GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden afdeling civiel recht, handel zaaknummers gerechtshof 200.296.214/01 en 200.296.226/01 (zaaknummers rechtbank Noord-Nederland 9119786 en 9156634) arrest in kort geding van 6 september 2022 in de zaak met nummer 200.296.214/01 van Kebla B.V., gevestigd te Almere, appellante in het principaal hoger beroep, geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep,bij de rechtbank: gedaagde in reconventie, eiseres in reconventie, hierna: Kebla, advocaat: mr. K. van Kranenburg-Hanspians, die kantoor houdt te Amsterdam, tegen 1 [geïntimeerde1] , wonende te [woonplaats1] , hierna: [geïntimeerde1], 2. [geïntimeerde2] , wonende te [woonplaats1] , hierna: [geïntimeerde2], geïntimeerden in het principaal hoger beroep, appellanten in het incidenteel hoger beroep, bij de rechtbank: eisers in conventie en verweerders in reconventie, hierna gezamenlijk te noemen: [geïntimeerden], advocaat: mr. N.M. Niewold, die kantoor houdt te Amsterdam, en in de zaak met nummer 200.296.226/01 van Kebla B.V., gevestigd te Almere, appellante in het hoger beroep, bij de rechtbank: eiseres hierna: Kebla, advocaat: mr. K. van Kranenburg-Hanspians, die kantoor houdt te Amsterdam, tegen [geïntimeerde3] , wonende te [woonplaats1] ,geïntimeerde in het hoger beroep,bij de rechtbank: gedaagde,hierna: [geïntimeerde3],advocaat: mr. N.M. Niewold, die kantoor houdt te Amsterdam. 1De verdere procedure bij het hof in de zaak met nummer 200.296.214/01 1.1 Het hof neemt de inhoud van het arrest in het incident van 19 oktober 2021 hier over. In dat arrest is (onder meer) de zaak gevoegd met de zaak met nummer 200.296.226. 1.2 Vervolgens hebben [geïntimeerden] een memorie van antwoord tevens incidenteel appel (met producties) genomen en heeft Kebla een memorie van antwoord in incidenteel appel (met producties) genomen. 1.3 Op 10 juni 2022 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden (tegelijk met een mondelinge behandeling in de zaak met nummer 200.296.226/01). Partijen zijn niet verschenen. Zij hebben zeer kort voor de zitting meegedeeld dat een schikking was bereikt. Kort daarna en nog geen uur voor de zitting deelde de advocaat van Kebla mee dat partijen van mening verschilden over de inhoud van de schikking en verzocht zij om een rolverwijzing. Het van de mondelinge behandeling opgemaakte proces-verbaal bevindt zich in afschrift bij de stukken. 1.4 Het hof heeft de zaak verwezen naar de rol voor doorhaling van de zaak en daarbij bepaald dat indien de zaak dan niet zal worden doorgehaald, de zaak wordt verwezen voor arrest. In het proces-verbaal is daarover vermeld: ‘Het hof acht zich in dat geval voldoende geïnformeerd om arrest te wijzen, zodat wat dat betreft een mondelinge behandeling niet noodzakelijk is. Het hof ziet geen reden partijen in de gelegenheid te stellen hun standpunten toe te lichten, omdat zij van die aan hen geboden gelegenheid geen gebruik hebben gemaakt.’ 1.5 Gelet hierop heeft de rolraadsheer het verzoek van partijen om een nieuwe mondelinge behandeling te bepalen niet gehonoreerd. 1.6 Uit het voorgaande volgt dat Kebla niet heeft kunnen reageren op de door [geïntimeerden] bij hun memorie van antwoord ingediende overgelegde producties en ook niet op door hen ter voorbereiding op de mondelinge behandeling overgelegde productie. Het hof heeft deze producties niet betrokken in zijn oordeel. Hierna zal blijken dat [geïntimeerden] daardoor niet in hun belangen zijn geschaad.[geïntimeerden] hebben op hun beurt niet kunnen reageren op de door Kebla in haar laatste processtuk overgelegde producties. Hierna zal blijken dat zij daardoor niet in hun belangen zijn geschaad. 1.7 Nadat partijen om arrest hadden gevraagd, heeft het hof een datum voor arrest vastgesteld. in de zaak met nummer 200.296.226/01 1.8 Het hof neemt de inhoud van het arrest in het incident van 19 oktober 2021 hier over en houdt rekening met het arrest in het incident in de zaak met nummer 200.296.214/01, waarbij beide zaken zijn gevoegd. 