GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden, afdeling civiel zaaknummer gerechtshof 200.304.593/01 zaaknummer rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, 9072823 arrest van 16 augustus 2022 in de zaak van [appellante] , die woont in [woonplaats1] , die hoger beroep heeft ingesteld en bij de kantonrechter optrad als eiseres, hierna [appellante] te noemen, advocaat: mr. J.S. Bauer, tegen de Staat der Nederlanden, zetelend in Den Haag, die bij de kantonrechter optrad als gedaagde, hierna DJI te noemen, advocaat: mr. A.J. Verhagen. 1Het verloop van de procedure in hoger beroep 1.1 [appellante] heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat de kantonrechter in de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, op 21 september 2021 tussen partijen heeft uitgesproken. Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit: de dagvaarding in hoger beroep van 17 december 2021 met grieven en een productie de memorie van antwoord het tussenarrest van 12 april 2022 waarin een mondelinge behandeling is bepaald het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 20 juli 2022 is gehouden. 1.2 Hierna hebben partijen het hof gevraagd opnieuw arrest te wijzen. 2De kern van de zaak 2.1 Centraal in de zaak staat de vraag of na het verstrijken van de duur van het tijdelijke dienstverband dat [appellante] tot 17 september 2020 had met de Dienst Justitiële Inrichtingen (hierna: DJI), de arbeidsovereenkomst stilzwijgend is voortgezet, doordat [appellante] ook op 17 en 18 september 2020 nog stond ingeroosterd en ook op die dagen nog haar gewone werkzaamheden heeft verricht. 2.2 [appellante] maakt, kort gezegd, aanspraak op doorbetaling van haar loon vanaf 19 september 2020 en op wedertewerkstelling. 2.3 De kantonrechter heeft de vorderingen afgewezen. Volgens de kantonrechter is geen sprake geweest van een verlenging van het dienstverband. Met haar hoger beroep wil [appellante] bereiken dat haar vorderingen alsnog worden toegewezen. Het hof komt echter tot een vergelijkbaar oordeel als de kantonrechter. Hierna zal worden uiteengezet hoe het hof daartoe komt. 3 3. De feiten Het geschil speelt zich af tegen de achtergrond van de volgende feiten 3.1 [appellante] is op 17 september 2018 als [functie] in dienst getreden bij het Ministerie van Justitie en Veiligheid voor bepaalde tijd, tot 17 september 2020. Zij was werkzaam in de Penitentiaire Inrichting te [plaats1] (hierna: PI [plaats1] ) voor DJI. 3.2 De indiensttreding vond plaats als ambtenaar op grond van een “akte van aanstelling”. Op het dienstverband was het toen nog geldende Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR) van toepasing. 3.3 In een brief van 15 november 2019 is [appellante] door DJI erover geïnformeerd dat op 1 januari 2020 de Wet normalisering rechtspositie ambtenaren (Wnra) in werking zal treden en dat vanaf die datum haar aanstelling wordt omgezet in een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht. Daarbij is onder meer meegedeeld dat op haar rechtspositie de CAO Rijk van toepassing wordt. 3.4 Op 22 januari 2020 heeft DJI [appellante] schriftelijk aangezegd dat de arbeidsovereenkomst niet wordt verlengd en dat haar laatste werkdag 16 september 2020 is. [appellante] stond echter ook op 17 en 18 september 2020 nog ingeroosterd voor haar werkzaamheden en heeft op die dagen ook gewerkt. 3.5 In een brief van 18 september 2020 heeft [appellante] DJI bericht dat haar contract daardoor stilzwijgend is verlengd. DJI heeft dat standpunt in een brief van 21 september 2020 van de hand gewezen. DJI schrijft dat [appellante] als gevolg van een misverstand stond ingeroosterd op een datum na afloop van haar arbeidsovereenkomst, dat haar volstrekt duidelijk was dat de PI [plaats1] niet wenste over te gaan tot voortzetting van de arbeidsovereenkomst en dat de arbeidsovereenkomst dus op 17 september 2020 is geëindigd. De omstandigheid dat [appellante] nog op 17 en 18 september 20202 heeft gewerkt, levert volgens DJI geen rechtvaardiging voor een stilzwijgende verlenging op. [appellante] wordt geadviseerd een WW-uitkering aan te vragen. 3.6 [appellante] heeft op 22 september 2020 een WW-aanvraag ingediend, waarna haar op 23 september 2020 door het UWV een WW-uitkering is toegekend. Inmiddels is [appellante] sedert enkele maanden werkzaam als BOA. 4Het oordeel van het hof 4.1 [appellante] heeft in hoger beroep aangevoerd dat de kantonrechter ten onrechte heeft overwogen dat het dienstverband niet stilzwijgend is voortgezet. Voor het geval dat ook het hof mocht vinden dat van een stilzwijgende voortzetting geen sprake is geweest, heeft [appellante] in hoger beroep als nieuwe grond voor haar vorderingen aangevoerd, dat dan sprake is geweest van een nieuwe arbeidsovereenkomst. In beide gevallen heeft volgens haar te gelden dat nu sprake is van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Uit de toelichting van [appellante] op haar stellingen leidt het hof af dat zij wil dat het hof opnieuw en in volle omvang beoordeelt of sprake is geweest van een stilzwijgende voortzetting van het dienstverband, dan wel dat een nieuwe arbeidsovereenkomst is ontstaan. stilzwijgende voortzetting? 4.2 [appellante] beroept zich erop dat de CAO Rijk in hoofdstuk 2 paragraaf 2.1 bepaalt, kort gezegd en voor zover hier van belang, dat als het dienstverband na afloop van de periode om de geschiktheid te beoordelen stilzwijgend wordt voortgezet, vanaf dat moment een vaste arbeidsovereenkomst geldt. [appellante] stelt dat uit de tekst van de cao noch uit de daarop gegeven toelichting valt af te leiden dat voor stilzwijgende voortzetting is vereist dat bij [appellante] sprake was van gerechtvaardigde verwachtingen over voortzetting van het dienstverband. Als die verwachting echter wel nodig was, geldt dat [appellante] een gerechtvaardigde verwachting op voortzetting van het dienstverband mocht ontlenen aan haar inroostering op 17 en 18 september 2020, in combinatie met de omstandigheid dat zij op die dagen haar werk ook gewoon heeft kunnen verrichten. Daarmee heeft DJI volgens [appellante] onmiskenbaar haar wil geuit gericht op voortzetting van het dienstverband. 4.3 Voorop staat dat “stilzwijgende voortzetting” impliceert dat tussen partijen wilsovereenstemming moet hebben bestaan, gericht op voortzetting van het dienstverband. Of die wilsovereenstemming heeft bestaan moet worden beoordeeld aan de hand van de wils-/vertrouwensleer (artikelen 3:33 en 3:35 BW). Daaruit volgt dat voor stilzwijgende voortzetting tenminste is vereist dat [appellante] uit verklaringen en/of gedragingen van DJI redelijkerwijs heeft mogen afleiden dat de wil van DJI was gericht op voortzetting van het dienstverband. 4.4 De stelling van [appellante] dat zij die wil redelijkerwijs heeft mogen afleiden uit de omstandigheid dat zij nog stond ingeroosterd voor haar werkzaamheden op 17 en 18 september 2020 en dat zij die werkzaamheden toen ook gewoon heeft kunnen verricht, zijn in het licht van de overige omstandigheden van het geval, echter ontoereikend. 4.4.1 Daarbij worden in het bijzonder de volgende omstandigheden in aanmerking genomen:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.