder die tussenstap direct over te gaan tot opnemen van de telefoongesprekken, mede omdat gesteld noch gebleken is dat die instemming niet zou zijn verkregen. Van een rechtvaardigingsgrond, die het onrechtmatige karakter wegneemt, is daarom geen sprake. 6.17 Het aldus onrechtmatig verkregen bewijs kan echter wel gebruikt worden in deze procedure. Het algemeen belang van waarheidsvinding is, ook in civiele procedures, groot. Dat [verzoekster] ook een andere weg had kunnen bewandelen (vragen om een schriftelijke opgave van de opzeggingsreden) is onvoldoende zwaarwegend om tot bewijsuitsluiting te komen. Als klopt dat zij, onder andere door suggestieve vraagstelling, de bedoeling had een dossier op te bouwen om daarmee een claim te onderbouwen, geldt datzelfde ook voor die omstandigheid. Het stond WIJ Groningen immers vrij niet mee te gaan in die gestelde suggesties. Aangevoerd is ook niet dat WIJ Groningen niet in staat was weerstand te bieden aan eventuele suggestieve vragen. 6.18 Overigens, maar dit ten overvloede, is het de vraag welk belang WIJ Groningen heeft bij het nu besproken verweer. Het haar gemaakte verwijt van discriminatie steekt WIJ Groningen en zij wil eigenlijk niets liever dan dat dit verwijt inhoudelijk onderzocht en beoordeeld wordt door de rechter. In haar verweer gaat zij er daarbij van uit dat tijdens de (telefoon)gesprekken is gezegd wat in de opnames daarvan te beluisteren valt en in de transcriptie ervan is weergegeven. Materieel bezien wil WIJ Groningen dan ook een beoordeling van de zaak, mede op basis van de duiding door de rechter van wat in de gesprekken is gezegd. De beëindiging van het dienstverband tijdens de proeftijd. 6.19 Dan kan nu worden toegekomen aan de vraag die de inzet van deze procedure is: heeft WIJ Groningen zich schuldig gemaakt aan discriminatie bij de opzegging van het dienstverband van [verzoekster] . 6.20 De kantonrechter heeft geoordeeld dat daarvan geen sprake is. Daarmee is [verzoekster] het niet eens. Zij voert in hoger beroep aan dat de opzegging slechts één reden had, namelijk dat WIJ Groningen bang was dat de medische situatie van [verzoekster] (fybromyalgie) tot uitval zou leiden. Die reden voor opzegging komt, aldus [verzoekster] , echter neer op het maken van een onderscheid dat door de wet (Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte, hierna: Wgbh/
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.