1.9 Vervolgens heeft [geïntimeerde3] een memorie van antwoord (met producties) genomen. Het hof zal deze productie buiten beschouwing laten. Hierna zal blijken dat [geïntimeerde3] daardoor niet in zijn belang is geschaad. 1.10 Op 10 juni 2022 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden (tegelijk met een mondelinge behandeling in de zaak met nummer 200.296.214/01). Partijen zijn niet verschenen. Zij hebben zeer kort voor de zitting meegedeeld dat een schikking was bereikt. Kort daarna en nog geen uur voor de zitting deelde de advocaat van Kebla mee dat partijen van mening verschilden over de inhoud van de schikking en verzocht zij om een rolverwijzing. Het van de mondelinge behandeling opgemaakte proces-verbaal bevindt zich in afschrift bij de stukken. 1.11 Het hof heeft de zaak verwezen naar de rol voor doorhaling van de zaak en daarbij bepaald dat indien de zaak dan niet zal worden doorgehaald, de zaak wordt verwezen voor arrest. In het proces-verbaal is daarover vermeld: ‘Het hof acht zich in dat geval voldoende geïnformeerd om arrest te wijzen, zodat wat dat betreft een mondelinge behandeling niet noodzakelijk is. Het hof ziet geen reden partijen in de gelegenheid te stellen hun standpunten toe te lichten, omdat zij van die aan hen geboden gelegenheid geen gebruik hebben gemaakt.’ 1.12 Gelet hierop heeft de rolraadsheer het verzoek van partijen om een nieuwe mondelinge behandeling te bepalen niet gehonoreerd. 1.13 Nadat partijen om arrest hadden gevraagd, heeft het hof een datum voor arrest vastgesteld. 2Waar gaat het in deze zaken over? 2.1 De beide zaken hangen met elkaar samen. [geïntimeerden] en [geïntimeerde3] zijn in dienst geweest bij Kebla. [geïntimeerde3] was [functie1] en hield een deel van de aandelen. De arbeidsovereenkomst van [geïntimeerde3] is per 1 september 2019 geëindigd. [geïntimeerden] hebben in januari 2021 hun arbeidsovereenkomst met Kebla per 1 juni 2021 opgezegd. [geïntimeerde3] is een eigen bedrijf gestart. [geïntimeerden] zijn bij hem in dienst getreden. Volgens Kebla doen [geïntimeerden] en [geïntimeerde3] haar oneerlijke concurrentie aan. Bovendien handelen [geïntimeerden] volgens Kebla in strijd met het concurrentie-, relatie en geheimhoudingsbeding uit de arbeidsovereenkomst met haar. Ook [geïntimeerde3] . heeft volgens Kebla in strijd met het relatiebeding gehandeld. Los daarvan handelt hij onrechtmatig door haar oneerlijke concurrentie aan te doen, aldus Kebla. Kebla vordert dat het [geïntimeerde3] wordt verboden voor 1 september 2021 handelingen te verrichten ter voorbereiding van de oprichting van een nieuwe onderneming en om gedurende twee jaar de ‘top 50 relaties’ van Kebla te benaderen, om met [geïntimeerden] een concurrerende onderneming te voeren en om werknemers van Kebla te bewegen hun arbeidsovereenkomst met Kebla te beëindigen. [geïntimeerden] vorderen betaling van achterstallig salaris en schorsing van het relatiebeding. Kebla vordert op haar beurt dat [geïntimeerden] veroordeeld worden om het concurrentie-, geheimhoudings- en relatiebeding na te komen. Verder vordert Kebla een voorschot op de door haar door toedoen van [geïntimeerden] en [geïntimeerde3] geleden schade. 2.2 De kantonrechter heeft in de zaak met nummer 200.296.214 (in kort geding) de vorderingen van Kebla tegen [geïntimeerden] afgewezen en de vorderingen van [geïntimeerden] tot doorbetaling van hun salaris tot aan 1 juni 2021 toegewezen. De vordering van [geïntimeerden] tot schorsing van het relatiebeding heeft zij afgewezen. In de zaak met nummer 200.296.226 heeft de voorzieningenrechter de vorderingen van Kebla tegen [geïntimeerde3] afgewezen. 2.3 Het hof komt - met uitzondering van de vordering tot schorsing van het relatiebeding [geïntimeerden] - tot hetzelfde oordeel als de kantonrechter en de voorzieningenrechter. Het hof zal dat oordeel hierna motiveren, door eerst de relevante feiten te vermelden en door daarna de standpunten van partijen te bespreken. In dat verband zal het hof ook ingaan op de bezwaren (‘grieven’) van Kebla tegen de vonnissen van de kantonrechter en de voorzieningenrechter en op de bezwaren van [geïntimeerden] tegen het vonnis van de kantonrechter. 