GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden afdeling civiel recht, handel zaaknummer gerechtshof 200.278.647/01 (zaaknummer rechtbank Overijssel 210483) arrest van 1 februari 2022 in de zaak van [appellant] , wonende te [woonplaats1] , appellant, bij de rechtbank: eiser in conventie en verweerder in reconventie, hierna: [appellant], advocaat: mr. J.M. van Rongen, tegen [geïntimeerde] , wonende te [woonplaats1] , geïntimeerde, bij de rechtbank: gedaagde in conventie en eiser in reconventie, hierna: [geïntimeerde], advocaat: mr. A.A. Bos. 1Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep 1.1 Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 9 februari 2021 hier over. Op grond van dit arrest heeft op 9 december 2021 een mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden. Hiervan is proces-verbaal opgemaakt. Voorafgaand aan deze zitting heeft [appellant] op 10 november 2021 vervangende - geschoonde - producties 1 tot en met 4, zoals gevoegd bij de memorie van grieven, ingezonden en op 29 november 2021 een akte wijziging eis met drie nadere producties. 1.2 Vervolgens heeft het hof arrest bepaald op het voorafgaand aan het arrest van 9 februari 2021 overgelegde procesdossier, aangevuld met voormelde akte en voormeld proces-verbaal. 2Waar het in deze zaak om gaat [appellant] en [geïntimeerde] hebben samen een agrarisch bedrijf. In 2015 zijn zij tot de conclusie gekomen dat hun samenwerking moet eindigen en hebben zij een beëindigingsovereenkomst gesloten op basis waarvan [geïntimeerde] als eerste mag proberen de ander uit te kopen. [appellant] vindt dat [geïntimeerde] die beëindigingsovereenkomst niet is nagekomen en heeft de ontbinding van de beëindigingsovereenkomst ingeroepen. [geïntimeerde] bestrijdt dat hij die overeenkomst niet is nagekomen en wil dat de beëindigingsovereenkomst verder wordt uitgevoerd. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat de beëindigingsovereenkomst partijen nog bindt en dat zij de daarin neergelegde route tot ontvlechting van hun samenwerking moeten blijven volgen. Dat oordeel zal het hof hierna uitleggen. 3De vaststaande feiten Het hof gaat in hoger beroep uit van de navolgende feiten: 3.1 [appellant] en [geïntimeerde] zijn broers. Zij zijn met ingang van 1 januari 2010 een vennootschap onder firma aangegaan onder de naam “ [naam1] ” (hierna: de vof). De vof drijft een opfokbedrijf voor jongvee en een melkveebedrijf. 3.2 De overeenkomst van vennootschap onder firma is vastgelegd in een akte van 25 maart 2014 (hierna: de vof-akte). Artikel 15 van deze akte is een bepaling over voorzetting van de onderneming na ontbinding. In het vierde lid daarvan staat samengevat dat vaststelling van de waarde van het wegens overbedeling verschuldigde in onderling overleg zal plaatsvinden en anders door drie deskundigen. Het vijfde lid van dit artikel luidt - voor zover van belang - vervolgens: Het ter zake van overbedeling door de voortzettende vennoot aan de andere vennoot verschuldigde moet aan deze worden voldaan binnen 6 maanden na de ontbinding van de vennootschap, voor zover dit deel uit de beschikbare middelen van de vennootschap kan worden voldaan, dan wel als lening kan worden opgenomen onder algemeen gebruikelijke voorwaarden. Het restant van de uitkering zal door de betreffende vennoot worden voldaan in maandelijkse termijnen, waarvan de eerste termijn vervalt 7 maanden na beëindiging van de vennootschap. Deze schuld, respectievelijk het restant daarvan na aflossing, zal rentedragend zijn vanaf het tijdstip van beëindiging van de vennootschap. (…) 3.3 Tussen partijen is een geschil ontstaan over hun samenwerking en daarna over de beëindiging van de vof en de voortzetting