GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN locatie Arnhem nummers BK-ARN 20/00843, 20/00844, 21/00797 en 21/00798 uitspraakdatum: 30 augustus 2022 Tussenuitspraak van de derde meervoudige belastingkamer (geheimhoudingskamer) in de hogere beroepen van [belanghebbende] te [woonplaats1] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraken van de rechtbank Noord-Nederland van 31 augustus 2020, nummer LEE 18/2946, van 31 augustus 2020, nummer LEE 18/2947, en van 25 mei 2021, nummers LEE 20/1937 en 20/1938, in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Den Haag (hierna: de Inspecteur) betreffende een verzoek om beperkte kennisneming in de zin van artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). 1Ontstaan en loop van het geding 1.1. Aan belanghebbende zijn aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) voor de jaren 2014 tot en met 2017 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van respectievelijk € 9.941, € 14.698, € 14.896 en € 15.064. Daarbij is bij beschikkingen belastingrente berekend van respectievelijk € 75, € 182, € 101 en € 91. 1.2. De Inspecteur heeft bij uitspraken op bezwaar van 3 september 2018 en 16 juni 2020 voornoemde aanslagen en beschikkingen belastingrente gehandhaafd. 1.3. Belanghebbende is tegen die uitspraken op bezwaar in beroep gekomen bij de rechtbank Noord-Nederland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft bij uitspraken van 31 augustus 2020, nummer LEE 18/2946, van 31 augustus 2020, nummer 18/2947, en van 25 mei 2021, nummers LEE 20/1937 en 20/1938, ECLI:NL:RBNNE:2021:2050, de beroepen ongegrond verklaard. 1.4. Belanghebbende heeft op 4 september 2020 en 3 juli 2021 tegen de uitspraken van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. 1.5. De Inspecteur heeft op 21 april 2021 en 17 januari 2022 verweerschriften ingediend. 1.6. In de zaken met nummers 20/00843 en 20/00844 (inzake IB/PVV 2014 en 2015) heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden op 1 februari 2022 te Leeuwarden door de eerste meervoudige belastingkamer van het Hof. Namens belanghebbende is verschenen drs. C.D. Bartelds. Namens de Inspecteur zijn verschenen [naam1] en [naam2] . 1.7. Het Hof heeft het onderzoek ter zitting geschorst en bepaald dat de zaken met de nummers 21/00797 en 21/00798 (inzake IB/PVV 2016 en 2017) worden gevoegd, dat het vooronderzoek zal worden hervat en dat de Inspecteur schriftelijke inlichtingen moet geven. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat op 22 april 2022 aan partijen is toegezonden. 1.8. De Inspecteur heeft bij brief van 19 mei 2022 inlichtingen gegeven en daarbij verzocht om een beperkte kennisneming als bedoeld in artikel 8:29 Awb. 1.9. De griffier heeft voornoemde brief van de Inspecteur met de geschoonde bijlagen aan belanghebbende gestuurd. 1.10. De Inspecteur heeft op 12 juli 2022 een nader stuk ingediend (zie 2.5 van deze tussenuitspraak). 1.11. Voor het nemen van een beslissing over de vraag of een beperkte kennisneming gerechtvaardigd is, heeft de eerste meervoudige belastingkamer de behandeling van de zaak verwezen naar de derde meervoudige belastingkamer van het Hof (hierna: de geheimhoudingskamer). Daarbij zijn voornoemde brief van 19 mei 2022 met de bijlagen en de volledige procesdossiers aan de geheimhoudingskamer ter beschikking gesteld. 1.12. Bij brief van 6 juli 2022 is belanghebbendes gemachtigde uitgenodigd voor de zitting van de geheimhoudingskamer op 24 augustus 2022. 1.13. Bij bericht van 23 augustus 2022, ontvangen om 15:35 uur, heeft belanghebbendes gemachtigde verzocht de zitting met enige maanden uit te stellen. Het Hof heeft dit verzoek afgewezen (zie 4.1 tot en met 4.9 van deze tussenuitspraak). 1.14. De mondelinge behandeling door de geheimhoudingskamer heeft plaatsgevonden op 24 augustus 2022 te Arnhem. Namens belanghebbende is niemand verschenen. Namens de Inspecteur is met voorafgaande kennisgeving eveneens niemand verschenen. 