3De vaststaande feiten (in beide zaken)3.1 [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] zijn respectievelijk de zoon en schoonzoon van [geïntimeerde3] . 3.2 Kebla, die handelt onder de naam Montapanel, is een producent van en groothandel in werkbladen voor keukens. Zij richt zich in het bijzonder op het produceren en verkopen van keramische werkbladen. 3.3 [geïntimeerde3] is oud-aandeelhouder en voormalig [functie1] van M.W. Panel B.V., een vennootschap in bladen van natuursteen. M.W. Panel B.V. is in 2011 failliet gegaan. Er heeft een doorstart plaatsgevonden. Via Ticapa B.V. werd Kebla opgericht. [geïntimeerde3] . had een deel van de aandelen van Kebla, Ticapa B.V. was meerderheids-aandeelhouder. 3.4 [geïntimeerde3] . is op 1 april 2013 bij Kebla in dienst getreden als [functie1] . In zijn arbeidsovereenkomst is onder meer het volgende bepaald: ‘artikel 61. Het is de werknemer verboden om binnen een tijdvak van 3 maanden na beëindiging van de dienstbetrekking in de provincies Groningen, Friesland en Drenthe in enigerlei vorm van een zaak gelijk, gelijksoortig of aanverwant aan die van de werkgever te vestigen, te drijven, mede te drijven, of te doen drijven, hetzij direct, hetzij indirect, alsook financieel in welke vorm ook bij een dergelijke zaak belang te hebben, direct of indirect of daarin of daarvoor op enigerlei wijze werkzaam te zijn, hetzij een tegen een vergoeding, hetzij om niet, of daarin een aandeel van welke aard dan ook te hebben. 2. Bij overtreding van het in lid 1 omschreven verbod verbeurd de werknemer ten behoeve van de werkgever een dadelijk opeisbare boete van € 500,= per dag voor elke dag dat de werknemer in overtreding is, onverminderd het recht van de werkgever op vergoeding van schade, kosten en interesten. artikel 7 1. De werknemer erkent, dat hem door geheimhouding is opgelegd van alle bijzondere "werkgegevens" onderneming betreffende of daarmee verband houdende. 2. Het is de werknemer verboden, hetzij gedurende de dienstbetrekking, hetzij na beëindiging hiervan, op enigerlei wijze aan derden of indirect, in welke vorm ook en in welker voege ook, enige mededeling te doen van aangaande enige bijzonderheden werkgevers onderneming betreffende of daarmee in verband houdende, op straffe van verbeurd aan werkgever van dadelijk en ineens zonder sommatie of ingebrekestelling opeisbare boete groot € 10.000,= onverminderd zijn gehoudenheid tot betaling aan de werkgever van een volledige schadevergoeding te dezer zake, overtreding zal voor de werkgever een dringende reden vormen tot ontslag op staande voet als bedoeld in artikel 1639p 9e Burgerlijk Wetboek. 3. Het is de werknemer gedurende de dienstbetrekking niet toegestaan een soortgelijk bedrijf als dat van de werkgever, en ruime zins des woords, direct dan wel indirect uit te oefenen, werkzaam te zijn, dan wel daaruit revenuen te genereren of te doen genereren. Na beëindiging van de dienstbetrekking is de werknemer verboden gedurende twee jaar relaties van Montapanel Werkbladen B.V. benaderen voor welke overtreding een boete verschuldigd van duizend euro (€ 1.000,=). Deze boete wordt verbeurd door de enkele daad van overtreding, zonder dat ingebrekestelling is vereist, onverminderd het recht van de werkgever om de werkelijke schade te vorderen.’ 3.5 [geïntimeerden] zijn sinds 22 januari 2012 als [functie2] in dienst bij Kebla. Hun arbeidsovereenkomsten bevatten, als artikel 6 en 7, dezelfde bepalingen als de in 3.4 geciteerde bepalingen uit de arbeidsovereenkomst tussen Kebla en [geïntimeerde3] . In artikel 2 lid 2 van hun arbeidsovereenkomst is bepaald dat voor hen een opzegtermijn van één maand geldt en in artikel 2 lid 3 dat opzegging tegen het begin van een kalendermaand moet gebeuren. 