van de daarin gedreven onderneming. Ter afwikkeling hiervan hebben [appellant] (op 14 juli 2015) en [geïntimeerde] (op 16 juli 2015) een overeenkomst ondertekend (hierna: de beëindigingsovereenkomst) waarin zij, onder meer zijn overeengekomen, onder aanduiding van partijen bij hun voornaam in plaats van ‘Vennoot 1’ en ‘Vennoot 2’: Partijen zijn overeengekomen dat de VOF zal worden ontbonden per een nader overeen te komen datum. [ [geïntimeerde] ] zal de onderneming als bedoeld in artikel 15 lid 2 van de VOF-akte voortzetten. [ [geïntimeerde] ] zal terstond na ondertekening van deze overeenkomst met [ [appellant] ] in overleg treden over het bedrag van de overbedeling als bedoeld in artikel 15 lid 2 van de VOF-akte - hierna: “de koopprijs”. [ [appellant] ] zal geen aanspraak maken op voortzetting van de onderneming, tenzij [ [geïntimeerde] ] geen financiering kan verkrijgen voor de betaling van de koopprijs. Indien partijen in onderling overleg geen overeenstemming bereiken over de koopprijs zal een groep van deskundigen, als bedoeld in artikel 15 lid 4 van de VOF-akte, de koopprijs vaststellen. [ [geïntimeerde] ] verricht sedert 10 maart 2015 geen arbeid binnen de onderneming. [ [appellant] ] zal deze werkzaamheden voortzetten tot partijen overeenstemming hebben bereikt over de koopprijs. Alsdan zal [ [appellant] ] alle werkzaamheden overdragen aan [ [geïntimeerde] ], zijn arbeid binnen de onderneming staken en gestaakt houden en de onderneming verlaten. [ [geïntimeerde] ] zal tegelijkertijd de koopprijs storten op een door notaris (…) aan te wijzen bankrekening die het bedrag zal doorbetalen aan [ [appellant] ], zodra de noodzakelijke akten in verband met de beëindiging van de VOF en overdracht van zaken zijn ondertekend. Aan deze overeenkomst is als bijlage 1 gehecht een lijst van crediteuren van de VOF en als bijlage 2 een overzicht van verplichtingen en overeenkomsten van de VOF per datum van ondertekening van de onderhavige overeenkomst. [ [appellant] ] heeft deze lijst en het overzicht opgesteld en garandeert dat die juist en volledig zijn; hij verklaart dat hij geen nieuwe verplichtingen en overeenkomsten zal aangaan ten laste van de VOF. [ [geïntimeerde] ] verklaart dat hij sedert 10 maart 2015 geen schulden, noch andere verplichtingen ten laste van de VOF is aangegaan; hij zal zich onthouden van het verrichten van mutaties op de bankrekening van de VOF. [ [appellant] ] verklaart dat hij de onderneming in goede staat, inclusief alle zaken die behoren tot de onderneming, zal overdragen aan [ [geïntimeerde] ]. Partijen zullen zich onthouden van iedere handeling waardoor op welke wijze dan ook schade zal ontstaan aan de onderneming, dan wel onderdelen en/of de bedrijfsmiddelen en/of het vee en/of welke andere goederen of zaken dan ook van de onderneming. 3.4 Op vordering van [geïntimeerde] heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank [appellant] in een vonnis van 23 november 2015 veroordeeld een deskundige aan te wijzen. [geïntimeerde] is daarbij gemachtigd zo nodig zelf de deskundige aan te wijzen. De voorzieningenrechter heeft [appellant] voorts veroordeeld om op eerste verzoek van de deskundigen alle documenten die door de deskundigen van belang worden geacht voor de waardebepaling overeenkomstig artikel 15 van de vennootschapsakte aan de deskundigen ter beschikking te stellen. Aan beide veroordelingen is een dwangsom verbonden. 3.5 [appellant] heeft de heer [de deskundige1] aangewezen als deskundige van zijn zijde. Deze deskundige heeft samen met de door [geïntimeerde] aangewezen deskundige (de heer [de deskundige2] ) een derde deskundige aangesteld, te weten de heer [de deskundige3] . 