2Feiten 2.1. Ter zitting van het Hof van 1 februari 2022 heeft belanghebbende gesteld dat de uitworp en controle van haar aangiften IB/PVV is voortgevloeid uit haar dubbele nationaliteit. Het gebruik van een dergelijk criterium leidt tot schending van een grondrecht, hetgeen meebrengt dat deze controle heeft plaatsgevonden op een wijze die indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht, aldus de strekking van belanghebbendes betoog. 2.2. Het Hof heeft in belanghebbendes betoog aanleiding gevonden het onderzoek ter zitting te schorsen en de Inspecteur om schriftelijke inlichtingen te vragen. 2.3. Bij bericht van 22 april 2022 heeft het Hof aan de Inspecteur de volgende inlichtingen en stukken verzocht: “Het Hof verzoekt u voor de bovengenoemde vier jaren de volgende vragen te beantwoorden: - Wat zijn de uitworpredenen van de aangiften IB/PVV voor de jaren 2014. 2015, 2016 en 2017 geweest? - Wat is ten aanzien van belanghebbende opgenomen in het bestand ‘Fraude Signalering Voorziening (hierna: FSV)’? - Hoe is de selectie van de betreffende aangiften IB/PVV precies in zijn werk gegaan? - Wat is het precieze tijdpad van het een en ander (wanneer zijn de aangiften uitgeworpen/geselecteerd, wanneer is wat precies opgenomen in de FSV en het project 1043 en waarom is dat op dat moment in die bestanden opgenomen? De antwoorden op voormelde vragen dient u zoveel mogelijk te onderbouwen met stukken, waaronder uitdraaien uit het geautomatiseerde systeem van de Belastingdienst.” 2.4. De Inspecteur heeft bij brief van 19 mei 2022 inlichtingen gegeven. Bij deze brief heeft de Inspecteur zeven bijlagen (A tot en met G) gevoegd. De Inspecteur heeft de bijlagen D, E en G zowel in geschoonde als ongeschoonde vorm verstrekt en voor wat betreft deze bijlagen verzocht om een beperkte kennisneming als bedoeld in artikel 8:29 Awb. 2.5. De Inspecteur heeft bij brief van 11 juli 2022 een complete versie van bijlage D in ongeschoonde vorm ingebracht. In geschoonde vorm was reeds op 19 mei 2022 een complete versie van bijlage D ingebracht. 3Geschil In geschil is of beperkte kennisneming van de door de Inspecteur overgelegde stukken gerechtvaardigd is. 4Beoordeling van de verzoeken Verzoek uitstel zitting 4.1. Op verzoek van het Hof hebben partijen verhinderdata opgegeven. Bij brief van 14 juni 2022 is aan belanghebbendes gemachtigde drs. C.D. Bartelds meegedeeld dat de geheimhoudingskamer het verzoek om beperkte kennisneming zal behandelen op 24 augustus 2022. Daarbij heeft de griffier verzocht deze datum in de agenda te reserveren. 4.2. Bij brief van 6 juli 2022 is belanghebbendes gemachtigde uitgenodigd voor de zitting van 24 augustus 2022. 4.3. Bij bericht van 23 augustus 2022, ontvangen om 15:35 uur, heeft belanghebbendes gemachtigde verzocht de zitting van de geheimhoudingskamer met enige maanden uit te stellen. Redengevend daarvoor is dat gemachtigde op 22 augustus 2022 aan een abces is geopereerd waarvan hij al sinds 2016 terugkerend hinder ondervindt. 4.4. Een verzoek om uitstel van het onderzoek ter zitting moet worden ingewilligd indien een partij daar tijdig om verzoekt en gewichtige redenen, zoals ziekte, aanvoert waarom zij niet aanwezig kan zijn op de dag die voor de zitting is vastgesteld. De rechter wijst een dergelijk verzoek alleen af als hij oordeelt dat zwaarder wegende bij de behandeling van de zaak betrokken belangen aan uitstel in de weg staan (vgl. HR 22 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:525, r.o. 2.4.1). 4.5. Indien de belanghebbende wegens ziekte is verhinderd op de zitting te verschijnen en in verband daarmee om uitstel van het onderzoek ter zitting heeft verzocht of heeft doen verzoeken, moet de rechter dit verzoek als regel inwilligen. Een dergelijk verzoek kan ook worden gedaan door een ander dan de belanghebbende of diens procesvertegenwoordiger.Bijzondere omstandigheden kunnen meebrengen dat de rechter tot het oordeel komt dat ondanks de ziekte van de belanghebbende (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.