← Nederland

ECLI:NL:GHARL:2022:7343

Afdeling strafrecht Parketnummer: 21-000961-21 Uitspraak d.d.: 16 augustus 2022 TEGENSPRAAK Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats [gemeente] , van 23 februari 2021 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 08-910037-20 en 08-910052-20, tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1993, wonende te [woonplaats] . Het hoger beroep De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 2 augustus 2022 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. V.A. van Biljouw, naar voren is gebracht. Het vonnis waarvan beroep De rechtbank heeft verdachte veroordeeld ter zake het medeplegen van dealen en aanwezig hebben van harddrugs, en het voorhanden hebben van een vuurwapen van categorie II tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met aftrek van het voorarrest. Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt. Het hof zal daarom opnieuw rechtdoen. De tenlastelegging Aan verdachte is tenlastegelegd dat: Zaak met parketnummer 08-910037-20: hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 september 2019 tot en met 19 juni 2020, in de gemeente [gemeente] , in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA (te weten een hoeveelheid XTC-pillen), zijnde cocaïne en/of MDMA (telkens) een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet; Zaak met parketnummer 08-910052-20 (gevoegd): hij op of omstreeks 19 juni 2020 in de gemeente [gemeente] , een wapen van categorie II, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen (merk CZ Praha, kaliber 6.35), voorhanden heeft gehad. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Overweging met betrekking tot het bewijs De advocaat-generaal acht de tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend bewezen. De raadsman heeft ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 08-910037-20 tenlastegelegde vrijspraak bepleit voor het medeplegen. Voorts heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat het tenlastegelegde – voor zover dit de periode 1 maart 2020 tot en met 19 juni 2020 beslaat – wettig en overtuigend bewezen kan worden. Ten aanzien van de overige tenlastegelegde periode ontbreekt het bewijs, waardoor verdachte hiervan dient te worden vrijgesproken. De raadsman refereert zich aan het oordeel van het hof ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 08-910052-20 tenlastegelegde. Het hof acht bewezen dat verdachte heeft gedeald vanaf 1 januari

