GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN locatie Arnhem nummers BK-ARN 21/00767 en 21/00768 uitspraakdatum: 16 augustus 2022 Uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer op het hoger beroep van de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Utrecht (hierna: de Inspecteur) tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) van 14 juni 2021, nummers AWB 19/6602 en 19/6603, ECLI:NL:RBGEL:2021:2972, in het geding tussen [belanghebbende] BV te [vestigingsplaats] (hierna: belanghebbende) en de Inspecteur. 1Ontstaan en loop van het geding 1.
(2010)tot verrekening kan komen, moet worden beantwoord aan de hand van – onder meer – de hiervoor weergegeven wettelijke bepalingen. 4.8. Belanghebbende heeft [naam3] nieuw BV opgericht op 3 februari 2015. Met ingang van haar oprichting maakt [naam3] nieuw BV deel uit van de fiscale eenheid met belanghebbende als moedermaatschappij. Het bepaalde in artikel 5, lid 4, Besluit brengt dan mee dat voor de verrekening van voorvoegingsverliezen de aan [naam3] nieuw BV toe te rekenen winst wordt aangemerkt als winst van belanghebbende. Vervolgens laat de duidelijke bewoording van artikel 15ae, lid 1, aanhef en letter c, Wet Vpb geen andere conclusie toe dan dat deze winst (van 2015 en 2016) – met inachtneming van het bepaalde in artikel 15ah Wet Vpb – tot verrekening kan komen met voorvoegingsverliezen (van 2010) van belanghebbende. 4.9. Op 23 maart 2015 heeft binnen de fiscale eenheid een juridische fusie plaatsgevonden, waarbij [naam3] nieuw BV de door [naam3] oud BV gedreven onderneming onder algemene titel heeft verkregen. De Inspecteur betoogt dat artikel 18, leden 1 en 2, Besluit meebrengt dat ook na deze juridische fusie de verrekening van voorvoegingsverliezen plaatsvindt alsof geen fusie heeft plaatsgevonden, zodat aan [naam3] nieuw BV geen winst van [naam3] oud BV kan worden toegerekend die op grond van artikel 5, lid 4, Besluit wordt aangemerkt als (verrekenbare) winst van belanghebbende. Dit betoog kan niet slagen. Hoewel artikel 18, lid 1, Besluit tot gevolg heeft dat in het onderhavige geval de fiscale eenheid ten aanzien van [naam3] oud BV wordt geacht niet te zijn verbroken, heeft die bepaling naar haar bewoordingen niet eveneens tot gevolg dat de fusie tussen [naam3] oud BV en [naam3] nieuw BV wordt geacht niet te hebben plaatsgevonden. Die bepaling laat onverlet dat [naam3] oud BV door het van kracht worden van de fusie, ook voor toepassing van de verliesverrekeningsregels, is opgehouden te bestaan. Ook kan artikel 18, lid 2, Besluit naar zijn bewoording in het onderhavige geval geen toepassing vinden, aangezien niet de verdwijnende dochtermaatschappij [naam3] oud BV voorvoegingsverliezen heeft geleden maar belanghebbende als moedermaatschappij. Dat de onderhavige juridische fusie onderdeel uitmaakt van een herstructurering met het uitsluitende oogmerk om voorvoegingsverliezen te verrekenen, kan – anders dan de Inspecteur betoogt – niet rechtvaardigen dat aan artikel 18, leden 1 en 2, Besluit een andere dan een grammaticale uitleg wordt gegeven. 4.10. Artikel 15ah, lid 2, aanhef en letter a, Wet Vpb brengt mee dat voor het bepalen van de aan [naam3] nieuw BV toe te rekenen winst de afschrijving op de overgedragen vermogensbestanddelen – waaronder goodwill – wordt berekend op basis van de waarde in het economische verkeer op 23 maart 2015. 