3.6 In verband met het inschakelen van taxateurs hebben de deskundigen in juni 2016 een concept-opdrachtbevestiging voor de taxatie van de activa van de vof aan partijen gestuurd. 3.7 In een brief van 5 mei 2017 hebben de deskundigen aan partijen verzocht de definitieve taxatieopdracht te tekenen. Anders dan in het concept van juni 2016 is in deze taxatieopdracht de volgende bepaling opgenomen: Ondernemers krijgen na het vaststellen van de overnamesom 3 maanden (bron Ing. Denk aan een tijdige voorbereiding) de tijd om het door de deskundigen vastgestelde verschuldigde te voldoen, ter formalisering van de overname, lukt dit niet dan vervallen zijn rechten, tenzij het niet kunnen voldoen van de overnamesom te wijten is aan het handelen van de andere partij. De partijen leveren binnen 5 dagen de gevraagde en benodigde informatie voor financiering, op eerste verzoek van de overnemende partij na het bepalen van de overnamesom. 3.8 [appellant] heeft de opdrachtbevestiging getekend. [geïntimeerde] heeft dit geweigerd en heeft, via zijn toenmalige advocaat een alternatieve tekst voorgesteld die uitging van een inspanningsverplichting van de overnemende partij de financiering voor de overnamesom op zo kort mogelijke termijn te verkrijgen. Voor het geval de overnemende partij niet binnen vijf maanden financiering zou hebben verkregen, zou volgens de alternatieve tekst de overnemende partij wettelijke rente dienen te voldoen aan de andere partij. Een (maximale) termijn waarbinnen financiering geregeld zou moeten zijn, is in de alternatieve tekst niet genoemd. 3.9 In een brief van 8 augustus 2017 heeft [appellant] aan [geïntimeerde] meegedeeld dat hij wanprestatie pleegt door niet over te gaan tot ondertekening van de taxatieopdracht en dat [appellant] om die reden de beëindigingsovereenkomst van 14/16 juli 2015 buitengerechtelijk ontbindt. [appellant] heeft voorts meegedeeld dat het adviestraject per direct en definitief is geëindigd en dat hij geen medewerking zal verlenen aan de uitvoering van de taxatie-opdracht. [appellant] heeft ook de deskundigen meegedeeld dat het adviestraject is geëindigd. 3.10 In een brief van 10 augustus 2017 heeft [geïntimeerde] laten weten dat hij de beëindiging van de opdracht aan de deskundigen niet accepteert. Ook heeft hij meegedeeld dat [appellant] door het intrekken van de opdracht aan de deskundigen in strijd handelt met de veroordeling door de voorzieningenrechter en dwangsommen zullen worden verbeurd die [geïntimeerde] zal incasseren, tenzij [appellant] alsnog uiterlijk 11 augustus 2017 vóór 12.00 uur aan de deskundigen heeft meegedeeld dat de benoeming gehandhaafd blijft. [appellant] heeft verdere medewerking geweigerd aan de uitvoering van de opdracht van deskundigen. 3.11 Tussen partijen zijn vervolgens meerdere procedures in kort geding (al dan niet in hoger beroep) gevoerd, onder meer over door [geïntimeerde] ten laste van [appellant] gelegde beslagen ter inning van dwangsommen. 4Het geschil en de beslissing van de rechtbank 4.1 [appellant] heeft in conventie - samengevat - gevorderd een verklaring voor recht dat de overeenkomst van 14/16 juli 2015 op 8 augustus 2017 door hem op terechte gronden is ontbonden dan wel dat de rechtbank deze overeenkomst ontbindt. [appellant] heeft daarnaast gevorderd dat de rechtbank de vof ontbindt en dat de onderneming daarvan aan hem wordt toegescheiden, onder vereffening van het vermogen conform de vennootschapsakte. [appellant] heeft verder een aantal bedragen gevorderd ter vergoeding van door hem geleden schade. Voor het geval de onderneming van de vof aan [geïntimeerde] wordt toegescheiden, heeft [appellant] een aantal daarmee samenhangende (vergoedings)vorderingen ingesteld. 