  1. Het hof acht niet bewezen dat sprake is van medeplegen van dealen. Het hof overweegt daarbij in het bijzonder het volgende. Uit het proces-verbaal van bevindingen blijkt dat verdachte in januari 2020 meermalen via zijn telefoon heeft gezocht op drugsgerelateerde onderwerpen. Via Google is er onder andere gezocht naar het versnijden van cocaïne, het mixen van cocaïne en het maken van verborgen ruimtes. Verdachte heeft ter terechtzitting van het hof bekend dat hij op zijn telefoon heeft gezocht op internet naar voornoemde onderwerpen omdat hij wilde gaan dealen maar niet wist hoe het allemaal moest. Het hof hecht hieraan geloof. Het hof gaat er dan ook vanuit dat de pleegperiode is aangevangen op 1 januari
  2. Het hof komt niet tot een bewezenverklaring van het medeplegen, nu niet is komen vast te staan dat er sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en medeverdachten. Er blijkt niet van een gezamenlijke uitvoering of van een bijdrage van verdachte aan het dealen met anderen. De enkele verklaring van getuige [naam getuige] , die drugs bij de [naam] -lijn bestelde en verdachte herkent als de man die hem een aantal keer drugs heeft gebracht in een grijze BMW, is hiertoe namelijk niet voldoende. Daarbij is mede van belang dat uit voornoemde getuigenverklaring niet blijkt in welke periode [naam getuige] verdachte gezien heeft. Bewezenverklaring Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het in de zaak met parketnummer 08-910037-20 en in de zaak met parketnummer 08-910052-20 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat: Zaak met parketnummer 08-910037-20: hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 januari 2020 tot en met 19 juni 2020, in de gemeente [gemeente] , in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA (te weten een hoeveelheid XTC-pillen), zijnde cocaïne en/of MDMA (telkens) een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet; Zaak met parketnummer 08-910052-20 (gevoegd): hij op of omstreeks 19 juni 2020 in de gemeente [gemeente] , een wapen van categorie II, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen (merk CZ Praha, kaliber 6.35), voorhanden heeft gehad. Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het in de zaak met parketnummer 08-910037-20 bewezenverklaarde levert op: opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd. Het in de zaak met parketnummer 08-910052-20 bewezenverklaarde levert op: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II. Strafbaarheid van de verdachte Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn. Oplegging van straf en/of maatregel De advocaat-generaal heeft een gevangenisstraf van 15 maanden met aftrek van de duur van het voorarrest gevorderd. De raadsman heeft een taakstraf van 240 uur en een (forse) voorwaardelijke gevangenisstraf bepleit. De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Verdachte heeft zich gedurende een periode van ongeveer 5 maanden schuldig gemaakt aan het dealen van harddrugs. Mede door zijn handelwijze wordt de handel in harddrugs in stand gehouden. Het betreft een handel die verboden is, omdat het gebruik van harddrugs de gezondheid van personen schade toebrengt. Die handel gaat bovendien gepaard met steeds zwaardere vormen van criminaliteit. Voorts heeft verdachte een vuurwapen voorhanden gehad. Dergelijk bezit verdient bestraffing, omdat dat onder burgers gevoelens van onveiligheid met zich mee brengt, temeer aangezien vuurwapens dikwijls worden gebruikt bij het plegen van veelal ernstige strafbare feiten. Het hof is van oordeel dat als reactie op de feiten in beginsel een lange onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden is, uitgaande van de binnen de rechtspraak gehanteerde oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). De LOVS-oriëntatiepunten kennen als uitgangspunt voor het dealen van harddrugs gedurende 3 tot 6 maanden een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden. Voor het vuurwapendelict luidt het uitgangspunt thans een gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden. Daarnaast heeft het hof acht geslagen op het feit dat uit het verdachte betreffende uittreksel justitiële documentatie van 28 juni 2022 blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor (soortgelijke) strafbare feiten. Deze eerdere veroordelingen hebben verdachte er kennelijk niet van weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. Van nieuwe strafbare feiten is niet gebleken. Het hof heeft voorts kennisgenomen van het reclasseringsrapport van Reclassering Nederland van 19 juli
  3. Daaruit blijkt onder meer van een aantal positieve ontwikkelingen in het leven van verdachte. Verdachte werkt als assemblagemedewerker in een bedrijf. Verdachte heeft ter zitting van het hof ook een positieve indruk gemaakt. Een en ander afwegende komt het hof er met name op grond van de volgende punten op uit aan verdachte een gevangenisstraf op te leggen waarvan het onvoorwaardelijk deel gelijk is aan de duur van het voorarrest en het voorwaardelijk deel ongeveer negen maanden bedraagt en daarnaast een taakstraf voor de duur van 240 uur. Het hof houdt namelijk ten voordele van verdachte rekening met de omstandigheid dat verdachte – naar het hof aannemelijk acht – in de situatie verkeerde dat zijn leven werd bedreigd door personen uit het criminele milieu terwijl hij geen beveiliging van de kant van de politie kreeg en daarom zelf een vuurwapen heeft aangeschaft om zichzelf en zijn familie tegen voornoemde bedreiging te beschermen. Bovendien houdt het hof rekening met het feit dat verdachte momenteel een positieve ontwikkeling doormaakt. Het hof wil verdachte de gelegenheid geven om de positieve ontwikkelingen voort te zetten. Gelet op het voorgaande en daarbij in aanmerking genomen hetgeen verder omtrent de persoon van verdachte is gebleken, is het hof van oordeel dat een (grotendeels voorwaardelijke) gevangenisstraf en een taakstraf, passend en geboden is. De voorwaardelijke straf wordt opgelegd als stok achter de deur, om ervoor te zorgen dat verdachte niet opnieuw een strafbaar feit pleegt. Toepasselijke wettelijke voorschriften Het hof heeft gelet op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet, de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 08-910037-20 en in de zaak met parketnummer 08-910052-20 tenlastegelegde heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart het in de zaak met parketnummer 08-910037-20 en in de zaak met parketnummer 08-910052-20 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar. Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 300 (driehonderd) dagen. Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 273 (tweehonderddrieënzeventig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht. Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 120 (honderdtwintig) dagen hechtenis. Aldus gewezen door mr. J.D. den Hartog, voorzitter, mr. G. Mintjes en mr. J.A.W. Lensing, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. H.E. Schoenmakers, griffier, en op 16 augustus 2022 ter openbare terechtzitting uitgesproken. Proces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 16 augustus
  4. Tegenwoordig: mr. J.A.W. Lensing, voorzitter, mr. J. van Spanje, advocaat-generaal, mr. K. van Laarhoven, griffier. De voorzitter doet de zaak uitroepen. De verdachte is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig. De voorzitter spreekt het arrest uit. Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.