GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem afdeling civiel recht, handel zaaknummer gerechtshof: 200.300.841 (zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Apeldoorn: 8638064) arrest van 23 augustus 2022 in de zaak van Stichting Besef en Balans, die gevestigd is in 's-Gravenhage, die hoger beroep heeft ingesteld en die bij de kantonrechter optrad als eiseres hierna: SBB, advocaat: mr. Ö. Arslan, tegen: Achmea Schadeverzekeringen N.V., die gevestigd is in Apeldoorn, die bij de kantonrechter optrad als gedaagde, hierna: Achmea, advocaat: mr. A.W. Hendriks. 1Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep 1.1 Naar aanleiding van het arrest van 16 november 2021 heeft op 11 januari 2022 een mondelinge behandeling bij het hof plaatsgevonden. Daarvan is een verslag gemaakt dat aan het dossier is toegevoegd (het proces-verbaal). 1.2 Vervolgens zijn de volgende processtukken genomen: de memorie van grieven de memorie van antwoord. 1.3 Hierna hebben partijen het hof gevraagd arrest te wijzen. 2De kern van de zaak 2.1 Op 26 oktober 2017 is de Volkswagen Golf met kenteken [kenteken1] , eigendom van SBB, betrokken geraakt bij een aanrijding in Den Haag met een Suzuki Swift met kenteken [kenteken2] , eigendom van Europcar Autoverhuur. Bestuurder van de Volkswagen Golf ten tijde van de aanrijding was de heer [naam1] en bestuurder van de Suzuki Swift was mevrouw [naam2] . [naam2] had de Suzuki gehuurd bij Europcar. De wettelijke aansprakelijkheid van de Suzuki Swift was verzekerd bij Achmea. Het hof gaat verder uit van de feiten als vermeld in rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.5 van het bestreden vonnis van 24 maart 2021. 2.2 SBB heeft bij de kantonrechter gevorderd voor recht te verklaren dat Achmea aansprakelijk is voor de schade als gevolg van het ongeval van 26 oktober 2017 en veroordeling van Achmea tot vergoeding van het schadebedrag van € 9.550,89, vermeerderd met rente en kosten. Daarnaast heeft zij – voorwaardelijk – de afgifte van rapportages van forensisch onderzoek gevorderd. 2.3 De kantonrechter heeft deze vorderingen afgewezen. De bedoeling van het hoger beroep is dat de afgewezen vorderingen alsnog worden toegewezen. 3Het oordeel van het hof 3.1 Het hof zal SBB toelaten tot bewijs van de door haar gestelde toedracht van de aanrijding. Het hof zal hierna uitleggen waarom. 3.2 SBB heeft, onder verwijzing naar het door beide bestuurders ingevulde aanrijdingsformulier, het volgende gesteld over de toedracht van de aanrijding. [naam1] reed op 26 oktober 2017 rond 23.40 uur in de Volkswagen Golf van SBB met een snelheid van 25/30 kilometer per uur over de Van der Neerstraat in Den Haag. Uit een parkeervak aan de linkerzijde van die weg (bezien vanuit de rijrichting van [naam1] ) kwam opeens de Suzuki Swift, die werd bestuurd door mevrouw [naam2] , de weg op rijden. [naam2] had de Volkswagen Golf niet zien aankomen. De Suzuki raakte de Volkswagen Golf aan de linkerkant. [naam1] probeerde vergeefs uit te wijken en raakte met zijn auto een (hekwerk om een) boom aan de rechterzijde van de weg. Daarom is schade aan beide kanten van de Volkswagen Golf ontstaan. De handeling van [naam2] kwalificeert als een bijzondere manoeuvre als bedoeld in artikel 54 RVV 1990. Om die reden had de bestuurder van de Suzuki Swift de bestuurder van de Volkswagen Golf voor moeten laten gaan. Nu dit laatste niet is gebeurd, is de bestuurder van de Suzuki en dus ook Achmea als WAM-verzekeraar van de Suzuki aansprakelijk voor de door SBB geleden schade. 3.3 Achmea heeft deze gestelde toedracht gemotiveerd betwist en daartoe onder meer het volgende aangevoerd: [naam1] heeft meerdere keren aangegeven dat hij [naam2] niet kent. Gebleken is echter dat hij ongeveer twee weken voor de aanrijding een Peugeot heeft verkocht aan [naam2] . Uit onderzoek blijkt dat die Peugeot nooit is aangeboden door een garage of door middel van een advertentie op internet. [naam2] is op 26 oktober 2017 niet met deze Peugeot naar Den Haag gegaan, maar met een door haar (buiten haar woonplaats) gehuurde auto (de Suzuki). Ongeveer twee weken na de aanrijding van 26 oktober 2017, namelijk op 6 november 2017, heeft [naam2] opnieuw een aanrijding veroorzaakt. Ook deze aanrijding vond plaats in Den Haag en toen reed [naam2] in de van [naam1] gekochte Peugeot. De gestelde toedracht van die aanrijding (ditmaal met een Audi Q7) was precies dezelfde als die in deze zaak: uitrijden uit een parkeervak door [naam2] in de Peugeot en een uitwijkmanoeuvre door de bestuurder van de Audi Q7. De 16 jarige Peugeot is daarna gesloopt. De Peugeot was vanaf 10 februari 2017 niet meer verzekerd, dus ook al niet meer toen [naam1] nog eigenaar was. De enorme omvang van de schade is niet in overeenstemming met de gestelde toedracht waarbij een auto met lage snelheid botst met een auto die vanuit stilstand een parkeervak verlaat. Vreemd is dat [naam1] en [naam2] na de aanrijding om 23.40 uur naar een garage drie kilometer verderop in de Televisiestraat in Den Haag zijn gegaan, om daar het schadeformulier in te vullen, zeker nu garages in de Televisiestraat volgens experts van verzekeringsmaatschappijen regelmatig een rol spelen bij opzetaanrijdingen; SBB heeft de schade niet geclaimd onder haar eigen cascoverzekering bij ASR. [naam1] weigert na een eerste verklaring nog een volgende verklaring af te leggen en in te gaan op de gerezen vraagpunten. [naam2] heeft elk verzoek van Achmea om contact op te nemen genegeerd. 3.4 SBB heeft in reactie hierop aangevoerd
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.