4.2 [geïntimeerde] heeft in reconventie - samengevat - gevorderd een verklaring voor recht dat de overeenkomst van juli 2015 niet rechtsgeldig is ontbonden per 8 augustus 2017 en nog onverkort in stand is. [geïntimeerde] heeft daarnaast de veroordeling van [appellant] gevorderd tot betaling van € 270.000,- aan verbeurde dwangsommen en tot verstrekking van alle documenten die door de deskundigen van belang worden geacht voor de waardebepaling conform de vennootschapsakte, op straffe van verbeurte van een dwangsom. Tevens heeft [geïntimeerde] gevorderd een verbod aan [appellant] om bepaalde rechtshandelingen te verrichten, eveneens op straffe van verbeurte van een dwangsom. [geïntimeerde] heeft tot slot nog een aantal voorwaardelijke vorderingen ingesteld die zien op benoeming van een deskundige ter bepaling van de waarde van het vennootschapsvermogen en de daaraan door [appellant] te verlenen medewerking dan wel subsidiair de vof te ontbinden onder toescheiding van de activa van de onderneming van de vof aan [geïntimeerde] op de in de vennootschapsakte voorgeschreven wijze dan wel meer subsidiair de vof te ontbinden onder toekenning van een schadevergoeding, nader op te maken bij staat. 4.3 De rechtbank heeft bij vonnis van 5 juni 2019 overwogen dat een comparitie van partijen is aangewezen, welke comparitie bij vonnis van 18 september 2019 is bepaald. 4.4 Nadat op 9 december 2019 door de rechtbank een meervoudige comparitie van partijen is gehouden, heeft zij op 5 februari 2020 vonnis gewezen. 4.5 In dat vonnis heeft de rechtbank in conventie en in reconventie (in het dictum) voor recht verklaard dat de overeenkomst van 14/16 juli 2015 op 8 augustus 2017 niet rechtsgeldig is ontbonden en partijen ook thans nog bindt. 4.6 Voor het overige is de zaak door de rechtbank verwezen naar de rol voor uitlating door beide partijen over de voortgang van de ontvlechting van hun vennootschapsrelatie dan wel de resterende omvang van het geschil, onder aanhouding van iedere verdere beslissing. 5De vordering in hoger beroep 5.1 [appellant] vordert in hoger beroep - samengevat - de toewijzing alsnog van de door hem gevorderde verklaring voor recht dat de beëindigingsovereenkomst van 14/16 juli 2015 op 8 augustus 2017 buitengerechtelijk is ontbonden. [appellant] vordert verder dat het hof de zaak voor het overige aan zich houdt en afdoet, en in dat verband de overige door hem bij de rechtbank ingestelde vorderingen toewijst en de vorderingen van [geïntimeerde] afwijst. 5.2 In zijn akte van 29 november 2021 heeft [appellant] gesteld zijn eis in conventie te willen wijzigen/vermeerderen. [geïntimeerde] heeft zich daartegen met een beroep op de in de artikel 347 Rv bedoelde tweeconclusieregel verzet. 5.3 De wijziging houdt niet meer in dan dat [appellant] de door sub e. gevorderde toedeling van het agrarisch bedrijf van de vof, die door hem verbonden is aan de sub c. primair gevorderde ontbinding van de vof op grond van artikel 7:1684 BW en aan de sub d. subsidiair gevorderde ontbinding van de vof wegens schending van de vennootschapsakte, nu (omhoog) heeft verplaatst en rechtstreeks heeft geplaatst in het sub c. primair gevorderde, onder handhaving van wat hij voor het overige vordert. Het gaat daarmee alleen om een redactionele aanpassing van de weergave van wat [appellant] vordert. Er is daarmee geen sprake van een (inhoudelijke) wijziging, laat staan vermeerdering, van eis. Het hof staat deze aanpassing toe en verwerpt het bezwaar van [geïntimeerde] daartegen. 6De beoordeling van de grieven en de vordering Omvang van het hoger beroep 6.1 [appellant] heeft acht grieven voorgesteld tegen het vonnis van 5 februari
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.