3.6 Op 20 december 2018 heeft [geïntimeerde3] zijn aandelen verkocht aan Ticapa. Voor zijn belang van 29,5% heeft hij € 1.000.000,- ontvangen. Bij deze overeenkomst werd afgesproken dat [geïntimeerde3] nog twee jaar werkzaam zou blijven als [functie1] . 3.7 [geïntimeerde3] en Kebla hebben in onderling overleg besloten de arbeidsovereenkomst tussen hen per 1 september 2019 te beëindigen. In de ‘vaststellingsovereenkomst’ van 21 juni 2019 waarin de afspraken over de beëindiging van de arbeidsovereenkomst zijn vastgelegd, is onder meer bepaald:‘6. Het Concurrentiebeding als verwoord in artikel 6 van de arbeidsovereenkomst en het Geheimhoudingsbeding als verwoord in artikel 7 blijven onverkort van kracht.(…) 15. Met uitzondering van hetgeen in de Overeenkomst is bepaald, verlenen Partijen elkaar, finale kwijting ter zake van alle aanspraken uit de arbeidsovereenkomst alsmede de beëindiging daarvan.’ 3.8 In een brief aan de bestuurder van Kebla van 19 januari 2021 heeft [geïntimeerde3] het volgende geschreven:‘Inmiddels is het concurrentiebeding uit mijn arbeidsovereenkomst (al lang) verstreken en ook het relatiebeding geldt nog maar een paar maanden. Ik heb dan ook het plan om over een paar maanden een nieuwe onderneming te starten. Ik wil daarbij mijn zoon [geïntimeerde1] en schoonzoon [naam1] betrekken. Ze zullen zich houden aan het concurrentiebeding van 3 maanden. Ten aanzien van het relatiebeding geldt echter dat deze mijn zoon en schoonzoon niet treffen. Mochten jullie van mening zijn dat het relatiebeding wel van toepassing is op deze jongens, dan is het wellicht dienstig om hierover in gesprek te gaan, in welk geval wij graag van jullie horen.’ 3.9 In brieven van 25 januari 2021 hebben [geïntimeerden] hun arbeidsovereenkomst met Kebla opgezegd per 1 juni 2021. 3.10 In brieven van haar advocaat van 10 februari 2021 heeft Kebla aan [geïntimeerden] meegedeeld dat hun arbeidsovereenkomst, gelet op de overeengekomen opzegtermijn van één maand, eindigt met ingang van 1 maart 2021. Verder is in deze brieven aangegeven dat [geïntimeerde3] een aan Kebla vergelijkbare onderneming is gestart en dat [geïntimeerden] gebonden zijn aan een concurrentie-, relatie- en geheimhoudingsbeding. De brieven vervolgen:‘Namens Montapanel verzoek en zo nodig sommeer ik u om mij uiterlijk op 12 februari 2021 te bevestigen dat u zich zal houden aan de met u gemaakte [afspraken, hof] en dat u iedere betrokkenheid met deze onderneming zal staken. Graag ontvang ik van u de bevestiging dat u geen relaties van Montapanel (op welke wijze dan ook) heeft benaderd noch heeft laten benaderen of zal benaderen. Cliënte heeft u op 8 februari 2021 laten weten dat u met ingang van 9 februari 2021 geen toegang meer heeft tot Montapanel. (...) Op basis van de informatie die bij cliënte op dit moment bekend is, moet ervan worden gegaan dat u reeds boetes heeft verbeurd. Mede om die reden heeft cliënte besloten ons de salarisbetaling van februari 2021 en de eindafrekening nog onder zich te houden, in ieder geval totdat duidelijk is of u binnen de gestelde termijn de gevraagde bevestigingen verstrekt. Cliënte stelt u aansprakelijk voor de schade die zij als gevolg van uw (onrechtmatige) handelen heeft geleden en nog zal lijden.’In de brief aan [geïntimeerde2] is [geïntimeerde2] daarnaast nog meegedeeld:‘Cliënte kan niet anders dan concluderen dat u gezamenlijk bezig bent om via onder meer de relaties van Montapanel. activiteiten te ontplooien voor deze nieuwe onderneming. U heeft op 1 februari 2021 aan een van de vertegenwoordigers van Montapanel gevraagd om u te voorzien van een relatielijst van cliënte. Dit toont onder meer aan dat u zich weinig lijkt aan te trekken van de met [u, hof] overeengekomen bedingen en dat uw gedrag in strijd is met goed werknemerschap. U heeft blijkbaar de intentie om relaties van cliënte in te zetten voor de onderneming waarbij u reeds betrokken bent.’ 3.11 In een brief van 10 februari 2021 heeft de advocaat van Kebla aan [geïntimeerde3] geschreven dat het [geïntimeerden] niet vrijstaat betrokken te zijn bij zijn onderneming en dat hij onrechtmatig handelt jegens Kebla wanneer