← Nederland

ECLI:NL:GHARL:2022:754

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN zittingsplaats Leeuwarden Zaaknummer : Wahv 200.276.289/01 CJIB-nummer : 216272516 Uitspraak d.d. : 1 februari 2022 Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam van 19 februari 2020, betreffende [de betrokkene] B.V. (hierna: de betrokkene), gevestigd te [vestigingsplaats] . De gemachtigde van de betrokkene is F.R. Eggink, kantoorhoudende te Almelo. Het tussenarrest De inhoud van het tussenarrest van 22 december 2021 wordt hier overgenomen. Het verdere procesverloop De gemachtigde van de betrokkene heeft het hof laten weten dat hij geen zitting wenst. De beoordeling

  1. Het hoger beroep is slechts gericht tegen de beslissing van de kantonrechter voor zover daarbij het verzoek tot vaststelling van een dwangsom is afgewezen.
  2. Gelet op wat is overwogen in het tussenarrest zal het hof de beslissing van de kantonrechter vernietigen, voor zover aan het hoger beroep onderworpen.
  3. De gemachtigde voert aan dat de officier van justitie een dwangsom verbeurt, omdat niet tijdig is beslist op het administratief beroep. De gemachtigde heeft de verdagingsbrief d.d. 1 oktober 2018 niet ontvangen, zodat de beslistermijn niet is verlengd. Op 22 oktober 2018 is de officier van justitie in gebreke gesteld, zodat vanaf 5 november 2018 een dwangsom is verschuldigd. Op 13 december 2018 heeft de officier van justitie op het administratief beroep beslist.
  4. Artikel 4:17 (oud) van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) luidt, voor zover van belang: “
  5. Indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven, verbeurt het bestuursorgaan aan de aanvrager een dwangsom voor elke dag dat het in gebreke is, doch voor ten hoogste 42 dagen. De Algemene termijnenwet is op laatstgenoemde termijn niet van toepassing.
  6. De dwangsom bedraagt de eerste veertien dagen € 20,- per dag, de daaropvolgende veertien dagen € 30,- per dag en de overige dagen € 40,- per dag.
  7. De eerste dag waarover de dwangsom verschuldigd is, is de dag waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen.”
  8. Artikel 7:24 van de Awb luidt, voor zover van belang: “
  9. Het beroepsorgaan beslist binnen zestien weken, gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van het beroepschrift is verstreken. (…)
  10. Het beroepsorgaan kan de beslissing voor ten hoogste tien weken verdagen. (…)”
  11. Het hof stelt op basis van de stukken in het dossier, voor zover van belang, het volgende vast. Tegen de inleidende beschikking van 3 mei 2018 heeft de betrokkene bij brief van 30 mei 2018 administratief beroep ingesteld. Bij brief van 20 juli 2018 heeft de gemachtigde namens de betrokkene aanvullend administratief beroep ingesteld. Bij brief van 1 oktober 2018 heeft de officier van justitie meegedeeld dat hij de beslistermijn met tien weken verlengt. Bij brief van 19 oktober 2018, binnengekomen op 22 oktober 2018, heeft de gemachtigde de officier van justitie in gebreke gesteld wegens het niet tijdig beslissen op het administratief beroep.
  12. Gelet op het eerste lid van artikel 7:24 van de Awb eindigde de beslistermijn (zonder verlenging van die termijn) op 4 oktober
  13. Uit onderzoek van de advocaat-generaal is gebleken dat de verdagingsbrief d.d. 1 oktober 2018 alleen aan de betrokkene is gezonden en niet (tevens) aan de gemachtigde. Gelet op het bepaalde in artikel 6:17 van de Awb had dit wel gemoeten, nu op dat moment al bekend was dat de betrokkene zich door de gemachtigde liet vertegenwoordigen. Dat dit niet is gebeurd brengt echter niet mee dat de beslistermijn niet is verlengd. Het hof wijst in dit verband op het arrest van de Hoge Raad van 25 oktober 2013 (vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:HR:2013:969). Nu de beslistermijn tijdig is verlengd, de mededeling hierover wel aan de betrokkene is toegestuurd en de ontvangst daarvan niet wordt betwist, is de op 22 oktober 2018 ontvangen ingebrekestelling prematuur en is er geen dwangsom verbeurd. Dit betekent dat het verzoek tot vaststelling van een dwangsom zal worden afgewezen.
  14. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. de arresten van het hof van 28 april 2020 en 1 april 2021, vindplaatsen op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336 en 2021:1786). De beslissing Het gerechtshof: vernietigt de beslissing van de kantonrechter voor zover daarbij het verzoek tot vaststelling van een dwangsom is afgewezen; wijst het verzoek tot vaststelling van een dwangsom af; wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af. Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Starreveld als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.