Afdeling strafrecht Parketnummer: 21-001842-20 Uitspraak d.d.: 20 september 2022 TEGENSPRAAK Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, van 13 oktober 2017, parketnummer 96-026156-16, de in eerste aanleg gevoegde strafzaak, parketnummer 96-137310-17, en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging, parketnummer 22-003602-16, tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] , wonende te [adres] . Het hoger beroep De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 6 september 2022 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen namens verdachte door zijn raadsman, mr. S.C. van Paridon, naar voren is gebracht. Het vonnis waarvan beroep De politierechter heeft verdachte wegens het twee keer overtreden van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994 veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 weken en de tenuitvoerlegging gelast van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij arrest van de meervoudige strafkamer van het Gerechtshof ’s-Gravenhage van 16 maart 2017, gewezen onder parketnummer 22-003602-16, te weten een taakstraf voor de duur van 20 uren subsidiair 10 dagen hechtenis. Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere strafoplegging komt. Het hof zal daarom opnieuw rechtdoen. De tenlastelegging Aan verdachte is tenlastegelegd dat: Zaak met parketnummer 96-026156-16: hij op of omstreeks 4 februari 2016 te Zwijndrecht terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, te weten Categorie B, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën was afgegeven, op de weg, Rijksweg A16, als bestuurder een motorrijtuig, (personenauto), van die categorie of categorieën heeft bestuurd; Zaak met parketnummer 96-137310-17 (gevoegd): hij op of omstreeks 14 juli 2017 te Utrecht terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën was afgegeven, op de weg, de Zuilensering, als bestuurder een motorrijtuig, (personenauto), van die categorie of categorieën heeft bestuurd. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging. Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie Standpunt van de verdediging De raadsman heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard dient te worden, omdat het openbaar ministerie meermalen heeft verzuimd om een deugdelijke dagvaarding uit te brengen. Dit herhaald onrechtmatige handelen dient als vormverzuim gezien te worden. Daarbij kan er geen sprake meer zijn van een behandeling van de zaak die aan de beginselen van een behoorlijke procesorde voldoet. Het betreft hier een zaak waarvan de redelijke termijn al lang en breed is overschreden en die vertraging valt in geen enkel opzicht te wijten aan het handelen van verdachte. Nu het recht op berechting binnen een redelijke termijn sinds de grondwetswijziging concreet is opgenomen in artikel 15 lid 3 van de Grondwet, dient het hof rekening te houden met het veranderde rechtsstelsel. Het bovenstaande rechtvaardigt volgens de verdediging het niet-ontvankelijk verklaren van het openbaar ministerie in de vervolging van verdachte. Standpunt van het openbaar ministerie De advocaat-generaal heeft betoogd dat volgens de Hoge Raad slechts in uitzonderlijke gevallen sprake kan zijn van niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie bij het overschrijden van de redelijke termijn. Hoewel de gang van zaken in deze zaak niet zo had gemoeten, is het in de visie van het openbaar ministerie niet expres verkeerd gegaan om verdachte te benadelen. Er is geen reden voor niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging. Oordeel van het hof Met de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat de door de raadsman aangevoerde feiten en omstandigheden, inclusief het door hem aangevoerde artikel 15 lid 3 van de Grondwet, niet leiden tot het oordeel dat het openbaar ministerie nietontvankelijk in de vervolging dient te worden verklaard. In de onderhavige zaak is inderdaad sprake van een forse overschrijding van de redelijke termijn, nu na het wijzen van het vonnis inmiddels bijna 5 jaar zijn verstreken, maar volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad kan overschrijding van de redelijke termijn ook in uitzonderlijke gevallen niet leiden tot nietontvankelijkheid van het openbaar ministerie. Overweging met betrekking tot het bewijs Het hof komt tot een bewezenverklaring van het tenlastegelegde op grond van de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om te twijfelen aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen. Bewezenverklaring Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het in de zaak met parketnummer 96-026156-16 en in de zaak met parketnummer 96-137310-17 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat: Zaak met parketnummer 96-026156-16: hij op of omstreeks 4 februari 2016 te Zwijndrecht terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, te weten Categorie B, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën was afgegeven, op de weg, Rijksweg A16, als bestuurder een motorrijtuig, (personenauto), van die categorie of categorieën heeft bestuurd. Zaak met parketnummer 96-137310-17 (gevoegd): hij op of omstreeks 14 juli 2017 te Utrecht terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën was afgegeven, op de weg, de Zuilensering, als bestuurder een motorrijtuig, (personenauto), van die categorie of categorieën heeft bestuurd. Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het in de zaken met parketnummers 96-026156-16 en 96-137310-17 bewezenverklaarde levert telkens op: overtreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.