hij [geïntimeerden] faciliteert bij overtreding van de bedingen waaraan zij zijn gebonden. Verder wordt in de brief vermeld dat [geïntimeerde3] ook zonder relatiebeding gebonden is aan een aantal ‘spelregels’, die erop neerkomen dat hij het bedrijfsdebiet van Kebla niet mag afbreken. Bovendien is het geheimhoudingsbeding van toepassing. De brief eindigt:‘Uw voornemen was om met pensioen te gaan en de markt waarin u actief bent geweest te verlaten. U heeft uw plannen niet alleen gewijzigd, u heeft allerlei handelingen verricht zonder hierover voorafgaand met cliënte in gesprek te gaan. U heeft hierdoor tevens bijgedragen aan de aangehaalde opzeggingen. Cliënte stelt dat het totaal van handelingen van u drieën ten opzichte van cliënte onrechtmatig is.Namens Montapanel verzoek en zo nodig sommeer ik u om mij uiterlijk 12 februari 2021 te bevestigen dat u zich zal houden aan de met u gemaakte afspraken, dat u geen handelingen zal verrichten die als gevolg kunnen hebben dat de heren [geïntimeerde1] . en [geïntimeerde2] een wanprestatie verrichten jegens cliënte en dat u iedere betrokkenheid met deze nieuwe onderneming zal staken. Graag ontvang ik van u de bevestiging dat u geen relaties van Montapanel (op welke wijze dan ook) heeft benaderd noch heeft laten benaderen of zal benaderen. Cliënte stelt u aansprakelijk voor de schade die zij als gevolg van uw (onrechtmatige) handelen heeft geleden en nog zal lijden.’ 3.12 Kebla heeft niet voldaan aan de sommatie van [geïntimeerden] om het loon tot aan juni 2021 door te betalen. 4 4. De beoordeling van het geschil De wijziging van eis 4.1 Kebla heeft enkele van haar reconventionele vorderingen bij de kantonrechter in hoger beroep in de zaak met nummer 200.296.214/01 gewijzigd en de door haar ingestelde geldvordering in die zaak verminderd. [geïntimeerden] hebben geen bezwaar gemaakt tegen deze wijzigingen. Het hof ziet ook zelf geen reden om de wijzigingen buiten beschouwing te laten en zal dan ook beslissen op de gewijzigde en verminderde vorderingen. De reikwijdte van het geschil bij het hof en het spoedeisend belang 4.2 In de zaak met nummer 200.296.214/01 hebben [geïntimeerden] - kort gezegd – bij de kantonrechter doorbetaling van salaris, vakantiegeld en betaling van een vergoeding wegens niet opgenomen vakantiedagen, vermeerderd met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente gevorderd. Ook hebben zij gevorderd dat het concurrentie- en relatiebeding wordt geschorst. In reconventie heeft Kebla gevorderd dat het [geïntimeerden] verboden wordt tot 1 juni 2021 te handelen in strijd met het concurrentiebeding, tot 1 maart 2023 te handelen in strijd met het relatiebeding (en vanaf dat moment contact te hebben met de ‘top 50 relaties’ van Kebla) en om tot 1 maart 2023 te handelen in strijd met het geheimhoudingsbeding. Verder heeft Kebla schadevergoeding gevorderd van [geïntimeerden] 4.3 De kantonrechter heeft de vorderingen van [geïntimeerden] toegewezen, met uitzondering van de vordering tot schorsing van het concurrentiebeding, en alle reconventionele vorderingen van Kebla afgewezen. Kebla is in beroep gekomen tegen de toewijzing van de vorderingen van [geïntimeerden] en tegen de afwijzing van haar reconventionele vordering. Zij heeft ook grieven gericht tegen die beslissingen. [geïntimeerden] hebben incidenteel appel ingesteld tegen de afwijzing van hun vordering tot schorsing van het relatiebeding en daar ook grieven tegen gericht. Dat betekent dat in de procedure bij het hof over alle vorderingen van partijen beslist moet worden. 4.4 Het hof zal eerst beoordelen of partijen op dit moment nog een spoedeisend belang hebben bij hun vorderingen. 4.5 [geïntimeerden] vorderen betaling van achterstallig loon. Die vordering is naar zijn aard spoedeisend. Ook bij hun vordering het relatiebeding te schorsen hebben zij, gelet op het karakter van die vordering, een spoedeisend belang. 