GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN zittingsplaats Leeuwarden Zaaknummer : Wahv 200.297.913/01 CJIB-nummer : 232722062 Uitspraak d.d. : 19 augustus 2022 Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Noord-Holland van 23 juni 2021, betreffende [de betrokkene] (hierna: de betrokkene), wonende te [woonplaats] . De gemachtigde van de betrokkene is mr. R. de Nekker, kantoorhoudende te Heerenveen. De beslissing van de kantonrechter De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen. Het verloop van de procedure De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding. De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt. De beoordeling
- Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 95,- voor: “stilstaan op het trottoir, voetpad, (brom)fietspad of het ruiterpad (niet de rijbaan gebruiken).” Deze gedraging zou zijn verricht op 23 maart 2020 om 10.05 uur op de Gedempte Oude Gracht in Haarlem met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
- De gemachtigde voert aan dat de kantonrechter ten onrechte niet is ingegaan op de aangevoerde grond dat ten onrechte op kenteken is bekeurd. Uit de brief van 24 juli 2020 van [naam1] blijkt dat de ambtenaar die de sanctie heeft opgelegd niet meer werkzaam is voor de opsporingsinstantie. De vraag waarom (ten onrechte) op kenteken is bekeurd is daarom niet beantwoord. Verder heeft [naam1] algemeenheden gesteld en hier en daar wat verondersteld, maar dit is niet afkomstig van de ambtenaar die de sanctie heeft opgelegd. Dat maakt dat de conclusie dat ten onrechte op kenteken is bekeurd, welke conclusie door de foto’s wordt ondersteund, met name door foto 2 waarop onder meer ook de bestuurder te zien is, overeind blijft en het op geen enkele wijze onderbouwde oordeel van de kantonrechter niet in stand kan blijven, aldus de gemachtigde.
- Het hof begrijpt hetgeen is aangevoerd aldus dat het hoger beroep zich richt tegen het bekeuren op kenteken en het niet beoordelen van die grond door de kantonrechter. Voor zover de gemachtigde met het slot van zijn betoog heeft bedoeld ook anderszins gronden tegen de beslissing van de kantonrechter aan te voeren, heeft hij onvoldoende concreet aangegeven in welk opzicht de kantonrechter te kort is geschoten in zijn oordeel en gaat het hof daaraan voorbij.
- Uit artikel 5 van de Wahv volgt het uitgangspunt dat wanneer een gedraging wordt geconstateerd, de ambtenaar de bestuurder staande houdt en zijn identiteit vaststelt, zodat hem een sanctie kan worden opgelegd. Slechts wanneer er geen reële mogelijkheid is geweest om de identiteit van de bestuurder vast te stellen, mag de sanctie aan de kentekenhouder worden opgelegd.
- Het zaakoverzicht houdt in dat de sanctie is opgelegd door ambtenaar [naam2] en vermeldt als zijn of haar toelichting: “Het voertuig stond geparkeerd op een weggedeelte dat is bestemd voor het verkeer van voetgangers, zijnde een voetpad c.q. trottoir. Ik heb geen voor dat gebied geldige ontheffing aangetroffen.”
- De officier van justitie heeft verzocht om nadere informatie. [naam1] , [functie] parkeerhandhaving bij de Gemeente Haarlem, heeft op 24 juli 2020 meegedeeld dat de ambtenaar tijdelijk niet bereikbaar is voor de gemeente Haarlem en het brondocument en de foto’s van de gedraging overgelegd. In reactie op de gestelde vragen antwoordt [naam1] onder meer: “Er heeft geen staandehouding plaatsgevonden, omdat de bestuurder niet bij het voertuig aanwezig was.”
- Nu ambtenaar [naam2] tijdelijk niet bereikbaar is voor de gemeente en niet duidelijk is waaraan [naam1] voormelde mededeling ontleent, komt aan die mededeling geen betekenis toe.
- Tot het dossier behoren vier foto’s die op 23 maart 2020 ter plaatse zijn gemaakt, respectievelijk om 10:05, 10:06 en 10:07 uur. Foto 2 (10:06 uur) toont de auto met geopende kofferbakklep voor de pui van een pand. Deze foto is genomen vanuit een positie rechts schuin voor de auto. Op deze foto steekt ter hoogte van het achterportier aan bestuurderszijde iets kleins met een ovale vorm net boven de auto uit. Via de voorruit kijk je ook door het raam van het achterportier. Daar is iets zichtbaar dat lijkt op een haaks gebogen opgeheven rechterarm. Foto 3 (eveneens gemaakt om 10:06 uur) toont de voorruit en het dashboard van de auto. Deze foto lijkt van zeer dichtbij te zijn genomen.
- Het hof gaat in dit geval ervan uit dat zich voorafgaand aan het opleggen van de sanctie geen reële mogelijkheid heeft voorgedaan om de identiteit van de bestuurder vast te stellen. Het voertuig stond geparkeerd, zo heeft de ambtenaar verklaard en is op de foto’s te zien. Hetgeen zichtbaar is op foto 2 kan erop duiden dat zich een persoon bij de auto met de geopende kofferbak bevindt. Daarmee is echter niet aannemelijk gemaakt dat deze persoon de bestuurder van het voertuig was en die stelling is ook niet nader onderbouwd. Het zou, gelet op de beperkte hoogte van het voertuig, ook een passant op een scootmobiel kunnen zijn. Uit de verklaring van de ambtenaar blijkt niet dat hij met de bestuurder heeft gesproken. Hoewel een nadere verklaring van de ambtenaar in dit geval ontbreekt, acht het hof niet aannemelijk dat zich in dit geval voorafgaand aan het opleggen van de sanctie een confrontatie tussen de ambtenaar en de bestuurder heeft voorgedaan. Uit de tijdstippen op de foto’s blijkt dat het maken daarvan enige tijd heeft gevergd. Als hetgeen op foto 2 te zien is de bestuurder van het voertuig zou zijn geweest, kan het hem niet zijn ontgaan dat de ambtenaar foto’s van zijn auto stond te maken. Het had dan voor de hand gelegen dat de bestuurder de ambtenaar zou hebben aangesproken en dat hierover eerder in de procedure voldoende concreet verweer zou zijn gevoerd. Dat laatste is niet gebeurd. In administratief beroep is, ook nadat de foto’s van de gedraging aan de gemachtigde waren toegezonden, slechts aangevoerd dat de bestuurder bij het voertuig aanwezig was en in de procedure bij de kantonrechter is slechts aangevoerd dat niet genoegzaam is gebleken dat de ambtenaar de sanctie niet aan de bestuurder kon opleggen. Aldus heeft de ambtenaar de sanctie terecht met toepassing van artikel 5 van de Wahv aan de betrokkene als kentekenhouder opgelegd.
- De beslissing van de kantonrechter houdt wel in dat is aangevoerd dat de ambtenaar de boete ten onrechte op kenteken heeft opgelegd, maar de kantonrechter is op die grond niet ingegaan. Er is in zoverre sprake van een motiveringsgebrek in de beslissing van de kantonrechter. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter daarom bevestigen met verbetering van gronden.
- Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. de arresten van het hof van 28 april 2020 en 1 april 2021, vindplaatsen op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336 en 2021:1786). De beslissing Het gerechtshof: bevestigt de beslissing van de kantonrechter, met verbetering van gronden; wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af. Dit arrest is gewezen door mr. Beswerda, in tegenwoordigheid van mr. Smeitink als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.