4.11. De Inspecteur is de opvatting toegedaan dat in het kader van de winstsplitsing binnen fiscale eenheid [naam3] nieuw BV op grond van voornoemde bepaling verplicht is tot lineaire afschrijving in tien jaren tot nihil op de bij de overdracht van de onderneming mede verkregen goodwill ter waarde van € 5.670.000, waardoor jaarlijks € 567.000 minder winst is te verrekenen met het voorvoegingsverlies uit 2010 van belanghebbende. Volgens de Inspecteur leidt dit ertoe dat in 2015 de afschrijving tijdsevenredig dient te worden berekend op 283/365 dagen * € 567.000, ofwel € 439.619, waardoor een aan [naam3] nieuw BV toe te rekenen winst van € 302.436 met het voorvoegingsverlies van belanghebbende kan worden verrekend. Voor het jaar 2016 leidt een afschrijving van € 567.000 tot een aan [naam3] nieuw BV toe te rekenen winst die hoger is dan het resultaat van de fiscale eenheid (van € 625.746), zodat volgens de Inspecteur een afschrijving op goodwill geen betekenis heeft voor het te verrekenen bedrag (van € 625.746) aan voorvoegingsverlies van belanghebbende. 4.12. Belanghebbende betoogt daarentegen dat blijkens het arrest HR 9 april 1952, ECLI:NL:HR:1952:106, B. 9213, het in overeenstemming met goed koopmansgebruik is dat voor afschrijving op de overgedragen goodwill geen reden is zolang de waarde van de goodwill niet daalt beneden het bedrag van de aanschaffingskosten, welk bedrag op grond van artikel 15ah, lid 2, aanhef en letter a, Wet Vpb wordt gesteld op de waarde in het economische verkeer. Nu van een dergelijke waardedaling niet is gebleken, staat goed koopmansgebruik volgens belanghebbende toe dat [naam3] nieuw BV niet afschrijft op de overgenomen goodwill. 4.13. Het betoog van belanghebbende kan niet slagen. De in artikel 15ah, lid 2, Wet Vpb neergelegde regel van fictieve winstsplitsing leidt tot een inbreuk op het uit HR 9 april 1952, ECLI:NL:HR:1952:106, B. 9213, voortvloeiende systeem waarin een ondernemer vrij is om ervoor te kiezen af te schrijven op de overgenomen goodwill en de nieuwe, zelfgekweekte goodwill niet te activeren, dan wel om de overgenomen en de nieuwe zelfgekweekte goodwill als een geheel te beschouwen, in welk geval slechts wordt afgeboekt als de waarde van de overgenomen en zelfgekweekte goodwill daalt onder het bedrag van de aanschaffingskosten. Het bepaalde in artikel 15ah, lid 2, Wet Vpb brengt mee dat in het kader van de fictieve winstsplitsing slechts de opvatting aanvaardbaar is waarbij op de aanschaffingskosten van de overgenomen goodwill wordt afgeschreven. Deze opvatting beantwoordt aan de strekking van artikel 15ah, lid 2, Wet Vpb dat stille reserves die bij de overdragende maatschappij zijn gerijpt, voor de verrekening van voorvoegingsverliezen niet kunnen worden benut door de maatschappij die het vermogensbestanddeel overneemt (TK 1999-2000, 26854, nr. 3, p. 17). Het gelijk is in zoverre aan de Inspecteur. Fraus legis 4.14. De Inspecteur neemt de stelling in dat het leerstuk van fraus legis in het onderhavige geval in de weg staat aan elke verrekening van het voorvoegingsverlies van belanghebbende uit 2010 met de in 2015 en 2016 gerealiseerde winsten van [naam3] nieuw BV. Het leerstuk van fraus legis kan worden toegepast indien
- i)het handelen van een belastingplichtige uitsluitend of volstrekt overwegend is ingegeven door belastingverijdelende motieven (motiefvereiste), en
- ii)daarmee in strijd met doel en strekking van de wet wordt gekomen (normvereiste). 4.15. Tussen partijen is niet langer in geschil dat aan het motiefvereiste is voldaan. Naar het oordeel van het Hof is echter niet aan het normvereiste voldaan. De wetgever heeft met de artikelen 15ae en 15ah Wet Vpb maatregelen getroffen die beogen te voorkomen dat een stille reserve die bij de overdragende maatschappij is gerijpt, door de maatschappij die een vermogensbestanddeel overneemt, benut zou kunnen worden voor de verrekening van voorvoegingsverliezen. De gerealiseerde besparing van belasting die belanghebbende binnen de wettelijke kaders van artikel 15ae en 15ah Wet Vpb heeft gerealiseerd, leidt niet tot strijd met doel en strekking van de Wet Vpb, nu de wetgever, klaarblijkelijk ook voor gevallen