4.6 Bij haar vorderingen om [geïntimeerden] te verbieden in strijd te handelen met het relatie- en geheimhoudingsbeding, (met [geïntimeerde3] ) een concurrerende onderneming te voeren, contact te hebben met de ‘top 50 relaties’ van Kebla en werknemers van Kebla te bewegen bij de onderneming van [geïntimeerde3] in dienst te treden heeft Kebla een spoedeisend belang. Dat geldt niet voor de vordering om [geïntimeerden] te verbieden in strijd te handelen met het concurrentiebeding. Partijen zijn het erover eens dat indien wordt uitgegaan van 1 juni 2021 als einddatum van de arbeidsovereenkomst het concurrentiebeding ziet op de periode tot 1 september 2021. Die datum ligt inmiddels (ver) in het verleden, zodat niet valt in te zien dat Kebla nog een spoedeisend belang bij deze vordering heeft. Kebla heeft niet gemotiveerd waarom zij ook een spoedeisend belang zou hebben bij haar vordering tot schadevergoeding, een vordering die niet als een nevenvordering van de andere vorderingen kan worden gezien. Dat zij spoedeisend belang heeft bij deze vordering, ligt ook niet zonder meer voor de hand. Om die reden is deze vordering niet toewijsbaar. 4.7 Voor de vorderingen van Kebla tegen [geïntimeerde3] geldt het volgende.De als A aangeduide vordering houdt in dat het [geïntimeerde3] wordt verboden om voor 1 september 2021 handelingen te verrichten ter voorbereiding en ontwikkeling van een nieuwe onderneming. Kebla heeft, gelet op het feit dat de datum van 1 september 2021 inmiddels verstreken is, onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij nog een spoedeisend belang heeft bij deze vordering. De vordering is alleen om die reden al niet toewijsbaar. Bij de vorderingen B tot en met D, die alle bedoeld zijn om de in de visie van Kebla onrechtmatige concurrentie door [geïntimeerde3] te beëindigen, heeft Kebla wel een spoedeisend belang. Het hof merkt ten aanzien van deze vorderingen volledigheidshalve op dat deze door de voorzieningenrechter zijn afgewezen en dat het hoger beroep van Kebla erop gericht is om deze vorderingen alsnog toegewezen te krijgen.De vorderingen onder B t/m D houden in dat het [geïntimeerde3] verboden wordt om binnen twee jaar (onduidelijk is wanneer deze periode ingaat) contact te hebben met de ‘top 50 relaties van Kebla’(vordering B), een met Kebla concurrerende onderneming te (doen) voeren (vordering C) en werknemers van Kebla ertoe te bewegen hun arbeidsovereenkomst met Kebla te beëindigen en bij zijn, [geïntimeerde3] , onderneming in dienst te treden (vordering D). Bij deze vordering heeft Kebla, gelet op de aard ervan, op zich een spoedeisend belang, waarbij het hof ervan uitgaat dat de termijn van twee jaar loopt vanaf de datum van de inleidende dagvaarding, 26 april 2021. Vordering E is een vordering tot betaling van een voorschot van € 100.000,- op de schadevergoeding. De kantonrechter heeft deze vordering - terecht, gelet op wat het hof hiervoor heeft overwogen over het spoedeisend belang van de vordering tot schadevergoeding in de zaak met nummer 200.296.214/01 - afgewezen vanwege het ontbreken van een spoedeisend belang. Tegen deze beslissing is weliswaar geen grief gericht, maar Kebla heeft de vordering toch wel bij het hof ingesteld. De vordering is vanwege het ontbreken van een grief tegen de afwijzing ervan niet toewijsbaar (nog daargelaten dat de vordering terecht is afgewezen door de voorzieningenrechter). Vordering G (vordering F heeft geen zelfstandige betekenis, maar betreft een met de andere vorderingen verbonden dwangsom) is een vordering tot betaling van € 2.000,- aan ‘verbeurde dwangsommen’ (bedoeld zal zijn: verschuldigde contractuele boetes). Kebla heeft nagelaten het spoedeisend belang bij deze vordering te onderbouwen. Dat spoedeisend belang is, gelet op het relatief geringe bedrag, ook niet evident, zodat een onderbouwing wel noodzakelijk is. De vordering is dan ook niet toewijsbaar vanwege het ontbreken van een spoedeisend belang. 4.8 Het hof zal hierna de vorderingen bespreken, waarbij een van partijen een spoedeisend belang heeft. Wanneer is de arbeidsovereenkomst met [geïntimeerden] geëindigd? 4.9 [geïntimeerden] hebben in hun brieven van 25 januari 2021 hun arbeidsovereenkomst opgezegd tegen 1 juni 2021. Voor hen geldt, gelet op artikel 2 lid 2 van hun arbeidsovereenkomst, een opzegtermijn van één maand. Volgens Kebla zijn partijen nadien geen langere opzegtermijn overeengekomen en hebben zij ook niet beoogd of afgesproken dat een langere opzegtermijn van toepassing is dan de wettelijke opzegtermijn. Bovendien kan de opzegtermijn in dat geval ook niet op grond van de redelijkheid worden verlengd. Omdat zij niet met de langere opzegtermijn heeft ingestemd moet de arbeidsovereenkomst geacht worden te zijn opgezegd tegen 1 maart 2021, aldus Kebla. 4.10 Het betoog van Kebla komt erop neer dat de tussen partijen (op grond van de wet of de overeenkomst) geldende opzegtermijn een maximumkarakter heeft en dat wanneer een langere termijn in acht wordt genomen die termijn wordt geconverteerd in de geldende, maximale opzegtermijn. Het hof volgt Kebla niet in dit betoog.De bedoeling van de opzegtermijn is om de andere partij de gelegenheid te geven te anticiperen op het naderende einde van de arbeidsovereenkomst. Indien een werknemer de arbeidsovereenkomst opzegt, heeft de werkgever vanwege het feit dat de werknemer een opzegtermijn in acht moet nemen de mogelijkheid om op zoek te gaan naar een vervanger en kan, indien sprake is van een ruime termijn, de vervanger mogelijk al worden ingewerkt. Gelet op deze bedoeling van de opzegtermijn ligt het voor de hand dat de opzegtermijn juist een minimumkarakter heeft en geen maximumkarakter. Een werknemer die een langere opzegtermijn in acht neemt, geeft de werkgever meer gelegenheid om te anticiperen op zijn aanstaande vertrek. Terzijde merkt het hof op dat uit de eigen stellingen van Kebla over de schade die zij heeft geleden door het plotselinge vertrek van [geïntimeerden] (als gevolg van de haar beslissing hen te schorsen) het belang van een ruime opzegtermijn al volgt. Kebla heeft bij de voorzieningenrechter immers aangevoerd dat de uitzendkrachten die zij heeft moeten inschakelen om het vertrek van [geïntimeerden] op te vangen niet goed konden worden ingewerkt en fouten hebben gemaakt, waardoor zij schade heeft geleden. Los daarvan ziet het hof niet in dat een opzegging met inachtneming van een te lange opzegtermijn ertoe leidt dat de arbeidsovereenkomst eindigt op het moment dat zou gelden indien de juiste opzegtermijn zou worden gehanteerd. Wanneer een te korte opzegtermijn wordt gehanteerd eindigt de arbeidsovereenkomst op de datum waartegen is opgezegd en is de partij die met inachtneming van een te korte opzegtermijn heeft opgezegd schadeplichtig (vgl. artikel 7:672 lid 11 BW). Een opzegging met inachtneming van een te korte opzegtermijn is dus niet nietig en wordt evenmin geconverteerd in een opzegging met inachtneming van de juiste opzegtermijn. Niet valt in te zien waarom een opzegging met inachtneming van een te lange opzegtermijn - als daarvan al sprake zou kunnen zijn, wat dus niet het geval is - wèl nietig zou zijn of geconverteerd zou worden in een opzegging met inachtneming van de juiste opzegtermijn. 4.11 Gelet op het voorgaande is de arbeidsovereenkomst tussen Kebla en [geïntimeerden] niet per 1 maart 2021, maar pas per 1 juni 2021 geëindigd. Hebben [geïntimeerden] tot aan 1 juni 2021 aanspraak op loon? 4.12 Kebla heeft [geïntimeerden] geschorst. Volgens vaste rechtspraak komt een schorsing voor rekening van de werkgever, ook indien de werknemer aanleiding heeft gegeven tot de schorsing. De werkgever dient dan ook het loon door te betalen indien de werknemer vanwege de schorsing de overeengekomen arbeid niet kan verrichten (vgl. artikel 7:628 lid 1 BW). 