zoals dat van belanghebbende, voor de verrekening van voorvoegingsverliezen bij de overdracht van vermogensbestanddelen binnen de fiscale eenheid bewust is afgeweken van het systeem van volledige winstsplitsing. Dat deze door de wetgever gekozen uitzondering niet tot eenzelfde resultaat leidt als volledige winstsplitsing - hetgeen in het onderhavige geval duidelijk tot uitdrukking komt – is inherent aan de gemaakte keuze. Nu niet aan het normvereiste is voldaan, kan fraus legis geen toepassing vinden. Slotsom 4.16. Nu de opvatting van de Inspecteur omtrent toepassing van artikel 15ah, lid 2, Wet Vpb als juist kan worden aanvaard, dient het te verrekenen bedrag aan voorvoegingsverlies uit 2010 van belanghebbende – zoals tussen partijen niet in geschil is – voor 2015 te worden bepaald op € 302.436 (zie 4.11). Nu de belastbare winst voor 2015 € 614.426 bedraagt, resteert voor de verrekening van het verlies uit 2014 een bedrag van € 311.990 (= € 614.426 - € 302.436). De verliesverrekeningsbeschikking voor 2014 moet daarom worden verminderd. Het belastbaar bedrag bedraagt nihil. 4.17. Voor het jaar 2016 leidt toepassing van artikel 15ah, lid 2, Wet Vpb tot een aan [naam3] nieuw BV toe te rekenen winst die hoger is dan het resultaat van de fiscale eenheid. Partijen zijn eensluidend van mening dat in dat geval een afschrijving op goodwill geen betekenis heeft voor het te verrekenen bedrag aan voorvoegingsverlies uit 2010 van belanghebbende. 4.18. Gelet op het vorenstaande is het hoger beroep van de Inspecteur inzake de verliesverrekeningsbeschikking 2015 gegrond en inzake de verliesverrekeningsbeschikking 2016 ongegrond. Belastingrenten 4.19. Het hoger beroep van de Inspecteur wordt geacht mede betrekking te hebben op de in rekening gebrachte belastingrente (artikel 24a, lid 3 Algemene wet inzake rijksbelastingen). Nu de beslissing van de Rechtbank inzake de aanslagen Vpb wordt gehandhaafd, dient ook de beslissing van de Rechtbank inzake de in rekening gebrachte belastingrenten te worden gehandhaafd. 5Proceskosten en griffierecht 5.1. Het Hof vindt aanleiding de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. 5.2. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.518 (1 punt voor verweerschrift, 1 punt voor zitting, waarde per punt € 759). 6Beslissing Het Hof: vernietigt de uitspraak van de Rechtbank voor zover deze betrekking heeft op de verliesverrekeningsbeschikkingen 2015 inzake de verliezen uit 2010 en 2014; bevestigt de uitspraak van de Rechtbank voor het overige; vernietigt de uitspraken van de Inspecteur inzake de verliesverrekenings-beschikkingen 2015 inzake de verliezen uit 2010 en 2014; wijzigt de verliesverrekeningsbeschikking 2015 zodanig dat het uit 2010 te verrekenen verlies wordt vastgesteld op € 302.436; vermindert de verliesverrekeningsbeschikking 2015 inzake het verlies uit 2014 tot € 311.990; en veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 1.518. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J.H. van Suilen, voorzitter, mr. R.F.C. Spek en mr. T. Tanghe, in tegenwoordigheid van drs. M.T.M. Hennevelt als griffier. De beslissing is op 16 augustus 2022 in het openbaar uitgesproken. De griffier is verhinderd De voorzitter, deze uitspraak te ondertekenen. (A.J.H. van Suilen) Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op 17 augustus 2022 Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl. Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen: 1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd; 2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn; 3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. de dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; d. de gronden van het beroep in cassatie. Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.