4.13 Volgens Kebla zijn de gedragingen van [geïntimeerden] zo ernstig dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn de schorsing voor haar rekening te laten komen. [geïntimeerden] hebben gezamenlijk hun arbeidsovereenkomst opgezegd en hebben met [geïntimeerde3] voorbereidingen getroffen om een concurrerende onderneming op te zetten. Bovendien heeft [geïntimeerde2] , wiens handelen op dit punt gelet op het gezamenlijke handelen ook aan [geïntimeerde1] kan worden toegerekend, de klantenlijst opgevraagd bij de heer [naam2] van Kebla en daarmee zowel het geheimhoudingsbeding als het verbod op het verrichten van concurrerende activiteiten gedurende het dienstverband overtreden, aldus Kebla. 4.14 Het hof volgt Kebla niet. Allereerst geldt dat, zoals hiervoor is vermeld, een schorsing voor rekening van de werkgever komt, ook wanneer de werknemer aanleiding heeft gegeven voor de schorsing. Bovendien heeft Kebla onvoldoende aannemelijk gemaakt dat er in dit geval reden is om af te wijken van deze regel. [geïntimeerden] hebben gemotiveerd weersproken dat [geïntimeerde2] de klantenlijst heeft opgevraagd bij [naam2] . In het licht van deze betwisting legt de schriftelijke verklaring van [naam2] onvoldoende gewicht in de schaal. Het karakter van deze procedure verzet zich tegen verdere bewijslevering op dit punt. Het hof kan er dan ook niet vanuit gaan dat [geïntimeerde2] de klantenlijst heeft opgevraagd. Verder heeft Kebla onvoldoende aannemelijk gemaakt dat [geïntimeerden] toen zij werden geschorst de op hen rustende verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst hadden geschonden. Het stond [geïntimeerden] vrij om bij een andere onderneming in dienst te treden mits zij zich zouden houden aan het voor hen geldende concurrentie-, relatie- en geheimhoudingsbeding. Het voornemen om in de onderneming van [geïntimeerden] in dienst te treden, betekende niet dat zij deze bedingen schonden. Dat [geïntimeerden] voorafgaand aan de schorsing al activiteiten ondernamen in het kader van de (op te starten) onderneming van [geïntimeerden] heeft Kebla niet duidelijk kunnen maken, zodat er voorshands niet van kan worden uitgegaan dat [geïntimeerden] het verbod op het verrichten van concurrerende activiteiten gedurende het dienstverband hebben overtreden. 4.15 Kebla heeft nog een beroep gedaan op verrekening van de loonvordering van [geïntimeerden] met de door haar geleden schade. Volgens Kebla heeft zij schade geleden doordat zij [geïntimeerden] heeft moeten schorsen. Zij heeft extra loonkosten moeten maken om vervangers voor [geïntimeerden] in kunnen schakelen. 4.16 Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat de keuze van Kebla om [geïntimeerden] te schorsen voor haar rekening komt en dat voorshands onvoldoende aannemelijk is dat [geïntimeerden] voorafgaand aan de schorsing in strijd hebben gehandeld met de in artikel 6 en 7 van de arbeidsovereenkomst. De gevolgen van de keuze van Kebla om [geïntimeerden] te schorsen, komen dan ook voor haar eigen rekening. Dat betekent dat Kebla de extra loonkosten die zij heeft moeten maken niet op [geïntimeerden] kan afwentelen. Indien zij door de schorsing schade heeft geleden, dient zij die zelf te dragen. Het beroep van Kebla op verrekening gaat alleen om die reden al niet op. 4.17 De conclusie is dat de loonvorderingen van [geïntimeerden] toewijsbaar zijn. Moet het relatiebeding van [geïntimeerden] geschorst worden? 4.18 [geïntimeerden] hebben gevorderd dat het relatiebeding uit hun arbeidsovereenkomst wordt geschorst. Dat beding komt erop neer dat zij gedurende twee jaar na het einde van de arbeidsovereenkomst geen relaties van Kebla mogen benaderen. Gelet op wat hiervoor is overwogen, zijn ze dus, uitgaande van de rechtsgeldigheid van het beding, tot 1 juni 2023 aan dit beding gebonden. 4.19 Een vordering tot schorsing van een relatiebeding als ordemaatregel, zoals [geïntimeerden] vorderen, is in kort geding wel mogelijk. Voor de toewijzing daarvan gaat het er dan om of voorshands voldoende aannemelijk is dat het relatiebeding in een bodemprocedure geheel of gedeeltelijk zal worden vernietigd. 4.20 Op grond van artikel 7:653 lid 3 BW kan de rechter een beding waarbij de werknemer wordt beperkt in zijn bevoegdheid om na het einde van de overeenkomst op zekere wijze werkzaam te zijn (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.